Einde inhoudsopgave
Alle omstandigheden van het geval (O&R nr. 77) 2013/1.3.3.2
1.3.3.2 De uitleg van een overeenkomst
mr. P.T.J. Wolters, datum 01-03-2013
- Datum
01-03-2013
- Auteur
mr. P.T.J. Wolters
- JCDI
JCDI:ADS304525:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 878 (M.v.A. II), Van Dunné 1971, p. 123 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), nr. 164. Vergelijk echter art. 6:218 BW. Een aanbod wordt niet in alle gevallen als een eenzijdige rechtshandeling behandeld.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 877 (M.v.A. II). Vergelijk ook HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (Bunde/Erckens I), HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter) en Meijers 1921, p. 153-154.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), nr. 11. Anders: Van Dunné 1971, p. 197.
Vergelijk Jansma 1913, p. 13. De uitleg van een rechtshandeling is het genus, de uitleg van een contract de species.
Vergelijk ook HR 20 mei 1949, NJ 1950, 72 (Zwitserse/Koppe), HR 30 november 1951, NJ 1953, 76 (Van Stijverden/Van Olst), HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199 (Steinbusch/ Van Alphen), HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox), Houwing 1890, p. 516- 517, Jansma 1913, p. 6-8 en 64-65, Losecaat Vermeer 1913, p. 33-34, Van Zaltbommel 1993, p. 25, Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), nr. 362 en 364, Bakker 2011, p. 480 en 483, Van Dunné 2011, p. 114, Jansen 2011, p. 44-45 en Bakker 2012, p. 47. Anders: Valk 2012b, p. 769. Valk koppelt de artt. 3:33 en 35 BW aan de subjectieve goede trouw van art. 3:11 BW.
HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex), onder r.o. VI, 2.
Brunner in zijn noot onder HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex), Tjittes 2009, p. 8, Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), nr. 364, Jansen 2011, p. 45 en Valk 2012b, p. 769. Overigens is deze lijn al eerder ingezet, zie HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125 (Ram/Matser).
Houwing 1890, p. 513, Vranken 1989, p. 64, Bakker 2012, p. 45-48 en Valk 2012b, p. 769.
Een overeenkomst komt op grond van art. 6:217 lid 1 BW tot stand door aanbod en aanvaarding, twee eenzijdige rechtshandelingen.1 De uitleg van deze rechtshandelingen is van belang voor de totstandkoming van een overeenkomst. Van belang is “wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen omtrent hun wederzijdse bedoelingen (wil) hebben mogen afleiden en op wat partijen op die grond aan rechtsgevolgen kan worden toegerekend.”2
De overeenkomst zelf is een meerzijdige rechtshandeling.3 De contractanten kunnen het oneens worden over de betekenis van (een gedeelte van) de overeenkomst. De artt. 3:33 en 35 BW zijn van toepassing op de uitleg van rechtshandelingen. Zij zijn dus ook van toepassing op de uitleg van een overeenkomst.4 De artikelen zijn, gelet op het woord redelijkerwijze, in § 1.2.3 beschreven preciseringen van de redelijkheid en billijkheid. De redelijkheid en billijkheid is hiermee ook van toepassing op de uitleg van een overeenkomst.5
De rol van de redelijkheid en billijkheid bij de uitleg van een overeenkomst is uiteengezet in het Haviltex-arrest. Een overeenkomst moet niet zuiver taalkundig worden uitgelegd, bij de uitleg komt het aan “op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.”6 Deze ‘Haviltexformule’ sluit goed aan bij art. 3:35 BW.7 Dit is terecht. Het artikel speelt een rol bij de uitleg van alle rechtshandelingen. Het is dus ook van belang bij de uitleg van een overeenkomst. Daarbij hangt de vraag of een overeenkomst bestaat altijd samen met de vraag naar de inhoud van deze overeenkomst.8