Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.4.1.2.3
4.4.1.2.3 Subjectieve elementen pauliana en onrechtmatige daad
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS409043:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
In Asser-Hartkamp, 4-BI, hfdst. 3, wordt meer in het algemeen ten aanzien van de onrechtmatige daad betoogd dat subjectieve criteria niets van doen hebben met de vraag of een daad als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd, maar dat deze slechts van belang zijn voor de toerekening van een onrechtmatige daad. Ik meen dat in deze specifieke gevallen, waarbij de onrechtmatige daad loopt via het vermogen van een derde en de schade toebrengende gedraging bestaat uit het verrichten van een rechtshandeling met die derde, de onrechtmatigheid niet vastgesteld kan worden zonder subjectieve criteria en dat de rechtspraak deze ook stelt om tot het oordeel te komen dat de gedraging onrechtmatig is.
Zie voor dit onderscheid o.a. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II, nr. 841. Zij maken daarbij een nader onderscheid tussen ongeoorloofde vermogensonttrekkingen door de moeder als crediteur van de dochter en ongeoorloofde vermogensonttrekkingen door de moeder als aandeelhouder door de dochter. Het is niet altijd eenvoudig of zelfs mogelijk om de verschillende typen goed te onderscheiden. Getuige ook HR 8 juli 2005, JOR 2005/236 (Lundersadt/de Kok II) en dan met name de conclusie van A-G Huydecoper. Daarnaast lijkt zich een derde categorie te vormen, waarbij sprake is van misbruik of onverantwoord gebruik van rechtspersoonlijkheid. Zie in dit verband twee recente arresten van de Hoge Raad, HR 27 februari 2009, NJ 2009, 318 (Stichting Waaldijk 8), m.nt. PvS, JOR 2009/104, m.nt. J.S. Kortmann en HR 11 september 2009, JOR 2009/309 (Van den End q.q./Comsys), m.nt. Spinath.
Deze twee vormen van onrechtmatige daad worden in de literatuur veelal samengebracht onder de noemer `doorbraak van aansprakelijkheid'. Zie terecht kritisch over deze terminologie J. Barneveld, 'Flexibele regels inzake uitkeringen', WPNR 2009/6809, p. 693-701. Barneveld schrijft het volgende: Wet is mijns inziens echter onjuist en verwarrend om de hiervoor aangeduide tweede categorie (de ongeoorloofde vermogensonttrekkingen) als een vorm van indirecte doorbraak aan te merken. Het verwijt aan de aandeelhouder is hier niet dat hij had moeten voorkomen dat na een bepaalde peildatum nog vorderingen op de vennootschap ontstonden. De aandeelhouder wordt verweten vermogen aan de vennootschap te hebben onttrokken op een moment waarop haar financiële positie dit niet toeliet. De in faillissement achtergestelde positie van de aandeelhouder werpt haar schaduw vooruit en derhalve dient de aandeelhouder zich onder bepaalde omstandigheden te onthouden van onttrekking. Indien hij onder deze omstandigheden toch heeft besloten over te gaan tot een vermogensonttrekking dan kan hij worden aangesproken om hetgeen hij ongeoorloofd heeft onttrokken aan de vennootschap te restitueren. Indirecte doorbaak, oftewel aansprakelijkheid voor de vorderingen van de crediteuren op de vennootschap, is hier (in beginsel) helemaal niet aan de orde. Het betreft hier een restitutieverplichting.'
Zie volgende noot.
Zie ten aanzien van deze gevallen samenvattend in deze zin Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-II, nr. 844. Zie verder ten aanzien van deze rechtspraak M.L. Lennarts, Concernaansprakelijkheid (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1999. Zie ten aanzien van het belang van het arrest Sobi-Hurks II, o.a. annotatie van M.L. Lennarts, Ondernemingsrecht 2002, p. 109 e.v.
Zie Asser/MaeijerNan Solinge & Nieuwe Weme 2-II, nr. 844. 'Ook hier wordt niet zoals in de categorie gevallen van het type Osby en Albada Jelgersma, gewerkt met het criterium 'weten c.q. voorzien of behoren te voorzien dat nadeel zou worden toegebracht', maar met het minder strenge criterium '(ernstig) rekening houden met de mogelijkheid van een tekort op grond van de financiële positie van de dochter'
Mogelijk dient geoordeeld te worden dat inmiddels minder betekenis aan de subjectieve gesteldheid van de moeder toekomt, dit vooral in het licht van het arrest Sobi-Hurks (II). Zie in dit kader met name Bartman, die spreekt over een inbreng van een risico-element. S.M. Bartman en A.EM. Dorresteijn, Van het Concern, Deventer: Kluwer 2009, p. 291. De relativering van de vereiste wetenschap van benadeling aan de zijde van de moedervennootschap betreft dan bovenal de toerekening van wetenschap. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan niet worden afgeleid dat de inhoudelijke eisen die aan die wetenschap worden gesteld ook versoepeld zouden zijn.
HR 22 december 2009 (Van Dooren q.q./ABN AMRO BI).
Onder sterke wetenschap van een naderend faillissement wordt hier begrepen dat partijen 'vrijwel zeker wisten dat een faillissement zou volgen'.
Zie § 4.2.1.4.2 en § 4.2.1.4.4.
Ten aanzien van herstructureringen is een perspectiefwisseling bepleit, waarbij een beroep op de pauliana dient te worden afgewezen indien er reële kansen waren dat het faillissement kon worden afgewend en de handelingen daar ook op gericht waren (zie § 4.2.1.4.5).
Zie hierover ook § 4.2.1.4.2, § 4.2.1.4.4 en § 4.2.1.4.5.
Zie § 4.2.1.4.1 en § 4.2.1.4.3.
De twee voorgaande argumenten tegen het aannemen van een lex specialis van de pauliana tot de onrechtmatige daad, zijn in de eerste plaats wetsystematisch van aard. Nu zal een meer inhoudelijke vergelijking gemaakt worden tussen de norm van de onrechtmatige daad en de pauliana. De focus blijft op de pauliana ten aanzien van onverplichte rechtshandelingen anders dan om niet. Daartoe zal eerst uiteengezet worden in welke mate het vereist is voor het plegen van een onrechtmatige daad in de onderhavige gevallen — aansprakelijkheid jegens een derde wegens onvoldoende verhaal — vereist is dat voldaan is aan bepaalde subjectieve vereisten.1
In geval van aansprakelijkheid jegens schuldeisers in faillissement op grond van onrechtmatige daad kunnen twee typen casus worden onderscheiden.2 De eerste groep wordt gevormd door de gevallen waarin de aansprakelijk gestelde persoon een verwijt gemaakt wordt dat de vordering van een schuldeiser in het faillissement is ontstaan, veelal wegens een 'gewekte schijn van kredietwaardigheid'. Het tweede type van gevallen van aansprakelijkheid jegens faillissementsschuldeisers wordt gevormd door de gevallen waarin de verhaalsmogelijkheden van de faillissementsschuldeisers door toedoen van de aansprakelijk gestelde persoon beperkt zijn, ook wel aangeduid met de term 'ongeoorloofde vermogensonttrekkingen'.3
Het wetenschapscriterium zoals dat in de rechtspraak aangelegd wordt voor het aannemen van een onrechtmatige daad voor de gevallen waarin sprake is van een verwijt dat een vordering op de failliet is ontstaan, luidt dat de derde moest 'weten c.q. voorzien of behoren te voorzien dat nadeel zou worden toegebracht'.4 De rechtspraak ten aanzien van casus van ongeoorloofde vermogensonttrekkingen stelt voor aansprakelijkheid ook het vereiste van wetenschap van benadeling, maar hanteert een ander criterium. In deze gevallen wordt het wetenschapscriterium geformuleerd in de zin dat de derde ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een tekort' .5 Belangrijk is te onderkennen dat het subjectieve criterium voor aansprakelijkheid in de tweede groep van gevallen, vermogensonttrekkingen, minder streng is (dus voor gedupeerde schuldeiser makkelijker te bewijzen) dan in het eerste geval.6 Oftewel, aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens het ontstaan van een faillissementsvordering vereist (onder meer) de vervulling van het criterium van 'weten c.q. voorzien of behoren te voorzien dat nadeel zou worden toegebracht', terwijl aansprakelijkheid wegens vermogensonttrekking de vervulling van het lichtere subjectieve criterium vereist, te weten 'ernstig rekening hebben te houden met de mogelijkheden van een tekort'.7
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt dus te destilleren dat vereist is voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad, dat degene die aangesproken wordt, ten tijde van de gewraakte handeling in geval van vermogensonttrekkingen, 'ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een tekort'. Dit element ziet in de eerste plaats op de economische vooruitzichten en de toekomstverwachtingen ten aanzien van de schuldenaar — latere failliet.
Hierboven is onder § 4.2.1.3 en § 4.2.1.4 ingegaan op de vraag in hoeverre onder de pauliana ook in zekere mate vereist is dat het faillissement door partijen voorzien diende te worden. De conclusie was dat, behoudens zogenoemde 'over het graf-rechtshandelingen', inderdaad vereist is dat in bepaalde mate het naderende faillissement voorzien dient te worden. De Hoge Raad heeft in het arrest HR Van Dooren q.q./ABN AMRO III8 aangegeven dat vereist is dat ten tijde van de handeling 'het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte'. Betoogd is dat hier geen scherp, voor alle gevallen toepasbaar positief geformuleerd uniform criterium uit kan worden afgeleid. In § 4.2.1.4 is vervolgens uiteengezet hoe dit criterium nader ingevuld zou kunnen worden al naar gelang de aard en inhoud van de gewraakte rechtshandeling.
Ten aanzien van een aantal rechtshandelingen is beargumenteerd waarom een `sterke' wetenschap van een naderend faillissement vereist zou zijn onder de pauliana.9 Dit betroffen i) arm's length sales benadelend voor de crediteuren terwijl de wederpartij zelf geen onmiddellijk voordeel bij de transacties heeft, ii) zekerheden verstrekt voor nieuw krediet en iii) herstructureringen. Ten aanzien van deze rechtshandelingen is betoogd dat deze slechts bij wijze van uitzondering vernietigd moeten kunnen worden. Betoogd is dan ook dat, voor het aannemen van de vereiste wetenschap van benadeling, in geval van arm's length sales en zekerheden verstrekt voor nieuw krediet,10 vereist is dat partijen 'vrijwel zeker weten dat een faillissement zal volgen'.11 Indien men deze voorzienbaarheid van het faillissement onder de pauliana, vergelijkt met de voorzienbaarheid van het tekort voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad, ziet men dat de pauliana in deze gevallen op z'n minst even zware subjectieve vereisten stelt als de onrechtmatige daad. In deze gevallen zou men dan ook als uitgangspunt kunnen nemen dat het subjectieve vereiste onder de pauliana — de wetenschap van benadeling met als onderdeel de voorzienbaarheid van faillissement — even zwaar is als onder de onrechtmatige daad. De wederpartij bij deze paulianeuze handelingen zal in de regel dan ook tevens een onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers plegen. Evenzeer wordt de pauliana in deze gevallen hoofdzakelijk verklaard door de omstandigheid dat de wederpartij van de schuldenaar zich onbehoorlijk heeft gedragen jegens de gezamenlijke schuldeisers, althans hun belangen op onbehoorlijke wijze heeft veronachtzaamd.12
Ten aanzien van een aantal rechtshandelingen is betoogd dat geen sterke wetenschap van een naderend faillissement vereist is. Dit betroffen i) rechtshandelingen met een groot waardeverschil van de prestaties over en weer en ii) incongruente voldoeningen.13 Weliswaar is vereist dat er tekenen van een naderend faillissement zijn, maar niet vereist is dat deze zo sterk zijn dat gezegd kan worden dat de wetenschap van benadeling slechts aangenomen kan worden indien de wederpartij 'vrijwel zeker wist dat het faillissement zou volgen'. Indien men de vereiste voorzienbaarheid van het faillissement onder de pauliana in deze gevallen vergelijkt met die van de onrechtmatige daad, kan men niet stellen dat de enkele wetenschap van benadeling, met als onderdeel de voorzienbaarheid van faillissement, even zwaar is als het subjectieve verwijt dat de wederpartij onder de onrechtmatige daad gemaakt moet kunnen worden. Er kunnen zich m.i. dus gevallen voor doen waarbij weliswaar sprake is van paulianeus handelen, maar waarbij de wederpartij onvoldoende een subjectief verwijt gemaakt kan worden voor het oordeel dat deze ook per se een onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers heeft gepleegd. De paulianeuze handelingen in kwestie — i) rechtshandelingen met een groot waardeverschil van de prestaties over en weer en ii) incongruente voldoeningen — zijn typische paulianagevallen die m.i. niet hoofdzakelijk worden verklaard door een 'onbehoorlijke gedraging' van de wederpartij. In deze gevallen is ook een sterk element van ongewenste verrijking ten koste van de gezamenlijke schuldeisers aanwezig (verkoop tegen een te lage waarde) of een element dat de schuldeiser ten onrechte de dans zou ontspringen en daarom weer in de concursus betrokken wordt (de incongruente voldoeningen).
Er zijn dus paulianagevallen waarbij weliswaar geoordeeld kan worden dat de wederpartij wetenschap van benadeling als vereist onder de pauliana heeft, maar deze niet per se een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Dit zal zich met name voordoen bij die gevallen waarbij weliswaar bekendheid met tekenen van een naderend faillissement vereist is, maar deze tekenen niet sterk hoeven te zijn, in de zin dat de wederpartij vrijwel zeker moet zijn geweest dat het faillissement van de schuldenaar zou volgen. Dit zal het geval zijn bij rechtshandelingen met een groot waardeverschil en bij incongruente voldoeningen. Hiermee is een derde grond gegeven om aan te nemen dat de pauliana geen lex specialis van de onrechtmatige daad is.