Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.3.2
14.3.2 Uitlegmaatstaf
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300465:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt het recht van erfdienstbaarheid dat wordt verkregen als gevolg van verjaring (hoewel daarbij vaak zal kunnen worden aangesloten bij een mislukte poging tot vestiging van het recht van erfdienstbaarheid), of het aandeel in een mandelige zaak dat wordt verkregen op basis van art. 5:62 BW. In zulke gevallen zal uit de feitelijke situatie volgen welk recht als hoofdrecht dient te worden aangemerkt.
Asser/Sieburgh 2018, para. 119.
De overeenkomst van borgtocht is de enige rechtshandeling waarbij afhankelijke rechten in het leven kunnen worden geroepen die niet noodzakelijkerwijs in de vorm van een notariële of onderhandse akte wordt vastgelegd; zie over het ontbreken van het schriftelijkheidsvereiste bij de overeenkomst van borgtocht Bergervoet 2014, p. 114.
Asser/Sieburgh 2018, para. 121.
Zie in algemene zin over uitlegmaatstaven Biemans 2015; Valk 2016.
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Ermes/Haviltex).
Valk 2016, p. 24.
Dit is een onderliggend beginsel van de zogenaamde wilsvertrouwensleer; zie Asser/Sieburgh 2018, para. 122; Valk 2016, p. 24.
HR 8 december 2000, NJ 2001/350 (Eelder Woningbouw/van Kammen c.s.), rov. 3.3. Zie ook de arresten HR 13 juni 2003, NJ 2004/251 (Teijsen/Marcus) en HR 22 oktober 2010, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser).
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 233.
HR 8 juli 2016, JOR 2016/292 (Melber/Goede), r.o. 4.2.2: “De ratio van deze objectieve uitlegmaatstaf is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een – in de openbare registers ingeschreven – akte is vermeld ter zake van de overdracht van een registergoed of van de vestiging van een beperkt recht op een registergoed.” Zie ook Valk 2016, p. 59.
Zie daarvoor Biemans 2015, p. 2-6; Valk 2016, p. 32-57. Waar ik het heb over de ‘objectieve maatstaf’ doel ik dus op de maatstaf die wordt gehanteerd in – bijvoorbeeld – het arrest HR 8 december 2000, NJ 2001/350 (Eelder Woningbouw/van Kammen c.s.) en niet de ‘objectieve Haviltex-maatstaf’ waaraan bijvoorbeeld wordt gerefereerd in het arrest HR 21 maart 2014, NJ 2015/167 (Coface/Intergamma), rov. 3.4.2. Het verschil tussen beide is dat er in het eerste geval geen tegenbewijs mogelijk is (derden hebben als zij afgaan op de tekst van de akte dat bewijs immers nooit kunnen zien), terwijl dat in het tweede geval wél mogelijk is.
Bergervoet 2014, p. 114.
Asser/van Schaick 2018, para. 75.
Althans voor het gedeelte waar derden op af moeten kunnen gaan om hun rechtspositie te bepalen; zie over het feit dat verschillende bedingen in notariele akten volgens verschillende maatstaven kunnen dienen te worden uitgelegd bijvoorbeeld HR 22 oktober 2010, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser).
HR 20 september 2002, JOR 2002/210 (ING/Muller q.q.), r.o. 4.3.
Zie onder meer HR 8 december 2000, NJ 2001/350 (Stichting Eelder Woningbouw/Van Kammen); HR 13 juni 2003, NJ 2004/251 (Teijsen/Marcus) en HR 22 oktober 2010, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser).
Zie bijvoorbeeld HR 22 oktober 2010, NJ 2011/111 (Kamsteeg/Lisser).
Zie in deze zin (schijnbaar) Faber in zijn noot onder HR 20 september 2002,JOR 2002/210 (ING/Muller q.q., noot opgenomen onder JOR 2002/211); Booms 2017, p. 142.
Zie in deze zin Verstijlen 2013, para. 15, p. 34; Bartels 2015, p. 48-49; Hijma 2018, p. 30; B.A. Schuijling, annotatie bij HR 8 juli 2016, JOR 2016/292 (Melber/ Goede). Zie ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2017, JOR 2017/251, rov. 4.6.4. Anders (wellicht) Wibier 2009a, para. 17, p. 21, die toepassing van de Haviltex-maatstaf bepleit voor de vraag of partijen het hypotheekrecht tot een persoonlijk zekerheidsrecht hebben willen maken. Anders ook Biemans, annotatie bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, JOR 2018/ 284, in ieder geval voor de in dat arrest aan de orde zijnde vraag welke uitlegmaatstaf van toepassing was om te bepalen voor welke vorderingen een hypotheekrecht was gevestigd in een geschil tussen de bij de vestiging van het hypotheekrecht betrokken partijen.
588. Om te bepalen voor welk hoofdrecht (of welke hoofdrechten) een afhankelijk recht in het leven is geroepen, dient te worden gekeken naar de rechtshandeling waardoor het afhankelijke recht is ontstaan.1 De rechtsgevolgen van deze rechtshandeling worden bepaald door hetgeen partijen met de rechtshandeling hebben gewild (art. 3:33 BW) en hetgeen waarop anderen mochten vertrouwen dat zij met de rechtshandeling zouden hebben gewild (art. 3:35 BW). In beide gevallen geldt dat om te bepalen wat partijen hebben gewild, dan wel wat hen daaromtrent wordt toegerekend, slechts kan worden aangesloten bij verklaringen en gedragen die zij hebben geuit (art. 3:33 BW en 3:35 BW). Deze uitingen kunnen in allerhande varianten plaatsvinden: van het ondertekenen van een op schrift gestelde overeenkomst of het doen van een mondelinge mededeling, tot het zwijgen of stilzitten als men actie zou verwachten.2 Om praktische redenen zal in juridische procedures vaak grote aandacht uitgaan naar hetgeen partijen op schrift hebben gesteld bij het tot stand brengen van rechtshandelingen. Zo ook bij het beantwoorden van de vraag voor welke hoofdrechten afhankelijke rechten in het leven zijn geroepen. Zo kan om te bepalen van welke vordering(en) rechten uit borgtocht afhankelijk zijn, worden gekeken naar de (schriftelijke uitwerking van de) overeenkomst van borgstelling.3 Om te bepalen van welke erven een onroerende zaak mandelig is gemaakt, dient te worden gekeken naar de akte waarbij deze zaak tot gemeenschappelijk nut van deze erven is bestemd. Alle andere afhankelijke rechten zijn tevens beperkte rechten; het antwoord op de vraag van welke hoofdrechten zij afhankelijk zijn, is daarom te vinden in hun vestigingsakte. De tekst van een op papier gezette verklaring geeft echter niet altijd een volledig beeld van wat partijen zelf met de rechtshandeling hebben beoogd, of waar zij op meenden te mogen vertrouwen ten aanzien van hun wederpartij.4 Bij het uitleggen van deze teksten speelt daarom steeds de vraag in hoeverre feiten en omstandigheden die niet direct uit de (letterlijke) bewoordingen van de tekst blijken, kunnen worden meegenomen bij het bepalen van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling. Daarvoor zijn in de jurisprudentie verschillende uitlegmaatstaven ontwikkeld. Over deze uitlegmaatstaven valt zóveel te zeggen dat ik dat hier niet allemaal kan herhalen.5 In plaats daarvan volsta ik met enkele – zeer summiere – opmerkingen.
589. De tekst waarin de voor een rechtshandeling benodigde wilsverklaring (deels) is uitgewerkt, kan worden uitgelegd aan de hand van uitlegmaatstaven die meer subjectief of meer objectief zijn. Een meer subjectieve uitlegmaatstaf houdt in dat er mogelijkerwijs ook rekening wordt gehouden met feiten en omstandigheden die niet in de tekst zijn terug te vinden, maar die wel overeenstemmen met de wilsverklaringen van de partijen (althans hetgeen zij uit deze wilsverklaringen hebben mogen afleiden). Een meer objectieve uitleg knoopt zo dicht mogelijk aan bij hetgeen in de tekst te lezen valt. Aan de subjectieve kant van het spectrum staat de Haviltex-maatstaf, die doorgaans gebruikt wordt voor het uitleggen van overeenkomsten waarbij de kring van (potentieel) betrokken personen klein is. Deze maatstaf gaat ervan uit dat náást de tekstuele weergave van hetgeen partijen zijn overeengekomen, ook rekening dient te worden gehouden met “de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten”.6 Er wordt dus (mede) rekening gehouden met de (begrepen) wilsuitingen van partijen, ook als die niet blijken uit de tekst die partijen hebben opgesteld.7 De reden daarvoor is dat er geen bezwaar is om een partij te houden aan hetgeen hij heeft bedoeld overeen te komen, althans waarvan hij voor zijn eigen risico de indruk heeft gewekt dat hij het wilde overeenkomen.8 Aan de objectieve kant van het spectrum staat een objectieve uitlegmaatstaf, die wordt gebruikt voor het uitleggen van rechtshandelingen in situaties waarin derden op de tekst van de akte waarin de rechtshandeling is uitgewerkt, moeten kunnen afgaan. Voor het uitleggen van dergelijke aktes heeft de Hoge Raad in een arrest over de levering van een onroerende zaak bijvoorbeeld bepaald dat het daarbij aankomt op “de in de notariële akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen omschrijving van de over te dragen zaak”.9 Dit betekent dat de bedoelingen van partijen slechts een rol spelen voor zover deze bedoelingen uit de akte blijken.10 De reden daarvoor is dat derden moeten kunnen vertrouwen op hetgeen in de akte te lezen is, zonder dat zij wetenschap hebben over feiten en omstandigheden die niet in de tekst zijn terug te vinden.11 Uitlegmaatstaven die zich tussen deze twee uitersten bevinden, bespreek ik hier niet.12 Bij het bepalen van de hoofdrechten waarvoor afhankelijke rechten in het leven zijn geroepen, zijn de Haviltex-maatstaf en de objectieve maatstaf als volgt van toepassing.
590. De overeenkomst waarbij een borgtocht wordt aangegaan, is vormvrij.13 Er hoeft dus geen akte te worden opgemaakt die wordt ingeschreven in een openbaar register. Bij het uitleggen van wat partijen zijn overeengekomen, hoeft daarom geen rekening te worden gehouden met derden die aan de overeengekomen bedingen rechten moeten kunnen ontlenen. Er wordt daarom aangesloten bij de Haviltex-maatstaf om te bepalen voor welke vorderingen de borgtocht is verleend.14
591. De akte waarbij een onroerende zaak wordt bestemd tot mandelige zaak is daarentegen wel van belang voor derden. Zij moeten kunnen zien wat de rechtstoestand van de mandelig gemaakte onroerende zaak is. Deze akte wordt daarom ingeschreven in de openbare registers. Er wordt daarom gebruik gemaakt van de objectieve maatstaf om te bepalen voor welke erven de onroerende zaak tot gemeenschappelijk nut strekt.
592. Ook de andere afhankelijke genotsrechten komen tot stand door het inschrijven van een notariële akte in de openbare registers. Op het uitleggen van de akte waarmee een recht van erfdienstbaarheid of een afhankelijk opstalrecht wordt gevestigd, is dus de objectieve maatstaf van toepassing.15 De tekst van de akte is daarom doorslaggevend om te bepalen wat het heersende erf is voor het eigendomsrecht waarvan een recht van erfdienstbaarheid is gevestigd. Hetzelfde geldt om te bepalen voor welk zakelijk recht of recht van huur of pacht een afhankelijk opstalrecht is gevestigd.
593. Om te bepalen voor welke vorderingen een pandrecht is gevestigd, dient de pandakte uitgelegd te worden in het licht van de contractuele verhouding tussen de pandgever en de pandhouder. De maatstaf die daarbij dient te worden aangelegd, is de Haviltex-maatstaf. Dit volgt uit het arrest ING/Muller q.q., waarin de Hoge Raad overweegt:
“met betrekking tot de hier aan de orde zijnde vraag – voor welke vordering wordt pand gegeven – de wet niet meer eisen stelt, dan dat deze vordering voldoende bepaalbaar is (art. 3:231 lid 2). Indien de verpanding bij akte heeft plaatsgevonden en de vordering in de akte niet nauwkeurig is omschreven, zal voor die bepaalbaarheid dan ook veelal te rade moeten worden gegaan bij de contractuele verhouding tussen pandgever en pandhouder. Daargelaten de eisen die (overigens) aan de inhoud van een pandakte moeten worden gesteld – vgl. HR 29 juni 2001, nr. C99/296, NJ 2001, 662 [Meijs q.q./Bank of Tokyo] – is er geen reden om bij de uitleg van die verhouding wat dit betreft een andere maatstaf toe te passen dan de gebruikelijke [de Haviltex-maatstaf – TEB].”16
594. Het gaat er dus om van welke vorderingen het voor partijen redelijkerwijs voorzienbaar was dat ze op het in pand gegeven goed zouden kunnen worden verhaald. Daarvoor kan worden aangesloten bij feiten en omstandigheden die niet uit de pandakte blijken. Opvallend is daarbij dat de Hoge Raad zijn argument niet onderbouwt door te verwijzen naar het feit dat pandrechten niet in een openbaar register zijn te raadplegen (en derden dus anders dan bij registergoederen niet op de tekst van de in deze registers opgenomen akte kunnen afgaan), maar op het feit dat derden die de tekst van de pandakte bestuderen, daar sowieso niet uit kunnen opmaken voor welke vorderingen zekerheid is gegeven. Is het pandrecht bijvoorbeeld verstrekt voor alle vorderingen die uit een bepaalde kredietrelatie voortvloeien, dan is het zonder medewerking van de pandgever en/of pandhouder niet mogelijk voor derden om te bepalen welke vorderingen het betreft.
595. Om te bepalen voor welke vorderingen een hypotheekrecht is gevestigd, dient de hypotheekakte te worden uitgelegd. Art. 3:260 lid 1 BW vereist dat in de akte de vordering(en) waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd worden aangeduid, dan wel dat wordt aangegeven hoe kan worden vastgesteld welke vordering(en) het betreft. Indien niet aanstonds duidelijk is of een vordering wel of niet onder deze omschrijving zou vallen, moet de omschrijving worden uitgelegd. De vraag welke maatstaf gebruikt dient te worden om te beoordelen voor welke vorderingen het hypotheekrecht is gevestigd, is door de Hoge Raad nog niet beantwoord. Voor het beschrijven van het object van registergoederen hanteert de Hoge Raad de objectieve maatstaf.17 Dat is bij het omschrijven van het zekerheidsobject ook logisch, aangezien derden op de in de registers ingeschreven akten af moeten kunnen gaan om hun positie te bepalen. Verschillende gedeelten van een akte kunnen echter via verschillende maatstaven worden uitgelegd.18 Voor de uitleg van het gedeelte van de akte waarin is opgenomen voor welke vorderingen het hypotheekrecht is gevestigd, zou mijns inziens eventueel met de meer subjectieve Haviltex-maatstaf kunnen worden volstaan.19 De reden daarvoor is dat het raadplegen van de in de openbare registers opgenomen hypotheekakte derden uiteindelijk geen zekerheid kan bieden omtrent hun rechtspositie ten aanzien van de vorderingen die door het hypotheekrecht worden gesecureerd. Het is namelijk nog steeds nodig om te bekijken welke vorderingen bestaan of nog kunnen ontstaan, hetgeen niet is af te leiden uit de hypotheekakte (zie het randnummer hiervoor voor de redenering die de Hoge Raad daarover hanteerde in het arrest ING/Muller q.q. ten aanzien van het pandrecht). Hierin verschilt dit gedeelte van de akte dus van het gedeelte waarin bijvoorbeeld het hypotheekobject wordt omschreven, of het maximumbedrag waarvoor het hypotheekobject kan worden uitgewonnen wordt genoemd. De heersende leer op dit punt is echter dat óók om te bepalen voor welke vorderingen een hypotheekrecht is gevestigd, gebruik gemaakt dient te worden van de objectieve maatstaf.20