V-N 2017/61.14
Hoge huur van pand dat bij verkoop van onderneming achterblijft, bevat belaste goodwillcomponent
HR 08-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3075, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 december 2017
- Magistraten
Overgaauw, Punt, Van Loon, Van Kalmthout, Van Hilten
- Zaaknummer
16/04243
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS24488:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑12‑2017
ECLI:NL:HR:2017:3075, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑12‑2017
- Wetingang
art. 3.25 Wet IB 2001; art. 8 lid 1 Wet VPB 1969
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat het niet uitmaakt dat A bv en E bv bij het sluiten van het samenstel van de overeenkomsten als van elkaar onafhankelijke partijen hebben gehandeld. Door het hof is slechts de samengestelde zakelijkheid van de overeengekomen prestaties beoordeeld.
Samenvatting
Belanghebbende, X bv, is moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de Wet VPB 1969 met A bv als dochtermaatschappij. Aandeelhouders van X bv zijn C en D, ieder voor 50%. Het pand waarin de onderneming van A bv wordt geëxploiteerd, is eigendom van C en D. Het pand verhuren zij aan A bv voor ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.