Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/11.2
11.2 De conclusies wat betreft het fiscale krachtenveld rondom de winstbelasting in beide landen (hoofdstuk 2)
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399480:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin de staatssecretaris die aangeeft dat het belastingstelsel als gevolg van maatschappelijke veranderingen, politieke wensen, internationale verplichtingen en de soms bestaande noodzaak om (budgettair) in te grijpen steeds complexer en ondoorzichtiger is geworden. Brief staatssecretaris, 23 februari 2018, Fiscale beleidsagenda, kenmerk 2018-0000027221, V-N 2018/14.1.
Dat neemt niet weg dat er zowel in Nederland als in Duitsland in de loop der jaren zowel de nodige IT- als personeelsproblemen zijn geweest. Zie hierover ook hoofdstuk 2.10.1 en A.C. Breuer/A.J.A. Stevens, Fiscale ontwikkelingen in Duitsland, WFR 2016/3, paragraaf 7.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 18 februari 2018, onderzoek rulings met een internationaal karakter, kenmerk 2018-0000024590.
In gelijke zin H. Vording, Waarom was rente ook al weer aftrekbaar, NTFR 2011/1960. Hij merkt op dat fiscale wetgeving padafhankelijk is en dat de opties van nu voornamelijk bepaald worden door keuzen uit het verleden. Hij geeft aan dat de belangrijkste verklaring voor onze fiscale regels daarmee is dat we ze nu eenmaal hebben; bestaande maatschappelijke belangen hebben zich naar die regels gevoegd en ze waar nodig wat aangepast.
In hoofdstuk 2 heb ik onderzocht hoe het fiscale krachtenveld rondom de winstbelasting in beide landen eruit ziet. Bestaande rechtsregels zijn zowel in Duitsland als in Nederland ingebed in een ruimer geheel en een Duitse rechtsregel kan niet zonder meer (door alleen naar de afzonderlijke regeling te kijken) worden geïmplementeerd in Nederland. Het belastingstelsel is onderhevig aan een beleidsmatig, (begrotings)politiek, juridisch, economisch, maatschappelijk, uitvoeringstechnisch, internationaal en Europees krachtenveld.1
Uit hoofdstuk 2 is gebleken dat Nederland en Duitsland wat betreft het fiscale krachtenveld rondom de winstbelasting veel overeenkomsten kennen, maar ook diverse verschillen. Samenvattend, heb ik de volgende punten geconstateerd.
Demografisch, staatsrechtelijk en bestuurlijk wijkt Nederland enigszins af van Duitsland. Fiscaal gezien uit zich dat bijvoorbeeld in het feit dat in Duitsland naast de bond ook de deelstaten en gemeenten relatief veel (fiscale) macht hebben in vergelijking met de provincies en gemeenten in Nederland (hoofdstuk 2.2).
Duitsland en Nederland zijn voor elkaar belangrijke handelspartners. Hoewel de Nederlandse economie sterk afhankelijk is van de Duitse economie is er wel een duidelijk verschil ten aanzien van de benadering van de binnenlandse en buitenlandse markt. Nederland heeft traditioneel gezien een grotere internationale focus vanwege onder andere de kleinere binnenlandse (afzet)markt. Hieruit heb ik afgeleid dat er in Nederland meer aandacht is voor het hebben en houden van een fiscaal aantrekkelijk vestigingsklimaat. In Duitsland is deze focus veel minder aanwezig en nemen traditioneel gezien binnenlandse familiebedrijven en personenvennootschappen een belangrijke plaats in. In beide landen is er in de fiscale wetgeving rekening gehouden met de economische dimensie van het belastingrecht, wat onder meer blijkt uit het leerstuk van de deelnemingsvrijstelling, fiscale eenheid en fusie- en splitsingfaciliteiten (hoofdstuk 2.3).
In beide landen is een gelijke trend zichtbaar ten aanzien van de maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de winstbelasting van lichamen. De laatste jaren is er in beide landen meer aandacht voor corporate governance, belastingontwijking en belastingontduiking en het bijdragen van een fair share aan de maatschappij, al dan niet om reputatieschade te voorkomen (hoofdstuk 2.4).
Wat betreft culturele verschillen wordt Nederland vaker gezien als flexibeler en pragmatischer in vergelijking met Duitsland (hoofdstuk 2.5).
Politiek gezien kennen zowel Nederland als Duitsland over het algemeen een stabiele situatie. Politieke partijen en belangengroeperingen hebben in beide landen een belangrijke invloed bij de totstandkoming van fiscale wetgeving (hoofdstuk 2.6).
In de afgelopen decennia is de invloed van het Europese recht en internationale fiscale ontwikkelingen op het nationale recht in Nederland en Duitsland groter geworden. Beide landen moeten de Europese Antibelastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) implementeren in wetgeving, al zal dat Duitsland waarschijnlijk minder moeite kosten. Het lijkt er namelijk op dat Duitsland een grotere stempel heeft kunnen drukken op deze Europese regelgeving, aangezien veel regels uit de richtlijn in Duitsland reeds van toepassing zijn. Ook moeten Nederland en Duitsland er rekening mee houden dat mogelijk in de toekomst de C(C)CTB zal worden geïmplementeerd. Het politieke beleid van Nederland ten aanzien van Europees recht en internationale fiscale ontwikkelingen wijkt mijns inziens enigszins af van het Duitse beleid, in die zin dat Nederland wat terughoudender reageert wat harmonisatie betreft. Aan de andere kant lijkt Duitsland minder voortvarend te reageren als het gaat om (voor de Duitse schatkist negatieve) beslissingen van het Europese Hof van Justitie (hoofdstuk 2.7 en 2.8).
Fiscale wetten komen in beide landen democratisch tot stand, waarbij de nodige kwaliteitseisen worden gesteld aan de wetgeving. In tegenstelling tot de Nederlandse situatie bestaat er in Duitsland wel de mogelijkheid om rechterlijk te toetsen aan de Grondwet en aan algemene rechtsbeginselen. In Nederland kan wel getoetst worden aan in verdragen vastgelegde internationale rechtsbeginselen. Mijns inziens blijkt uit de tot op heden gewezen Nederlandse jurisprudentie over toetsing aan art. 14 EVRM en art. 26 IVBPR dat de Hoge Raad hierin echter terughoudend is (hoofdstuk 2.9).
Zowel Nederland als Duitsland is over het algemeen gezegend met een competente en betrouwbare fiscale uitvoeringsinstantie.2 Wat betreft de uitvoering van fiscale wetgeving constateer ik dat de Nederlandse Belastingdienst over het algemeen informeler, toegankelijker en pragmatischer is dan de Duitse Finanzverwaltung. Dit uit zich onder andere in het Nederlandse horizontaal toezicht traject in vergelijking met de zeitnahe Betriebsprüfung in Duitsland, in het verschil in mogelijkheden voor vooroverleg en het rulingbeleid. De in hoofdstuk 2.4.2 en 2.8 geschetste ontwikkelingen omtrent de discussie over (internationale) belastingontwijking en politieke EU-druk hebben mijns inziens wel geleid tot een aankondiging van de staatssecretaris dat het rulingbeleid wordt hervormd.3 Al met al is er mijns inziens in de laatste jaren een verharding te constateren in de relatie tussen de Nederlandse belastingplichtige (en de adviseur) met de Nederlandse Belastingdienst (hoofdstuk 2.10).
Zowel in Nederland als Duitsland hebben andere rechtsgebieden, zoals het civiele recht, invloed op het fiscale recht (hoofdstuk 2.11).
Uit het onderzochte in hoofdstuk 2 kunnen mijns inziens de volgende conclusies worden getrokken. Ten eerste geven mijn bevindingen (deels) een verklaring waarom de bestaande rechtsregels in de winstbelasting van lichamen in Nederland en Duitsland zijn zoals ze zijn.4 Ten tweede kan mijns inziens geconcludeerd worden dat Nederland en Duitsland veel met dezelfde factoren te maken hebben die de winstbelasting van lichamen kunnen beïnvloeden. Mijns inziens zijn deze verschillen niet van dien aard dat op voorhand geconcludeerd kan worden dat een Duitse rechtsregel niet zou passen binnen het bestaande Nederlandse rechtsstelsel (vergelijk de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader). Ten derde is mijns inziens uit dit hoofdstuk duidelijk geworden dat een aantal factoren extra aandacht verdient. Zo is gebleken dat het internationale en Europese recht een belangrijke invloed hebben (gehad) op de nationale wetgeving in beide landen. Dit aspect is in mijn onderzoek naar voren gekomen door de rechtsregels te toetsen aan internationaal- en Europees recht (onderdeel van de fiscaal-juridische toets) en daarnaast aan de internationale/ Europese ontwikkelingentoets (de discussie over fair share, het fiscale vestigingsklimaat en mogelijke invoering van een C(C)CTB). Verder is het mijns inziens opvallend dat in Duitsland expliciet door het Bundesverfassungsgericht aan de grondwet en algemene rechtsbeginselen getoetst kan worden. Dit punt komt ook nadrukkelijk in de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader naar voren. Daarnaast bleek uit dit hoofdstuk dat het interessant is om te onderzoeken hoe een rechtsregel in Nederland en Duitsland – gegeven de ratio – is vormgegeven en wordt uitgevoerd en gehandhaafd. In de uitvoeringssfeer (Belastingdienst versus Finanzverwaltung) heb ik namelijk de nodige verschillen tussen Duitsland en Nederland geconstateerd. Dit punt komt in mijn onderzoek nadrukkelijk terug in de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader.