Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.8.1
3.5.8.1 Absolute bevoegdheid, subsectorcompetentie, bijzondere rechtsgangen en relatieve bevoegdheid / Afwijkende bedingen (prorogatie, sprongcassatie, arbitrage, bindend advies en forumkeuze) en gekozen woonplaats
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585914:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover nader Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 84.
Zie daarover Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 113 met verdere literatuur- en rechtspraakverwijzingen. Zie ook Verkijk 2009.
Hiervan moet worden onderscheiden procedures waarvoor de hoedanigheid van schuldeiser vereist is, zoals het leggen van conservatoir en executoriaal beslag (art. 430 e.v. en 700 e.v. Rv); het indienen van een faillissementsaanvraag (art. 1 Fw); en het indienen van een verzoek tot benoeming van een vereffenaar van de nalatenschap (art. 4:204 BW). Zie hieronder. Tot het verzoeken van een enquêteprocedure zijn alleen de leden van een vereniging of de houders van aandelen of certificaten van aandelen bevoegd (art. 2:346 sub a en b BW). Zie HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, m.nt. Ma.
Zie hierover nader Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 86.
Dat zijn zaken met betrekking tot een overeenkomst aangegaan tussen een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf betreffen, zoals consumentenkoop (art. 7:5 lid 1 BW).
Indien het algemene voorwaarden betreft, kunnen de bedingen vernietigbaar zijn op grond van art. 6:233 sub a jo 6:236 of 6:237 BW. Zie voor bedingen inzake de relatieve of absolute competentie en arbitrage: art. 6:236 aanhef en sub n BW; en voor de keuze van woonplaats: art. 6:236 aanhef en sub m BW.
Vgl. P. Scholten in zijn noot onder HR 2 november 1933, NJ 1934, p. 302-304.
Zie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 30 september 2008, LJN: BF3937.
Vgl. over het internationaal forumkeuzebeding, HR 17 december 1993, NJ 1994, 348; en HR 17 december 1993, NJ 1994, 350, m.nt. JCS.
Zie Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 80, 87 en 160. Een dergelijk beding heeft dezelfde strekking als een arbitragebeding. Door verschillende schrijvers wordt het aanhangig maken van een bindend-adviesprocedure bijvoorbeeld beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3 Rv. Zie Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering 2005 (A.I.M. van Mierlo), art. 700, aant. 7; Stein/Rueb 2009, par. 18.5; en Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 438, met verdere literatuurverwijzingen. Vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w, p. 310-311.
156. Het is de vraag of de stille cessie gevolgen heeft voor de bevoegdheid van de rechter en de toepasselijkheid van een bijzondere rechtsgang. De rechtbank is in eerste aanleg absoluut bevoegd (art. 42 RO). De sector kanton van de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van alle dagvaardingszaken met een financieel belang van hoogstens EUR 5.000,- en een aantal zaken van bijzondere aard, zoals arbeids- en huur(koop)zaken (art. 93 Rv) ('subsectorcompetentie').1 Het hof is bevoegd kennis te nemen van het appel (hoger beroep) tegen de vonnissen van rechtbanken (met inbegrip van kantonrechters) die binnen zijn ressort gevestigd zijn (art. 60 RO). De Hoge Raad neemt als cassatierechter kennis van alle cassatieberoepen tegen non-appellabele uitspraken van lagere rechters wegens verzuim van vormen of schending van het recht (art. 78-81 RO en art. 398 Rv).
Voor bepaalde soorten schuldeisers is in de wet een bijzondere rechtsgang gegeven. Bijvoorbeeld, op het innen van belastingvorderingen door de Ontvanger is de Invorderingswet van toepassing; het slachtoffer van een misdrijf kan zijn schadevergoedingvordering als benadeelde partij in een strafprocedure indienen (art. 51a-51f, 332-335 en 361 Sv); en de advocaat kan betaling van zijn advocatendeclaratie vorderen in een bijzondere procedure (art. 32-40 WTBZ).2 Deze bijzondere rechtsgangen zijn gekoppeld aan de persoon van de schuldeiser.3
In dagvaardingszaken is de rechter van de woonplaats van de gedaagde (de schuldenaar) de relatief bevoegde rechter, of bij gebreke van een bekende woonplaats, de rechter van zijn werkelijk verblijf (art. 2 en 99 lid 1 en 2 Rv).4Art. 100 e.v. Rv bevatten een aantal uitzonderingen op deze regel, die veelal aanknopen bij een 'vaste' plaats (zoals die waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan, art. 102 Rv, of de laatste woonplaats van de overledene, art. 104 Rv). De rechtbank van de woonplaats van een consument is mede bevoegd kennis te nemen van 'consumentzaken' (art. 101 Rv).5 Als art. 99 t/m 108 Rv geen bevoegde rechter aanwijzen, is de rechter van de woonplaats van de eiser bevoegd (art. 109 Rv).
157. Het is voorts de vraag of de stille cedent zich jegens de schuldenaar op procesrechtelijke bedingen kan beroepen en of hij een dergelijke bedingen kan overeenkomen met de schuldenaar.
Partijen kunnen ten aanzien van de procedure afwijkende bedingen overeenkomen.6 Dergelijke bedingen en overeenkomsten bepalen nader de inhoud van de vordering.7
In alle voor hoger beroep bij het hof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling aan partijen staan, kunnen zij overeenkomen de geschillen bij aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het hof dat in hoger beroep bevoegd zou zijn ('prorogatie', zie art. 62 RO en art. 329-331 Rv). Voorts kunnen zij overeenkomen dat sprongcassatie wordt ingesteld (art. 398 aanhef en sub 2 Rv, vgl. art. 78 lid 5 RO). Voor partijen is het voorts mogelijk om een andere relatief bevoegde rechter overeen te komen8 of een andere bevoegde rechter dan de Nederlandse rechter aan te wijzen (een forumkeuzebeding of forumclausule, vgl. art. 108 Rv en art. 8 Rv).9
Partijen kunnen ook een andere rechtsgang overeenkomen. Zij kunnen een arbitragebeding overeenkomen Het geschil tussen partijen dient dan te worden voorgelegd aan arbiters (art. 1020 lid 1 jo 1022 lid1 Rv). Een arbitrageovereenkomst is zowel het compromis waarbij de partijen zich verbinden om een tussen hen bestaand geschil aan arbitrage te onderwerpen, als het arbitraal beding waarbij de partijen zich verbinden om geschillen die tussen hen zouden kunnen ontstaan aan arbitrage te onderwerpen (art. 1020 lid 2 Rv). Partijen kunnen voorts overeenkomen bindend advies te vragen (art. 7:900 lid 1 en 2 BW). Zijn partijen bindend advies overeengekomen, dan verklaart de rechter zich niet onbevoegd, zoals bij een arbitragebeding, maar verklaart hij de eisende partij niet-ontvankelijk.10