Rov. 2.1 van de beschikking van het hof Amsterdam.
HR, 03-12-2010, nr. 09/04792
ECLI:NL:HR:2010:BO0184
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
03-12-2010
- Zaaknummer
09/04792
- Conclusie
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BO0184
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BO0184, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑12‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO0184
ECLI:NL:PHR:2010:BO0184, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑10‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BO0184
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑12‑2010
Inhoudsindicatie
Familierecht. Geschil tussen voormalig echtelieden over gebruik van de echtelijke woning na inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. (Art. 81 RO).
3 december 2010
Eerste Kamer
09/04792
DV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.B. Baumgarten,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. E.C.M. Hurkens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 362602/FA RK 07-900 van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2008,
b. de beschikking in de zaak 200.015.370/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 1 september 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft op 22 oktober 2010 schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 december 2010.
Conclusie 08‑10‑2010
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Partij(en)
Conclusie inzake:
[De vrouw]
tegen
[De man]
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1
Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2008 is tussen verzoekster tot cassatie, de vrouw, en verweerder in cassatie, de man, de echtscheiding uitgesproken1., welke beschikking op 31 december 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand2..
1.2
Bij beschikking van 9 juli 2008 heeft de rechtbank Amsterdam — voor zover thans van belang — het door de vrouw bij verweerschrift ingediende zelfstandige verzoek om te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, afgewezen en het door de man bij verweerschrift nevenvoorzieningen ingediende zelfstandige verzoek om te bepalen dat hij met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurder zal zijn van de echtelijke woning, uitvoerbaar bij voorraad toegewezen.
1.3
Op het door de vrouw ingestelde beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 1 september 2009 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De vrouw heeft tijdig3. beroep in cassatie ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
Middel 1 komt op tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.2 dat de vrouw haar belang bij het voortgezet gebruik van de woning niet voldoende heeft aangetoond, mede gelet op de omstandigheid dat de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking door het lopende cassatieberoep nog enige tijd op zich zal laten wachten en de vrouw derhalve ruim de tijd heeft een woning te zoeken4..
1.5
Nu de echtscheidingsbeschikking op 31 december 2009 is ingeschreven, is de termijn die de vrouw heeft verzocht voor voortgezet gebruik van de woning met uitsluiting van de man, te weten: zes maanden met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, verstreken. Daarmee komt het belang aan middel 1 te ontvallen5..
1.6
Middel 2 klaagt dat de beslissing van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd nu het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende kenbaar, heeft beslist op dat deel van het hoger beroep dat was gericht op ongedaanmaking van de toewijzing van het huurderschap van de man.
1.7
De vrouw heeft het hof in het petitum van haar beroepschrift verzocht:
‘(…) de aangevallen beschikking van de rechtbank Amsterdam te vernietigen en te bepalen, dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding huurder zal zijn van de bedoelde echtelijke woning en/of te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, kosten rechtens.’
1.8
Bij pleidooi heeft de advocaat van de vrouw over de reikwijdte van het verzoek van de vrouw in hoger beroep aanvankelijk het volgende gesteld6.:
‘Ik hoor u vragen of ik thans alleen het voortgezet gebruik van de echtelijke woning vraag. In eerste aanleg heb ik niet meer gevraagd, ik heb het verzoek in hoger beroep niet vermeerderd. Na cassatie zal de echtscheidingsbeschikking onmiddellijk worden ingeschreven. Ik hoor u zeggen dat ik in hoger beroep wel heb verzocht het huurrecht aan de vrouw toe te wijzen. Ik blijf bij het verzoek zoals in het appelschrift.’
Daarvan is de advocaat tijdens de zitting ter gelegenheid van het pleidooi evenwel als volgt teruggekomen7.:
‘Ik wijzig toch mijn verzoek in hoger beroep, ik verzoek thans nog slechts het voortgezet gebruik van de echtelijke woning van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.’
1.9
Tegen deze achtergrond acht ik de uitleg door het hof van het verzoek in appel van de vrouw — dat thans slechts nog het verzoek strekkende tot het gebruik van de voormalig echtelijke woning tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voorligt — welke uitleg in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst8., geenszins onbegrijpelijk. Voor zover middel 2 nog de zelfstandige klacht bevat dat het hof ten onrechte aan een eventueel gebrek aan belang van de vrouw bij voortgezet gebruik de consequentie verbonden heeft dat het huurderschap aan de man moest worden toebedeeld, faalt die klacht door gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft een dergelijke redenering niet gevolgd.
1.10
Nu beide middelen falen, dient het cassatieberoep te worden verworpen. Dit kan m.i. met toepassing van art. 81 RO.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑10‑2010
Prod. 1 bij verweerschrift in cassatie.
Het verzoekschrift tot cassatie is op 26 november 2009 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
Inmiddels is door de Hoge Raad op het cassatieberoep beslist bij beschikking van 11 december 2009, LJN BK0869; zie prod. 4 bij verweerschrift in cassatie.
Anders dan in het verweerschrift onder 3.1 wordt betoogd brengt dit niet mee dat de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk is in haar beroep, maar leidt dit tot verwerping van het beroep (vgl. HR 9 juli 2010, LJN BM2337).
P-v. 11 juni 2009, p. 2.
P-v. 11 juni 2009, p. 2.
Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 103 en 169; W.D.H. Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 49.