Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.3.3
2.3.3 De samenhang tussen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS304354:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
F.H.M. Grapperhaus, De besloten NV fiscaal vergeleken met de persoonlijke ondernemer en met de open NV (diss. KUB), Amsterdam: N.V. Uitgeverij Fed 1966, p. 85.
De Cursus Belastingrecht constateert verder dat er belangrijke verschillen tussen het winstregime en het aanmerkelijkbelangregime blijven bestaan, bijvoorbeeld ten aanzien van de opbouw van een oudedagsvoorziening, de toepassing van ondernemersfaciliteiten en de mogelijkheden van doorschuiving van belastingclaims. N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), 0.0.1.e1. Zie over de verschillen tussen de ondernemer die onderworpen is aan inkomstenbelasting, en de aanmerkelijkbelanghouder die zijn onderneming in een BV drijft ook: R.Cornelisse, De toekomst van de vennootschapsbelasting (oratie UvA) , Amsterdam: Vossiuspers UvA 2001, p. 13.
Vergelijk J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Deventer: Kluwer 2000, p. 7 (tweede geheel herziene druk). Zie ook de Cursus Belastingrecht: ‘Voor de invoering van het nieuwe aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 werd met name door besloten vennootschappen veelal geen of weinig dividend uitgekeerd (...). Op deze wijze kon de I.B.-heffing eindeloos worden uitgesteld. (...) het daardoor veroorzaakte directe tariefsnadeel van de Vpb (35%) was aanzienlijk kleiner dan het directe tariefsvoordeel van de IB (marginaal 60%) over dergelijke (gemaximaliseerde) ingehouden winst, welk voordeel, zijnde maximaal 25%, zelfs bij benadering niet werd gecompenseerd door de toekomstige (latente) IB op deze ooit uit te delen winst.’ N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), 0.0.1.e1. Ook Grapperhaus erkende in 1985 dat het globale evenwicht niet bestond. F.H.M. Grapperhaus, ‘De ondernemingsbelasting opnieuw van stal gehaald’, in: Leids fiscaal jaarboek 1985, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 33.
Vergelijk Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nr. 208, Inkomstenbelasting over vermogensmutaties, tekst en bespreking van het rapport van de commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties, Deventer: Kluwer 1998, p. 107.
Kamerstukken II 1987/88 19 968, nr. 7 (MvA), p. 4.
D. Juch, De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting (diss. KUB), Deventer: Fed 1974, p. 13.
J.A.G. van der Geld, De deelnemingsvrijstelling, FM nr. 20, Deventer: Kluwer 2008, p. 68 (tweede herziene druk).
E. Aardema, ‘De deelnemingsvrijstelling in nationaal perspectief’, in: Belastingbeschouwingen (Christiaanse-bundel), Deventer: Kluwer 1989, p. 185.
J.H. Christiaanse, Deelnemingsvrijstelling in het besluit op de vennootschapsbelasting 1942 en het ontwerp van de wet op de vennootschapsbelasting 1960, FM nr. 20, Deventer: Kluwer 1962, p. 92. Zie ook J.H Christiaanse, ‘Internationale aspecten van belastingheffing van multinationale ondernemingen in Nederland’, in: Van Dijckbundel, Deventer: Fed 1988, p. 71/72.
N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting) 2.4.0.B.-19.
N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting) 2.4.0.B.-19.
D. Juch, De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting (diss. KUB), Deventer: Fed 1974, p. 13.
Kamerstukken II 1987/88 19 968, nr. 7 (MvA), p. 4.
HR 11 april 2001, nr. 35 729, BNB 2001/257c*.
HR 22 november 2002, nr. 36 272, BNB 2003/34c*.
Zie het Falcon-arrest HR 22 november 2002, nr. 36 272, BNB 2003/34c*.
Dat is thans slechts het geval ten aanzien van de rente op bepaalde hybride schuldvorderingen en sommige laagrentende geldleningen met een looptijd van meer dan 10 jaar (Zie Brief Staatssecretaris van Financiën van 14 juni 2007, nr. BCPP2007-00826, V-N 2007/30.13).
Tegenover de idee van de vennootschap als zelfstandig subject staat de notie van de vennootschap als verlengstuk van haar aandeelhouders. In deze gedachtegang wordt de vennootschapsbelasting over de winst van de vennootschap in samenhang bezien met de inkomstenbelasting over de uitgedeelde winst. De vennootschapsbelasting heeft dan een aanvullende functie ten opzichte van de inkomstenbelasting. Zij voorkomt dat de winst na inbreng van de onderneming in een vennootschap vooralsnog onbelast blijft. De gecombineerde belastingdruk over de uitgedeelde winst zal afgestemd moeten worden op de inkomstenbelasting die de natuurlijk persoon-ondernemer verschuldigd is over zijn winst uit onderneming. Deze theorie staat ook wel bekend als de leer van het globale evenwicht.
Grapperhaus verdedigt in zijn dissertatie dat aan de belastingheffing van natuurlijke personen en rechtspersonen ten grondslag ligt het streven van de fiscale wetgever naar een globaal evenwicht in de belastingheffing van deze beide sectoren van het bedrijfsleven. Dit globale evenwicht is naar zijn mening het logische gevolg van de neutrale houding die de fiscale overheid hoort aan te nemen ten opzichte van de rechtsvorm waarin de onderneming wordt gedreven.1
Vennootschappen met aandeelhouders die beschikken over een controlerend belang kunnen niet los worden gezien van deze aandeelhouders. De zelfstandigheidsgedachte kan in deze gevallen niet dienen als rechtsgrond van de vennootschapsbelasting. De situatie waarin een vennootschap functioneert met controlerende aandeelhouders, is zozeer vergelijkbaar met het geval waarin deze aandeelhouders de onderneming zelf zouden uitoefenen, dat de belastingdruk zo veel mogelijk gelijk moet zijn. De vennootschapsbelasting heeft in dit geval een aanvullende functie ten opzichte van de inkomstenbelasting en wordt geheven om te vermijden dat de belastingheffing door winstoppotting eindeloos kan worden uitgesteld.
Op 1 januari 2001 benaderde de gecombineerde nominale druk van de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting bij aanmerkelijkbelanghouders het hoogste inkomstenbelastingtarief, wat toch op zijn minst een globaal evenwicht suggereerde. Hierbij passen twee kanttekeningen. Er was geen volledige gelijkheid bereikt tussen de natuurlijk persoon-ondernemer en de aanmerkelijkbelanghouder, onder meer omdat de aanmerkelijkbelanghouder de heffing van inkomstenbelasting nog steeds kon uitstellen door zijn vennootschap geen dividend uit te laten keren en geen aandelen te vervreemden.2 Voorts kon de vennootschapsbelasting in 2001 weliswaar ten aanzien van aanmerkelijkbelanghouders worden verklaard met een beroep op de leer van het globale evenwicht, maar dat was niet het gevolg van een wijziging van de vennootschapsbelasting, maar van de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 en de introductie van de Wet IB 2001. Voor 2001 was van een globaal evenwicht geen sprake.3 Nadien is het tarief van de vennootschapsbelasting in stappen verlaagd van 35% naar thans 25,5%, zodat ook thans wat betreft de gecombineerde belastingdruk geen sprake is van gelijkheid tussen de natuurlijk persoon-ondernemer en de aanmerkelijkbelanghouder.
Moeilijker is het om een verklaring voor de vennootschapsbelasting te vinden ten aanzien van vennootschappen waarin de aandeelhouders geen controlerend belang hebben. Deze open vennootschappen zijn onmiskenbaar verzelfstandigd ten opzichte van de aandeelhouders. De open vennootschap is vooral uit op de eigen instandhouding en groei, terwijl haar aandeelhouders de aandelen in de vennootschap vooral als bron van inkomen zien en zich minder zullen bekommeren om de vennootschapsbelasting die van de vennootschap wordt geheven.
Toch kan ook voor de open vennootschappen de vennootschapsbelasting naar mijn mening alleen haar verklaring vinden in de samenhang met de inkomstenbelasting. Hoe verzelfstandigd de open vennootschap ook is, uiteindelijk zal zij haar winst, voor zover niet nodig voor eigen instandhouding en groei, uitkeren aan haar aandeelhouders. Het is moeilijk voorstelbaar dat een vennootschap om andere redenen dan instandhouding en groei, winst voor zichzelf behoudt: een vennootschap kan immers niet consumeren. De vennootschap is een fictie; het zijn de personen die achter de vennootschap staan, de aandeelhouders en de werknemers, die baat hebben bij het resultaat dat de vennootschap behaalt. Daarom dient bij de heffing van inkomstenbelasting over dividend en koerswinst op aandelen rekening te worden gehouden met de belasting die over de winst van de vennootschap is geheven. Om dat resultaat te bereiken, zouden ook aandeelhouders in een open vennootschap, en niet alleen de aandeelhouders met een belang van 5% of meer, onder het aanmerkelijkbelangregime gebracht kunnen worden. Dividend en vervreemdingswinst op aandelen zouden dan belast moeten worden naar een tarief van 35% om ervoor te zorgen dat de gecombineerde druk van de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting ongeveer gelijk is aan het toptarief van de inkomstenbelasting (52%).4
De keuze om aandeelhouders te belasten voor hun werkelijk genoten inkomen, ongeacht of het inkomen bestaat uit regulier dividend of behaalde koerswinst, moet naar mijn mening verder gevolgen hebben voor de fiscale behandeling van de overige beleggingen, zoals schuldvorderingen en onroerende zaken. Zij kunnen verhuizen van box 3 naar box 1, waar zowel de reguliere inkomsten, de rente en de huur en dergelijke, als de behaalde koerswinst op deze beleggingen naar het tabeltarief belast kunnen worden. Box 3 kan dan worden opgeheven. Hiermee wordt dan tevens de onrechtvaardigheid weggenomen dat inkomen uit deze overige beleggingen lager wordt belast dan bijvoorbeeld inkomen uit arbeid.
Het onderscheid dat in de vennootschapsbelasting wordt gemaakt tussen dividend en rente is, naar het mij voorkomt, niet per se in strijd met de leer van het globale evenwicht. Is het dividend bij de uitkerende vennootschap niet aftrekbaar dan kan daarmee immers rekening worden gehouden in de inkomstenbelasting. De gecombineerde druk van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting over het dividend kan dan gelijk zijn aan de druk van de inkomstenbelasting over de rente.
Voor de vennootschapsbelasting vloeit, naar het mij voorkomt, uit de leer van het globale evenwicht voort dat dezelfde winst niet tweemaal in de heffing mag worden betrokken (het ne bis in idem-beginsel). Over de vraag of de deelnemingsvrijstelling thans is gefundeerd op het ne bis in idem-beginsel dan wel op de verlengstukgedachte, verschillen de meningen.
De staatssecretaris is van mening dat de deelnemingsvrijstelling is gebaseerd op de verlengstukgedachte: ‘Bij het bezien van de wetshistorie en de literatuur inzake de rechtsgrond voor de deelnemingsvrijstelling is steeds sprake van een zeker evenwicht tussen twee tegenstrijdige uitgangspunten, te weten het uitgangspunt dat ieder in de wet aangewezen lichaam als zelfstandige entiteit in de heffing moet worden betrokken en het uitgangspunt dat dezelfde winst niet twee maal in de heffing mag worden betrokken. Deze spanning zit in de grondslagen van de vennootschapsbelasting. Het resultaat in de deelnemingsvrijstelling wordt in de literatuur wel aangeduid als de verlengstukgedachte. Het gaat er niet om elders belaste winst in alle omstandigheden vrij te stellen, maar om elders belaste “eigen winst”, of wel winst uit een bezit dat in lijn ligt van de normale uitoefening van de door de belastingplichtig gedreven onderneming.’5 Ook Juch,6Van der Geld7 en Aardema8 aanvaarden de verlengstukgedachte als grondslag voor de deelnemingsvrijstelling in binnenlandse verhoudingen.
Christiaanse is daarentegen van mening dat het ne bis in idem-beginsel ten grondslag ligt aan de deelnemingsvrijstelling: ‘Het gaat erom, dat een stuk behaalde winst niet ten gevolge van het feit, dat deze winst via verschillende zelfstandige lichamen vloeit, meer dan eenmaal met belasting wordt getroffen.’9. De Cursus Belastingrecht schaart zich achter Christiaanse en accepteert de ne bis in idem-gedachte als grondslag van de deelnemingsvrijstelling. Daarvoor is doorslaggevend dat de verlengstukgedachte buiten het kader van de deelnemingsvrijstelling weinig overtuigingskracht heeft, een stelling die onder meer wordt verdedigd door erop te wijzen dat met de verlengstukgedachte niet verenigbaar is ‘dat binnen de sfeer van de deelnemingsvrijstelling transacties tussen de moeder en haar dochter(s) “at arm’s length” moeten worden afgerekend in alle gevallen waarin de verhandelde goederen en diensten (nog) niet aan derden zijn doorgeleverd.’10 De Cursus Belastingrecht verbindt daaraan de conclusie dat de verlengstukgedachte niet de grondslag kan zijn van de deelnemingsvrijstelling: ‘Naar onze mening behelst de verlengstukgedachte een wijze van performatief denken over de deelnemingsvrijstelling, aangezien de verlengstukgedachte slechts wordt gehanteerd binnen het verklaringskader van het resultaat waartoe de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voert (het niet dubbel treffen eenzelfde winstbestanddeel).’11
De opvatting dat de deelnemingsvrijstelling thans reeds is gebaseerd op de ne bis in idem-gedachte is naar mijn mening terecht door Juch bekritiseerd: ‘Naar mijn mening kunnen problemen ontstaan indien men stelt dat het ne bis in idem-beginsel aan de deelnemingsvrijstelling ten grondslag ligt, omdat zodoende onverklaarbaar is de uitdrukkelijke wens van de wetgever om geen “deelnemingsvrijstelling” te geven voor dividenden op aandelen, welke een belegging voor de houdstermaatschappij vormen.’12
Is de deelnemingsvrijstelling thans in binnenlandse verhoudingen naar mijn mening niet gebaseerd op het ne bis in idem-beginsel, in internationale verhoudingen is dit beginsel naast de verlengstukgedachte een aanvullende rechtsgrond. Ten aanzien van het aandelenbezit in vennootschap die in het buitenland is gevestigd (‘buitenlandse vennootschap’) functioneert de deelnemingsvrijstelling namelijk tevens als eenzijdige maatregel ter voorkoming van dubbele belasting.13
Naar het mij voorkomt, heeft de Hoge Raad de opvatting dat de deelnemingsvrijstelling thans in binnenlandse verhoudingen is gebaseerd op de verlengstuk-gedachte, in BNB 2001/257c* met zoveel woorden onderschreven: ‘Voorzover artikel 13, lid 1, van de Wet bepaalt dat bij het bepalen van de winst voordelen uit hoofde van een deelneming buiten aanmerking blijven, is de strekking daarvan dat ter zake van de door de dochtervennootschap gegenereerde winst niet tweemaal vennootschapsbelasting wordt geheven, eerst bij de dochtervennootschap over de door haar behaalde winst, en nadat die winst is uitgekeerd aan de moedervennootschap, bij de moedervennootschap over de aan haar uitgekeerde winst. In binnenlandse verhoudingen voorkomt de deelnemingsvrijstelling dubbele belasting in een en dezelfde staat, terwijl in het geval van een buitenlandse dochtervennootschap door de deelnemingsvrijstelling dubbele belasting, geheven door verschillende staten wordt voorkomen.
-3.4.2. In het eerste geval is de werking van de deelnemingsvrijstelling te vergelijken met een belastingheffing als ware de dochter met de moeder geconsolideerd (verlengstukgedachte).’14
BNB 2003/34c* voert mij niet tot een andere conclusie. Daarin overwoog de Hoge Raad: ‘De deelnemingsvrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken.’15 Deze formulering zou erop kunnen duiden dat de Hoge Raad het ne bis in idem in binnenlandse verhoudingen als rechtsgrond van de deelnemingsvrijstelling heeft geaccepteerd. Dan wordt naar mijn mening echter uit het oog verloren dat zij materieel gelijk is aan de eerste zin van het hierboven aangehaalde citaat uit BNB 2001/257c*, het arrest waarin de Hoge Raad de verlengstukgedachte omarmde.
De verlengstukgedachte is in art. 13 Wet VPB 1969 weerspiegeld in het 5%-criterium. Wordt de verlengstukgedachte als grondslag voor de deelnemingsvrijstelling verworpen, dan dient deze voorwaarde daarom te vervallen. De deelnemingsvrijstelling is dan van toepassing als de belastingplichtige een aandeel bezit. Daarnaast kan de vrijstelling evenals thans het geval is van toepassing zijn indien het belang bij een aandeel wordt opgesplitst, zoals door het schrijven van een optie op een aandeel.16 Verder hoort het ne bis in idem-beginsel mijns inziens evenzeer te gelden voor niet-aftrekbare rente. Is de rente bij de debiteur niet in aftrek gekomen, dan hoort zij bij de vennootschapsbelastingplichtige crediteur niet nogmaals te worden belast. Wordt de deelnemingsvrijstelling gefundeerd op het ne bis in idem-beginsel dan zou daarom ook een schuldvordering onder de actieradius van de deelnemingsvrijstelling moeten vallen ingeval de rente bij de debiteur niet in aftrek is gekomen voor de vennootschapsbelasting.17