NJB 2025/2770:Vordering benadeelde partij immateriële schade ingeval de aansprakelijke persoon het oogmerk had om zodanige schade toe te brengen, art. 6:106, aanhef en onder a, BW: onder het hier bedoelde ‘oogmerk’ moet worden verstaan de bedoeling om een ander immateriële schade toe te brengen. Daarvoor volstaat niet dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht. In casu heeft het hof overwogen dat bij de benadeelde partij redelijke vrees is ontstaan door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en ‘dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om nadeel, namelijk angst, toe te brengen’. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de gevorderde immateriële schade op grond van art. 6:106, aanhef en onder a, BW deels voor vergoeding in aanmerking komt, is niet toereikend gemotiveerd, nu uit de vaststellingen door het hof niet zonder meer volgt dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het toebrengen van immateriële schade.