Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.1:6.2.1 Gebondenheid aan een onjuiste etikettering
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/6.2.1
6.2.1 Gebondenheid aan een onjuiste etikettering
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS415709:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
H. Mobach en L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (inkomstenbelasting), 2.2.5.B, b.
Ik noem hier a t/m d. De door Langereis genoemde mogelijkheid e – de etikettering was juist, maar de belastingplichtige wenst daarop terug te komen – laat ik hier buiten beschouwing.
De mogelijkheden die er in dat geval voor foutenherstel zijn, worden besproken in hoofdstuk 11, paragraaf 11.3.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf is geconstateerd dat zich bij de etikettering van vermogensbestanddelen onjuistheden kunnen voordoen. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre partijen – belastingplichtige en belastingadministratie – aan een onjuiste etikettering zijn gebonden. Een gebondenheid van partijen aan een onjuiste etikettering zou inhouden dat deze onjuiste etikettering niet kan worden hersteld en ook voor toekomstige jaren moet worden gevolgd. Een onderzoek naar de toepassing van de foutenleer op deze onjuistheden kan dan achterwege blijven, omdat foutenherstel in dat geval immers niet mogelijk is.
Uit HR 26 augustus 1981, BNB 1981/260, volgt, dat ook indien de inspecteur in voorgaande jaren belanghebbendes aangiften, waarin een vermogensbestanddeel onjuist is geëtiketteerd, bewust heeft aanvaard en de onjuiste etikettering in het verleden gevolgen heeft gehad met betrekking tot de belastingheffing, dit niet met zich brengt dat deze is gehouden ook voor volgende jaren van deze onjuiste etikettering uit te gaan. Mobach/Sillevis1 concluderen naar aanleiding van dit arrest:
Noch de omstandigheid dat de inspecteur in voorgaande jaren bewust de verkeerde aangiften heeft gevolgd, noch het feit dat deze aangiften gevolgen hebben gehad voor de belastingheffing, behoeft de inspecteur derhalve te beletten tot correctie over te gaan. De conclusie is dus dat de inspecteur nimmer gebonden is aan een onjuiste vermogensetikettering in een voorgaand jaar.
Langereis (blz. 279) onderscheidt met het oog op de gebondenheid aan een onjuiste etikettering van een vermogensbestanddeel (activum) de volgende situaties2:
de belastingplichtige heeft een activum onjuist geëtiketteerd en de belastingadministratie heeft deze etikettering bij de aanslagregeling gevolgd;
de belastingplichtige heeft een activum onjuist geëtiketteerd en de belastingadministratie heeft deze etikettering uitdrukkelijk goedgekeurd;
de etikettering was destijds niet, maar is, bezien in het licht van latere jurisprudentie, thans wél onjuist;
het etiket was juist, maar latere feitelijke omstandigheden hebben het later onjuist gemaakt.
Ik deel de mening van Langereis dat partijen in latere jaren niet zijn gebonden aan de onjuiste etikettering van een vermogensbestanddeel in een eerder jaar. Sterker nog: om te voorkomen dat een onjuiste totaalwinst bij de belastingplichtige in aanmerking wordt genomen, zal een onjuiste etikettering moeten worden hersteld. Een onjuiste etikettering heeft echter wel consequenties voor de belastingheffing over een later jaar, indien de inspecteur deze onmiskenbaar heeft goedgekeurd (situatie onder b). Onder omstandigheden kan de inspecteur dan gehouden zijn ook in een later jaar uit te gaan van die onjuiste etikettering3.