Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.5.1
3.5.5.1 Algemeen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590637:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie M.v.T., Parl. Gesch. Herziening Rv., p. 395.
Zie M.v.T., Parl. Gesch. Herziening Rv., p. 395.
Zie HR 8 januari 1982, NJ 1982, 136; Hermans 1996, p. 238; en Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 105, met verdere verwijzingen. Vgl. art. 25 lid 2 Fw. Anders: T &C Burgerlijke Rechtsvordering 2008 (C.J.J. van Maanen), art. 225, aant. 1c.
Vgl. art. 254 Rv (oud). Zie ook art. 27 lid 1 Fw. Schorsing ex art. 225 Rv bij rechtsopvolging onder bijzondere titel is niet mogelijk in een onteigeningsprocedure. Zie HR 12 februari 2010, NJ 2010, 98, JIN 2010/867, m.nt. J.W.A. Biemans.
De bepaling is niet helder geredigeerd. Tussen de schorsingsgronden bestaat overlap. Ook volgt uit de bepaling niet of met het begrip partij de formele procespartij, de materiële procespartij of beide wordt bedoeld.
139. Als hangende instantie een verandering optreedt in de procesbevoegdheid van de formele procespartij, kan het geding worden geschorst teneinde de formele procespartij te laten vervangen (art. 225 lid 1 jo 227 Rv). Vindt geen schorsing plaats, dan wordt de procedure ongewijzigd voortgezet door de formele procespartijen die vanaf het begin van de procedure bij de procedure betrokken waren (art. 225 lid 2 tweede zin Rv). Het is de vraag wanneer bij de stille cessie van een dergelijke grond voor schorsing sprake is.
Schorsing is mogelijk vanaf het aanhangig worden van het geding totdat de dag is bepaald waarop het vonnis zal worden gewezen (art. 225 lid 4 Rv), dus tussen het moment dat de dagvaarding is uitgebracht (art. 125 lid 1 Rv) en het moment dat een datum voor het wijzen van vonnis is bepaald.1 Schorsing vindt plaats door betekening van de schorsingsgrond door de belanghebbenden aan de wederpartij (art. 225 lid 2 Rv), dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle.2 De bevoegdheid komt toe aan de partij aan wier zijde de oorzaak van de schorsing zich voordoet of aan haar opvolger.3
De gronden voor schorsing zijn geregeld in art. 225 Rv.4Art. 225 lid 1 Rv bepaalt dat een geding geschorst kan worden bij (a) de dood van een partij, (b) verandering van de persoonlijke staat van een partij en (c) het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel op een ander, hetzij door een andere oorzaak.5 Het doel van de bepaling is kort gezegd dat een verandering in de procesbevoegdheid van de formele procespartij een grond voor schorsing van het geding is, waarna de oude procesbevoegde formele procespartij door de nieuwe procesbevoegde formele procespartij kan worden vervangen.