Hof Arnhem-Leeuwarden, 03-02-2015, nr. 200.141.677
ECLI:NL:GHARL:2015:671, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
03-02-2015
- Zaaknummer
200.141.677
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:671, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 03‑02‑2015; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:5320, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:GHARL:2014:8437, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 04‑11‑2014; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:5320, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 03‑02‑2015
Inhoudsindicatie
Eigendomsoverdracht gestolen auto. Auto door justitie teruggegeven aan bestolene. Doorwerking bescherming derde te goeder trouw naar andere schakels.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.141.677
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 828013)
arrest van de tweede kamer van 3 februari 2015
inzake
[appellante] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam 1],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. M.H. Hogeman,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam 2]
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.C. Janssens.
Partijen zullen hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd worden.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure tot dan toe, verwijst het hof naar het arrest in deze zaak van 4 november 2014.
1.2
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de akte na tussenarrest, met een productie, van [geïntimeerde];
- -
de antwoordakte van [appellante].
1.3
Vervolgens is arrest bepaald.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Bij het tussenarrest van 4 november 2014 is [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag of de auto aan de bestolene is terug gegeven en is [appellante] in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
2.2
[geïntimeerde] heeft bij akte na tussenarrest een brief d.d. 24 november 2014 van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam overgelegd. In deze brief staat onder meer het volgende: “Volgens het computersysteem van de politie waarin de inbeslaggenomen goederen worden beheerd en verwerkt, is vermeld dat de auto op 23-08-2012 terug is gegeven aan de oorspronkelijke eigenaar op grond van mijn last tot teruggave op 14-08-2012.”Bij memorie van antwoord had [geïntimeerde] reeds een brief d.d. 26 juli 2012 van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam overgelegd waarin onder meer het volgende staat: “Hierbij wil ik u informeren met betrekking tot de inbeslagneming van het volgende voertuig: BMW X5 met vals kenteken [kenteken].Bovengenoemd voertuig is van diefstal afkomstig en voorzien van een vals chassisnummer. De bestolene was niet verzekerd voor diefstal van het voertuig. Ik ben derhalve voornemens het voertuig over te dragen aan de bestolene.”
2.3
Hiermee acht het hof bewezen dat de auto waarover het in deze procedure gaat aan de bestolene is terug gegeven. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de auto aan een ander is terug gegeven dan de bestolen eigenaar. De enkele omstandigheid dat in de brief van 26 juli 2012 wordt gesproken over “de bestolene” en in de brief van 24 november 2014 over “de oorspronkelijke eigenaar” is daartoe onvoldoende. Mede gelet op de datum van de brief van 26 juli 2012 en de in de brief van 24 november 2014 genoemde last tot teruggave van 14 augustus 2012, staat in voldoende mate vast dat met die last tot teruggave uitvoering is gegeven aan het voornemen om de auto aan de bestolene terug te geven.
2.4
Uit het voorgaande, en gelet op hetgeen reeds is overwogen in rechtsoverweging 4.3 van het tussenarrest van 4 november 2014, volgt dat de bestolene in beginsel eigenaar is gebleven van de auto en dat [appellante] op 30 mei 2011 aan [geïntimeerde] daardoor niet bevoegd het eigendomsrecht van de auto heeft kunnen overdragen. Dat is in dit geval evenwel anders.
2.5
Vast staat dat de auto, voordat die door de bestolene is opgeëist of aan de bestolene is teruggegeven, door [geïntimeerde] op 12 oktober 2011 aan een derde is verkocht en overgedragen. [geïntimeerde] heeft, tegenover de daartoe strekkende stellingen van [appellante] bij memorie van grieven, niet betwist dat deze derde een natuurlijk persoon was die te goeder trouw was en dat ten aanzien van de verkrijging van de auto door deze derde is voldaan aan de vereisten van artikel 3:86 lid 3 aanhef en onder a BW. Deze derde genoot dus de bescherming die deze bepaling hem biedt en hij is daardoor, niettegenstaande de latere teruggave aan de bestolene, eigenaar van de auto geworden. De (terug)levering van de auto door deze derde aan [geïntimeerde] op 6 april 2012 vond dus plaats door de op dat moment beschikkingsbevoegde eigenaar. Nu niet is betwist dat ook overigens aan de vereisten van een geldige eigendomsoverdracht was voldaan, werd [geïntimeerde] daarmee eigenaar van de auto. [geïntimeerde] kon op zijn beurt als beschikkingsbevoegde eigenaar de auto leveren aan [het bedrijf]. Ook ten aanzien van die overdracht staat vast dat overigens aan de vereisten voor een geldige overdracht was voldaan. De conclusie is dan ook dat [het bedrijf], anders dan in de hoofdzaak is geoordeeld, eigenaar is geworden van de auto.
2.6
Met het voorgaande staat ook vast dat de bestolen eigenaar de gestolen zaak niet meer als zijn eigendom kon opeisen, aangezien - nu de auto inmiddels was verkregen door een verkrijger zoals bedoeld in artikel 3:86 lid 3 onder a BW - aan de voorwaarden daartoe van artikel 3:86 lid 3 BW niet is voldaan. Dat de bestolene de auto wel (ten onrechte) heeft terug gekregen, doet daaraan niet af. Het onderhavige geval verschilt in zoverre van het in HR 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW4983) berechte geval, dat zich thans de uitzondering van artikel 3:86 lid 3 onder a BW voordoet. Daardoor kan van een opeising door de bestolene, ook in de ruime zin dat hij het bezit van de zaak binnen de termijn van drie jaar heeft herkregen, geen sprake zijn vanwege de bescherming van de verkrijger te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 3 onder a BW.
2.7
Omdat daarmee de uitzondering van artikel 3:86 BW lid 3 aanhef BW zich niet voordoet, en de bestolene dus geen eigenaar van de auto is gebleven, heeft [appellante] zich terecht op de bescherming van artikel 3:86 lid 1 BW kunnen beroepen. Er is immers niet betwist dat [appellante] de auto te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen van zijn voorschakel ([persoon]). Daarmee heeft [appellante] de auto ook geldig kunnen overdragen aan [geïntimeerde]. Van een tekortschieten door [appellante] is dus geen sprake geweest. Daarmee mist de vordering van [geïntimeerde] de door hem gestelde grondslag daarvan.
2.8
Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De grieven kunnen voor het overige onbesproken blijven. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:- griffierecht nihil- salaris advocaat € 904,- (2 punten x tarief II)
2.9
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:- explootkosten € 79,15- griffierecht € 308,-- salaris advocaat € 1.341,- (1,5 punt x tarief II).
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in de vrijwaringszaak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 30 oktober 2013 en opnieuw recht doende:
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 387,15 voor verschotten en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2015.
Uitspraak 04‑11‑2014
Inhoudsindicatie
Eigendomsoverdracht gestolen auto. Auto door justitie teruggegeven aan bestolene. Doorwerking bescherming derde te goeder trouw naar andere schakels.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.141.677
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort 828013)
arrest van de eerste kamer van 4 november 2014
inzake
[appellante] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam 1],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. M.H. Hogeman,
tegen
[geïntimeerde] , handelend onder de naam [bedrijfsnaam 2],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.C. Janssens.
Partijen zullen hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd worden.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen [geïntimeerde] als eiser in de vrijwaring en [appellante] als gedaagde in de vrijwaring gewezen vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, van 30 januari 2013 en 30 oktober 2013.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 januari 2014;
- -
de memorie van grieven, met een productie;
- -
de memorie van antwoord, met een productie.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest en is arrest bepaald.
3. De vaststaande feiten
Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals deze door de kantonrechter in het vonnis van 30 oktober 2013 zijn vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.10. Ook het hof gaat van deze feiten uit.
4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1
Het gaat in deze zaak - kort samengevat - om het volgende. [geïntimeerde] heeft op 30 mei 2011 een auto van het merk BMW, kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gekocht van [appellante] voor een bedrag van € 12.250,-. [geïntimeerde] heeft de auto op 12 oktober 2011 verkocht aan een derde en op 6 april 2012 heeft [geïntimeerde] de auto weer van deze derde terug gekocht. Op 20 april 2012 heeft [geïntimeerde] de auto voor een bedrag van € 15.350,- verkocht en afgegeven aan [het bedrijf] (hierna: [het bedrijf]). In juni 2012 heeft de RDW geconstateerd dat op 25 januari 2011 aangifte was gedaan van diefstal van de auto. De auto is in strafvorderlijk beslag genomen en het kentekenbewijs van de auto is ongeldig verklaard. [het bedrijf] heeft de koopovereenkomst met [geïntimeerde] ontbonden en [geïntimeerde] aangesproken tot terugbetaling van de koopsom en tot vergoeding van geleden schade. [geïntimeerde] heeft [appellante] in vrijwaring opgeroepen. Bij vonnis in de hoofdzaak van 30 oktober 2013 heeft de rechtbank de vorderingen van [het bedrijf] toegewezen. In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] is tekort geschoten in de nakoming van zijn (leverings)verplichting jegens [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] zich terecht op ontbinding van die koopovereenkomst heeft beroepen. De kantonrechter heeft [appellante] veroordeeld om aan [geïntimeerde] de door [geïntimeerde] betaalde koopsom van de auto terug te betalen alsmede om aan [geïntimeerde] de schade te vergoeden die [geïntimeerde] ingevolge het vonnis in de hoofdzaak aan [het bedrijf] dient te vergoeden, te vermeerderen met de proceskosten. Daartegen richten zich de grieven in het hoger beroep.
4.2
Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of [appellante] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting om ingevolge de koopovereenkomst van 30 mei 2011 het (onbeperkte en onbezwaarde) eigendomsrecht van de auto aan [geïntimeerde] over te dragen.
4.3
Voor eigendomsoverdracht, waartoe de verkoper op grond van artikel 7:9 BW verplicht is, is nodig dat de overdracht steunt op een levering krachtens een geldige titel, verricht door een beschikkingsbevoegde. Op dit laatste overdrachtsvereiste geldt op grond van artikel 3:86 lid 1 BW een uitzondering: een overdracht van, onder meer, een roerende zaak is ondanks onbevoegdheid van de vervreemder geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Op deze beschermingsregel bestaat ook weer een uitzondering: ingevolge artikel 3:86 lid 3 aanhef BW kan niettemin de eigenaar van een roerende zaak die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen van de dag van de diefstal af als zijn eigendom opeisen. Blijkens de parlementaire geschiedenis brengt de opzet van artikel 3:86 BW mee dat na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn de voorafgaande leden hun volle werking hernemen, zodat iemand die intussen de zaak te goeder trouw en anders dan om niet verkreeg, van het tijdstip van het verstrijken van de termijn af volledig beschermd wordt en aldus, ook jegens de bestolene, met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn verkrijging de eigendom verwerft (MO II Inv., Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1220). Uit Hoge Raad 13 juli 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW4983) volgt dat van een bestolene die inmiddels, binnen de genoemde termijn van drie jaren, weer in het bezit is gesteld van de hem ontstolen zaak niet kan worden verlangd dat hij deze nog eens uitdrukkelijk als zijn eigendom zou opeisen. In dat geval is de bestolene eigenaar gebleven. Ook op de uitzondering van artikel 3:86 lid 3 aanhef BW bestaan uitzonderingen, in welke gevallen de bescherming van het eerste lid onverkort geldt, ondanks dat de zaak afkomstig is van diefstal en binnen drie jaar door de bestolene als zijn eigendom wordt opgeëist. Dat is onder meer het geval (artikel 3:86 lid 3 aanhef en onder a BW) indien de zaak is verkregen door een natuurlijk persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde en is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van het bedrijf handelde.
4.4
Tussen partijen is in hoger beroep niet langer in geschil dat de auto in januari 2011 is gestolen en dat de auto in strafvorderlijk beslag is genomen. Tegenover het verweer van [appellante] dat de oorspronkelijk eigenaar de auto niet heeft opgeëist en dat de auto ook niet aan de oorspronkelijk eigenaar is terug gegeven, heeft [geïntimeerde] gesteld dat de auto wel is terug gegeven aan de oorspronkelijk eigenaar. [geïntimeerde] heeft zich daartoe beroepen op een brief van de officier van justitie (arrondissementsparket Amsterdam) d.d. 26 juli 2012 (productie 1 bij memorie van antwoord), waarin wordt aangekondigd dat het voertuig zal worden overgedragen aan de bestolene. [appellante] heeft zich nog niet over deze productie en de daarop gebaseerde stellingen van [geïntimeerde] kunnen uitlaten. Bovendien volgt uit de brief niet of aan het voornemen van de officier van justitie uitvoering is gegeven. Omdat dit voor de beslissing in deze zaak van belang is, ziet het hof aanleiding om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen om zich bij akte, zoveel mogelijk gedocumenteerd, uit te laten over de vraag of de auto ook daadwerkelijk aan de bestolene is terug gegeven. [appellante] zal zich dan bij antwoordakte daarover, en over hetgeen te dien aanzien al bij memorie van antwoord door [geïntimeerde] is aangevoerd, kunnen uitlaten.
4.5
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2014 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde];
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.H. van Ginkel, H.L. Wattel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 november 2014.