Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/8.3.3:8.3.3 Vervolgonderzoek
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/8.3.3
8.3.3 Vervolgonderzoek
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661559:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen heeft niet alleen een principiële, maar ook een praktische kant. Vanwege de principiële insteek hebben praktische aspecten niet de boventoon gevoerd, terwijl praktische (on)mogelijkheden wel relevant – en regelmatig bepalend – zijn voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel in concrete gevallen. Zo speelt bewijsrechtproblematiek een belangrijke rol, met name in het licht van de massaliteit van informatieverstrekking via de BelastingTelefoon. Wat in het kader van bewijslevering en bewijslastverdeling werkbaar en wenselijk is, zou mijns inziens een nader onderzoek verdienen, waarbij voorstellen die zijn gedaan door Damen1 en de Rechtspraak als uitgangspunt kunnen dienen.2 Hoe moet ‘wie eist, die bewijst’ vandaag de dag worden toegepast in de context van voorlichting en de kennisasymmetrie tussen de burger en de Belastingdienst? Wat in ieder geval duidelijk is geworden, is dat bewijsperikelen niet een onnodig hoge drempel mogen vormen voor de burger bij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat past misschien wel in een rechtsstaat die het systeem sluitend houdt, maar niet in een rechtsstaat waarin het burgerperspectief serieus wordt genomen.
Een tweede kwestie betreft de vraag of het voorgestelde afwegingskader tevens toepasbaar en gewenst is bij andere vertrouwenwekkende uitingen, zoals toezeggingen. Het is een logische vervolgvraag gezien de bevindingen in dit onderzoek, maar er is vervolgonderzoek nodig om dit te bepalen.
Interessant voor nader onderzoek in het kader van de rechtsgevolgen van een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel is om te verkennen hoe burgers aankijken tegen variaties op ‘alles of niets’, evenals de juridische implementatiemogelijkheden daarvan (paragraaf 7.4.3). Communicatieve inzichten laten immers zien dat het de moeite waard is om andere mogelijkheden te onderzoeken. Heel eenvoudig: als de fiscaal teleurgestelde burger adequaat is geholpen met een belastingkorting (‘een beetje’), een oprecht excuus of een soepele betalingsregeling in plaats van met een (volledige) contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel (‘alles’), is zowel de burger als het collectief daarbij gebaat. Nader onderzoek naar factoren die daarbij voor burgers van belang zijn, kunnen relevante informatie opleveren voor de wijze waarop in rechtsgevolgen een optimum kan worden gevonden tussen rechtszekerheid en rechtsgelijkheid (zie paragraaf 7.5.3, 7.6.7, 7.8).
Verder is van belang dat dit onderzoek is gericht op het belastingrecht, maar de problematiek speelt uiteraard tevens bij andere uitvoeringsinstanties die voorlichting geven aan burgers. In vervolgonderzoek ligt een ‘vertaling’ naar en vergelijking met het algemene bestuursrecht (waaronder bijvoorbeeld toeslagenwetgeving) voor de hand. Toekomstig onderzoek zou kunnen uitwijzen of de toepassing van het vertrouwensbeginsel aldaar ook bijstelling verdient en hoe het burgerperspectief in die gebieden uitwerkt. De inzichten uit dit onderzoek bieden daarbij een theoretisch fundament.
De centrale boodschap van dit onderzoek is dat voorlichting voor zowel de Belastingdienst, voor burgers als voor een efficiënte belastingheffing veel belangrijker is dan in het belastingrecht tot op heden is bekend was. Voorlichting is niet ‘slechts’ voorlichting. Dat de burger op informatie van de Belastingdienst moet kunnen vertrouwen zal voor de burger geen nieuws zijn. Tijd om het recht daarmee in overeenstemming te brengen.