Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/13.3
13.3 Overgang van door de overheid toebedeelde aanspraken
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296785:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Snijders 1999, p. 585.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, para. 631. Anders van Vliet 2004, p. 218; van Es 2005, p. 295; Bartels 2014, p. 4.
Zie bijvoorbeeld van Es 2005, p. 295.
De mogelijkheid om een beroep te doen op de verjaring van een rechtsvordering is een wilsrecht; zie in deze zin Snijders 1999, p. 561. Anders: Huizingh 2016, p. 278.
Zie in deze zin ook van Vliet 2004, p. 218.
Zie Snijders 1999, p. 585: Een typisch kenmerk van wilsrechten is dat zij in beginsel niet onder de bepalingen betreffende extinctieve verjaring vallen. Uitoefening van het recht brengt immers rechtstreeks het rechtsgevolg teweeg, zodat er geen rechtsvordering of ander instrument tot afdwinging aan te pas komt. Dat betekent dat waar het ongewenst is dat het wilsrecht onbeperkt in stand blijft, een bijzondere bepaling nodig is.
Er bestaat geen bepaling die dit regelt. Het wilsrecht is ook geen kwalitatief recht, omdat het niet voortvloeit uit een overeenkomst of eenzijdige rechtshandeling. In het Duitse recht is wel voor een oplossing gezorgd; zie § 221 BGB, dat bepaalt dat een opvolgend verkrijger de lopende verjaring voortzet.
Zie bijvoorbeeld art. 6:145 BW. Zie verder (overigens zonder verwijzingen) ten aanzien van verjaring en wisseling van partijen door contractsoverneming Huizingh 2016, p. 278.
529. Zodra is bepaald of een wettelijk toebedeeld wilsrecht is toebedeeld in hoedanigheid, is het in beginsel een simpele opgave om te bepalen wie het wilsrecht kan uitoefenen: degene die aan de wettelijke omschrijving voldoet. Zo is bijvoorbeeld ‘de schuldeiser’ degene die het faillissement van zijn schuldenaar aan kan vragen (art. 1 Fw). Draagt deze schuldeiser de vordering op de schuldenaar over, dan verliest hij de vereiste hoedanigheid en kan hij niet langer het faillissement aanvragen. De cessionaris van de vordering, daarentegen, verkrijgt de vereiste hoedanigheid en zou – als hij wil – het faillissement van de schuldenaar van de vordering kunnen aanvragen.
530. Technisch gezien is er geen sprake van een ‘overgang’ van het wilsrecht van de vervreemder naar de verkrijger van het subjectieve recht. Het wilsrecht dat de vervreemder had, kan hij niet meer uitoefenen, omdat hij de vereiste hoedanigheid niet meer heeft; aan de verkrijger komt een eigen wilsrecht toe, omdat hij de vereiste hoedanigheid wél heeft. Het is daardoor bijvoorbeeld niet mogelijk om met werking tegen derden afstand te doen van een door de wet toebedeeld wilsrecht als daarvoor geen expliciete mogelijkheid is geboden (zie meer uitgebreid paragraaf 13.5).
531. Het steeds opnieuw inroepbaar worden van het wilsrecht door degene die de hoedanigheid van rechthebbende van het relevante subjectieve recht verkrijgt, zou in theorie ervoor kunnen zorgen dat de aanspraken die door uitoefening van het wilsrecht ontstaan, altijd blijven voortbestaan. Het wilsrecht zelf verjaart in beginsel namelijk niet.1 Elke keer als de door het wilsrecht in het leven geroepen aanspraken dreigen te verjaren, zou het subjectieve recht waarmee het wilsrecht samenhangt kunnen worden overgedragen om een nieuwe verjaringstermijn te laten aanvangen. Een casus waarin wel wordt betoogd dat dit het geval is, is te vinden in het burenrecht. Het betreft, kortgezegd, het geval waarin niet-toegestane objecten (vensters, bomen) zich al meer dan twintig jaar binnen twee meter van de erfgrens met een ander perceel bevinden. Normaal gesproken kan de eigenaar van het perceel waar de objecten zich niet bevinden tegen de aanwezigheid van de objecten op het andere perceel optreden door een processueel wilsrecht uit te oefenen (art. 5:42 / 5:50 jo. 3:296 BW). Nu gaat dat echter niet meer, omdat de verjaringstermijn daarvoor is verstreken (art. 3:314 jo. 3:306 BW). Zou deze eigenaar zijn perceel overdragen, dan krijgt de opvolgend verkrijger een eigen wilsrecht om het verwijderen van de niet-toegestane objecten te vorderen. In de literatuur wordt wel betoogd dat daarmee ook een nieuwe verjaringstermijn gaat lopen, waardoor de opvolgend verkrijger het wilsrecht uit kan oefenen dat de vervreemder niet meer kon inroepen.2 Dat zou ertoe leiden dat dit wilsrecht tot in de eeuwigheid zou kunnen worden uitgeoefend. Dat kan niet de bedoeling zijn. In de literatuur wordt de oplossing voor dit probleem gezocht in het feit dat het wilsrecht om verwijdering te vorderen met de eigendom van het perceel mee overgaat (en, eenmaal verjaard, dus niet meer kan wor- den ingeroepen).3 Dat verhoudt zich slecht met hetgeen ik in dit hoofdstuk betoog, omdat dergelijke wilsrechten nu juist niét mee overgaan (maar steeds opnieuw toekomen aan degene die de juiste hoedanigheid heeft). In plaats daarvan zou ik menen dat het wilsrecht van de andere eigenaar om zich op de verjaring van de verwijderingsvordering te beroepen, steeds opnieuw het wilsrecht om de verwijdering te vorderen de pas afsnijdt.4 Draagt de eigenaar van het perceel met de niet-toegestane objecten dit perceel over, dan zal de opvolgend verkrijger ook van het wilsrecht om zich op verjaring te beroepen gebruik moeten kunnen maken.5 Zo niet, dan kan de opvolgend verkrijger jaren later opeens in de problemen komen als de buurman zijn perceel verkoopt aan iemand die verwijdering wenst te vorderen. Dit betekent dat een regeling nodig is om ervoor te zorgen dat de verjaring door de opvolgend verkrijger van het perceel waar zich de vensters en bomen bevinden, wordt voortgezet.6 In het BW is de voortzetting van de extinctieve verjaring door deze opvolgend verkrijger echter niet geregeld.7 Toch zou ik willen aannemen dat de opvolgend verkrijger de verjaring voortzet; op andere plekken in het BW geeft de wetgever er namelijk blijk van te hebben gewild dat een eenmaal lopende verjaringstermijn bij wisseling van de betrokken partijen wordt voortgezet.8