Rb. Noord-Holland, 27-01-2022, nr. 9156263
ECLI:NL:RBNHO:2022:1454
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
27-01-2022
- Zaaknummer
9156263
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2022:1454, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 27‑01‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBNHO:2021:10084, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 07‑10‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2022-0286
VAAN-AR-Updates.nl 2022-0286
AR-Updates.nl 2021-1405
VAAN-AR-Updates.nl 2021-1405
Uitspraak 27‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Arbeidszaak. Deze zaak gaat over een vordering van een werknemer tot betaling van loon tijdens ziekte. In een eerder vonnis van 7 oktober 2021 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:RBNHO:2021:10084) heeft de kantonrechter de verzekeringsarts van het Uwv verzocht om een deskundigenverklaring toe te lichten, omdat er twijfels zijn ontstaan over de juistheid daarvan. De kantonrechter oordeelt in dit vonnis dat de nadere toelichting door de verzekeringsarts de twijfels niet heeft weggenomen en dat moet worden aangenomen dat de werknemer niet kon werken. De vordering van de werknemer wordt daarom toegewezen.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 9156263 \ CV EXPL 21-1434
Uitspraakdatum: 27 januari 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. A.J. Butter
tegen
de besloten vennootschap Kivo Plastic Verpakkingen B.V.
gevestigd te Volendam
gedaagde
verder te noemen: Kivo
gemachtigde: mr. L.J. Bloem
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een vordering van een werknemer tot betaling van loon tijdens ziekte. In een eerder vonnis van 7 oktober 2021 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:RBNHO:2021:10084) heeft de kantonrechter de verzekeringsarts van het Uwv verzocht om een deskundigenverklaring toe te lichten, omdat er twijfels zijn ontstaan over de juistheid daarvan. De kantonrechter oordeelt in dit vonnis dat de nadere toelichting door de verzekeringsarts de twijfels niet heeft weggenomen en dat moet worden aangenomen dat de werknemer niet kon werken. De vordering van de werknemer wordt daarom toegewezen.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft in een vonnis van 7 oktober 2021 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:RBNHO:2021:10084) aan de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) verzocht om een deskundigenverklaring van 17 november 2020 schriftelijk toe te lichten en een aantal vragen te beantwoorden.
1.2.
Met een brief van 16 oktober 2021 is daarop gereageerd door de verzekeringsarts. Vervolgens hebben partijen ieder nog een reactie daarop gegeven.
2. De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis van 7 oktober 2021 is overwogen en beslist.
2.2.
In het tussenvonnis is overwogen dat er redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts van 5 oktober 2020 en de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020. Daarbij is toegelicht – kort samengevat – dat een andere verzekeringsarts van het Uwv in een rapport van 22 maart 2021 in het kader van een WIA-beoordeling heeft aangenomen dat [eiser] wegens ziekte géén benutbare mogelijkheden heeft, dat niet blijkt dat rekening is gehouden met een brief van 10 november 2020 van de revalidatiearts van [eiser] , en dat in de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts geen duidelijke en inzichtelijke motivering is te vinden voor het oordeel dat [eiser] in staat moet worden geacht om twee keer twee uur per week te kunnen werken in licht werk.
2.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de brief van de verzekeringsarts van 16 oktober 2021 eerdergenoemde twijfel niet weggenomen en is nog altijd geen sprake van een duidelijke en inzichtelijke motivering waarom [eiser] in staat moet worden geacht om twee keer twee uur per week te kunnen werken in licht werk. Daarbij is het volgende van belang.
2.4.
De kantonrechter begrijpt uit de brief van de verzekeringsarts van 16 oktober 2021 dat het oordeel van de verzekeringsarts in het kader van de WIA-beoordeling, te weten dat [eiser] géén benutbare mogelijkheden heeft, niet wordt overgenomen, omdat geen sprake zou zijn van een inadequate zelfverzorging. Echter, de overweging van de verzekeringsarts dat er geen sprake is van een inadequate zelfverzorging valt niet te rijmen met de gegevens en informatie die uit de stukken naar voren komt. [eiser] heeft in zijn e-mail van 24 september 2020 aan de arbeidsdeskundige gemeld dat hij door voortdurende pijnklachten, flauwtes en duizeligheid “niet zelf verzorgend” is en bij veel dagelijkse dingen hulp moet inroepen. Ook in de aanvraag van het deskundigenoordeel heeft [eiser] vermeld dat hij door hevige pijnklachten niet in staat is zichzelf te verzorgen en hulpbehoevend is geworden. Er is door de verzekeringsarts daartegenover niet uitgelegd waarom geen sprake is van een inadequate zelfverzorging. Een beschrijving van het dagverhaal en de activiteiten van [eiser] ontbreekt ook in de rapportage van de verzekeringsarts en de bedrijfsarts.
2.5.
De verzekeringsarts heeft uiteengezet dat sprake is van voortschrijdend inzicht, omdat inmiddels uit informatie van de behandelend artsen is gebleken van een psychisch ziektebeeld, althans van sterke aanwijzingen daarvoor, te weten een persoonlijkheidsstoornis, angstklachten, agressie-regulatieproblematiek en PTSS. Maar volgens de verzekeringsarts is [eiser] ook met deze forse beperkingen nog wel twee keer twee uur per week belastbaar, omdat dit aantal uren een “marginale belastbaarheid” is. Echter, niet zonder meer valt in te zien waarom [eiser] gelet op de inmiddels ook door de verzekeringsarts aangenomen forse beperkingen in staat zou zijn om twee keer twee uur per week te werken. Een overtuigende en inzichtelijke redenering daarvoor ontbreekt. Bovendien heeft de verzekeringsarts kennelijk niet meegewogen dat [eiser] voor het verrichten van de werkzaamheden ook naar de werkplek moet reizen.
2.6.
Gelet op het voorgaande gaat de kantonrechter op basis van de beschikbare gegevens uit van de het oordeel van de verzekeringsarts in het kader van de WIA-beoordeling, te weten dat [eiser] géén benutbare mogelijkheden heeft, ook niet op en na 5 oktober 2020, zodat [eiser] ook niet in staat was om twee keer twee uur per week te werken met bijbehorende reistijd. Daarbij weegt mee dat de revalidatiearts in een brief van 10 november 2020 onder meer heeft gemeld dat bij [eiser] sprake is van psychische klachten en ontregeling, met een toename van klachten in de afgelopen maanden, en dat er gelet daarop geen revalidatiebehandeling mogelijk is en een “spoedverwijzing GGZ” nodig is. Ook weegt mee dat de bedrijfsarts die een “second opinion” heeft gegeven in een advies van 18 december 2020 opmerkt dat er op het vlak van persoonlijk functioneren mogelijk toch meer beperkingen zijn dan eerst werd aangenomen.
2.7.
Dat betekent dat Kivo ten onrechte een loonstop heeft opgelegd en ten onrechte de loonbetaling tijdens ziekte heeft gestaakt over de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020.
2.8.
De vordering van [eiser] om Kivo te veroordelen tot betaling van € 5.881,24 bruto aan loon over de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020 moet daarom worden toegewezen.
2.9.
De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat Kivo wordt gevolgd in haar stelling dat die verhoging moet worden gematigd tot nihil. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Kivo destijds, in de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020, op basis van de toenmalige beoordeling door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat het opleggen van een loonstop gerechtvaardigd was.
2.10.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 669,05 worden toegewezen, omdat Kivo daartegen geen verweer heeft gevoerd.
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van Kivo, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Daarbij wordt Kivo ook veroordeeld tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt Kivo om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.881,24 bruto;
3.2.
veroordeelt Kivo om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 669,05 aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
veroordeelt Kivo tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 83,38
griffierecht € 240,00
salaris gemachtigde € 777,50
en veroordeelt Kivo tot betaling van € 124,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Uitspraak 07‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Arbeidszaak. De kantonrechter verzoekt in een tussenvonnis om een toelichting door het Uwv van een deskundigenverklaring, omdat er twijfels zijn ontstaan over de juistheid daarvan.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 9156263 \ CV EXPL 21-1434
Uitspraakdatum: 7 oktober 2021 (bij vervroeging)
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. A.J. Butter
tegen
de besloten vennootschap Kivo Plastic Verpakkingen B.V.
gevestigd te Volendam
gedaagde
verder te noemen: Kivo
gemachtigde: mr. L.J. Bloem
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een vordering van een werknemer tot betaling van loon tijdens ziekte. De werkgever heeft de loonbetaling enige tijd stopgezet, omdat de werknemer volgens de werkgever heeft geweigerd om aangeboden werkzaamheden te verrichten. Het Uwv heeft in een deskundigenverklaring geoordeeld dat die werkzaamheden geschikt en passend waren voor de werknemer. De kantonrechter verzoekt het Uwv in deze uitspraak om de deskundigenverklaring toe te lichten, omdat er twijfels zijn ontstaan over de juistheid daarvan.
1. Het procesverloop
1.1.
[eiser] heeft bij dagvaarding van 9 april 2021 een vordering tegen Kivo ingesteld. Kivo heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Op 15 september 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brief van 3 september 2021 nog stukken toegezonden.
2. De feiten
2.1.
[eiser] , geboren [geboortedatum] , is op 19 november 2013 in dienst getreden bij Kivo. [eiser] heeft als functie Operator Printing en een loon van € 2.235,56 bruto per maand.
2.2.
Op 1 april 2019 is [eiser] wegens ziekte uitgevallen voor zijn werk.
2.3.
In een rapport van Ergatis B.V. van 26 augustus 2020 is geconcludeerd dat [eiser] beschikt over benutbare mogelijkheden om te werken, maar met beperkingen ten opzichte van normaal functioneren.
2.4.
Kempers Arbeidskundig Advies B.V. heeft in een rapport van 18 september 2020 als conclusie vermeld dat [eiser] als gevolg van medische beperkingen niet in staat is zijn eigen werk als Operator Printing te doen en dat er bij Kivo ook geen andere passende arbeid is. Wel zijn er volgens dit rapport re-integratiemogelijkheden bij Kivo in de vorm van fysiek licht werk zonder werkdruk, maar moet [eiser] ook zo snel mogelijk worden begeleid naar passende arbeid bij een andere werkgever (het tweede spoor).
2.5.
In een e-mail van 24 september 2020 geeft [eiser] aan Kivo onder meer te kennen dat hij vanwege zijn medische problemen niet aan het werk kan, niet geheel en niet deels, en dat hij in oktober aan een revalidatietraject begint.
2.6.
Met een e-mail van 25 september 2020 heeft Kivo [eiser] opgeroepen om op 5 oktober 2020 te komen werken voor twee keer twee uur per week, zonder werkdruk. [eiser] heeft daarop laten weten dat hij zich vanwege zijn medische beperkingen daartoe niet in staat acht.
2.7.
De bedrijfsarts van Kivo heeft in een advies van 5 oktober 2020 vermeld dat de doorKivo aangeboden werkzaamheden vallen binnen de mogelijkheden van [eiser] en dat ook een regeling is getroffen voor woon-werkverkeer. De bedrijfsarts maakt ook melding van de opmerking van [eiser] dat zijn klachten de afgelopen periode verder zijn toegenomen en dat zelfstandig naar het werk reizen, ook met een taxi, niet mogelijk is, maar dat is voor de bedrijfsarts geen aanleiding geweest voor een ander advies. De bedrijfsarts adviseert Kivo wel om de door [eiser] aangevraagde deskundigenverklaring van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) af te wachten, om escalatie te voorkomen.
2.8.
Kivo heeft in een e-mail aan [eiser] van 8 oktober 2020 meegedeeld dat zij zal wachten op de door [eiser] aangevraagde deskundigenverklaring van het Uwv, maar dat het loon vanaf 5 oktober 2020 zal worden stopgezet als het Uwv [eiser] niet in het gelijk stelt.
2.9.
Op 28 oktober 2020 is [eiser] een revalidatietraject gestart. De revalidatiearts heeft in een brief aan de huisarts van 10 november 2020 onder meer gemeld dat bij [eiser] sprake is van psychische klachten en ontregeling, met een toename van klachten in de afgelopen maanden, en dat er gelet daarop geen revalidatiebehandeling mogelijk is. De revalidatiearts heeft de huisarts verzocht om een “spoedverwijzing GGZ”.
2.10.
[eiser] heeft het Uwv gevraagd om een deskundigenverklaring te geven over de vraag of hij in staat was op 5 oktober 2020 werkzaamheden te verrichten. In een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 17 november 2020 van de verzekeringsarts van het Uwv staat dat er gelet op de op 5 oktober 2020 vastgestelde aandoeningen medisch geen reden is waarom [eiser] niet twee keer twee uur per week lichte werkzaamheden zou kunnen verrichten. De verzekeringsarts merkt op dat geen informatie is opgevraagd bij de behandelend artsen en uit de rapportage blijkt niet dat de brief van de revalidatiearts van 10 november 2020 bekend was bij de verzekeringsarts.
2.11.
Met een e-mail van 24 november 2020 heeft Kivo aan [eiser] laten weten dat de loonbetaling wordt stopgezet per 5 oktober 2020, gelet op de deskundigenverklaring van het Uwv, neergelegd in eerdergenoemde verzekeringsgeneeskundige rapportage van 17 november 2020.
2.12.
Op verzoek van [eiser] heeft een andere bedrijfsarts een “second opinion” gegeven. In een advies van 18 december 2020 staat dat deze bedrijfsarts “geen salomonsoordeel” kan vellen over de re-integratie. Wel wordt geadviseerd zo snel mogelijk informatie op te vragen bij de GGZ, omdat er op het vlak van persoonlijk functioneren mogelijk toch meer beperkingen zijn dan eerst werd aangenomen.
2.13.
Op 23 december 2020 heeft Kivo de loonbetaling hervat.
2.14.
De behandelend psychiater van de GGZ heeft in een brief aan [eiser] van 2 februari 2021 de voorlopige bevindingen over de diagnose meegedeeld en een behandeling voorgesteld.
2.15.
In een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 maart 2021 van een andere verzekeringsarts van het Uwv, in het kader van een WIA-beoordeling, staat dat er door ziekte van [eiser] “thans géén benutbare mogelijkheden” zijn. Daarbij is de verwachting uitgesproken dat de functionele mogelijkheden zullen toenemen door behandeling en dat een verbetering van het persoonlijk en sociaal functioneren is te verwachten na een jaar.
2.16.
Aan [eiser] is door het Uwv een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van een datum op of omstreeks 1 april 2021.
3. De vordering en het verweer
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter Kivo veroordeelt tot betaling van € 5.881,24 bruto aan loon. Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Kivo over de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020 ten onrechte het loon heeft stopgezet, omdat [eiser] in die periode wegens ziekte niet in staat was om te werken of te re-integreren. [eiser] stelt ook dat de medische beoordeling door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het Uwv onjuist is geweest.
3.2.
Kivo betwist de vordering. Zij voert aan – samengevat – dat er gelet op de rapportages van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het Uwv vanuit moet worden gegaan dat [eiser] op 5 oktober 2020 medisch gezien in staat was om de door Kivo aangeboden werkzaamheden te verrichten voor twee keer twee uur per week. Omdat [eiser] op 5 oktober 2020 heeft geweigerd om passende arbeid te verrichten, is de staking van loonbetaling terecht, aldus Kivo.
4. De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of Kivo moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.881,24 bruto aan loon over de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020.
4.2.
Bij de beantwoording van die vraag is vooral van belang of [eiser] over die periode recht heeft op betaling van loon tijdens ziekte en of Kivo de loonbetaling mocht stopzetten met ingang van 5 oktober 2020.
4.3.
Op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet een werknemer bij een vordering tot betaling van loon tijdens ziekte een verklaring overleggen van een deskundige benoemd door het Uwv, over de verhindering om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten dan wel over de nakoming van de re-integratieverplichtingen (artikel 7:629a lid 1 BW). Aan die eis heeft [eiser] voldaan door overlegging van de hiervoor genoemde deskundigenverklaring van het Uwv van 17 november 2020.
4.4.
Niet ter discussie staat dat [eiser] vanaf 1 april 2019 wegens ziekte ongeschikt is voor het verrichten van zijn werkzaamheden.
4.5.
Uitgangspunt is dat [eiser] tijdens ziekte recht heeft op betaling van loon (artikel 7:629 lid 1 BW). Daartegenover staat dat [eiser] verplicht is om mee te werken aan re-integratie en passende arbeid moet verrichten waartoe Kivo hem in de gelegenheid stelt (artikel 7:660a lid 1 BW). Passende arbeid is arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd (artikel 7:658 lid 4 BW).
4.6.
[eiser] heeft geen recht (meer) op betaling van loon tijdens ziekte als hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond niet de passende arbeid verricht waartoe Kivo hem in de gelegenheid stelt, en voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan re-integratie (artikel 7:629 lid 3 BW).
4.7.
Vast staat dat Kivo aan [eiser] werkzaamheden heeft aangeboden per 5 oktober 2020, te weten lichte werkzaamheden voor twee keer twee uur per week, zonder werkdruk. Deze werkzaamheden zijn blijkens een advies van 5 oktober 2020 door de bedrijfsarts geschikt en passend geacht voor [eiser] , mede gelet op een getroffen regeling voor woon-werkverkeer. Ook uit de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020 volgt dat de door Kivo aangeboden werkzaamheden op 5 oktober 2020 medisch geschikt en passend waren voor [eiser] .
4.8.
Gelet op het hiervoor genoemde advies van de bedrijfsarts en de deskundigenverklaring van het Uwv zou in beginsel kunnen worden aangenomen dat [eiser] op 5 oktober 2020 medisch gezien geschikt was om de door Kivo op 5 oktober 2020 aangeboden werkzaamheden te verrichten en dat die werkzaamheden ook passend waren. Daarvan uitgaande zou moeten worden geoordeeld dat Kivo terecht de loonbetaling heeft gestopt op 5 oktober 2020 en dat [eiser] over de periode van 5 oktober 2020 tot 23 december 2020 geen recht heeft op loon, omdat [eiser] heeft geweigerd passende arbeid te verrichten.
4.9.
Maar de kantonrechter kan [eiser] volgen in zijn standpunt dat er redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de bedrijfsarts van 5 oktober 2020 en de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020. Daarbij is het volgende van belang.
4.10.
In eerdergenoemde rapportage van een andere verzekeringsarts van het Uwv van 22 maart 2021 in het kader van de WIA-beoordeling staat dat [eiser] wegens ziekte géén benutbare mogelijkheden heeft en dat een verbetering door behandeling pas na ongeveer een jaar te verwachten is. Uit deze rapportage volgt dus dat het Uwv [eiser] in het geheel niet in staat acht te werken, ook niet in lichte werkzaamheden of voor een beperkt aantal uren. Deze beoordeling door het Uwv valt zonder nadere toelichting niet goed te rijmen met de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020. Weliswaar zien de beide beoordelingen op verschillende data, namelijk 22 maart 2021 en 5 oktober 2020, maar uit de stukken blijkt niet dat de medische situatie van [eiser] wezenlijk is gewijzigd in die periode en evenmin dat sprake is geweest van een ingrijpende verslechtering van zijn gezondheidssituatie.
4.11.
Uit de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020 blijkt niet dat daarbij rekening is gehouden met de brief van 10 november 2020 van de revalidatiearts aan de huisarts, waaruit volgt dat sprake is van psychische klachten en ontregeling, een toename van klachten in de afgelopen maanden, en een volgens de revalidatiearts bestaande noodzaak voor een “spoedverwijzing GGZ”. Verder is na de deskundigenverklaring medische informatie beschikbaar gekomen in de vorm van eerdergenoemde brief van de behandelend psychiater van de GGZ van 2 februari 2021 en in de vorm van het advies van 18 december 2020 van een andere bedrijfsarts in het kader van een “second opinion”, die de verzekeringsarts niet heeft kunnen meewegen bij de beoordeling.
4.12.
Verder heeft de kantonrechter aanleiding voor twijfel, omdat in de rapportage vanErgatis B.V., de adviezen van de bedrijfsarts van Kivo en in de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020 geen duidelijke en inzichtelijke motivering is te vinden voor het oordeel dat [eiser] in staat moet worden geacht om twee keer twee uur per week te kunnen werken in licht werk.
4.13.
De kantonrechter heeft de wettelijke mogelijkheid om op verzoek van een partij of ambtshalve te bevelen dat de deskundige van het Uwv zijn verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult (artikel 7:629a lid 5 BW). De kantonrechter ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken, vanwege bovengenoemde twijfels over de juistheid van de deskundigenverklaring van de verzekeringsarts van het Uwv van 17 november 2020. [eiser] heeft daarom overigens ook verzocht.
4.14.
De kantonrechter zal de verzekeringsarts van het Uwv daarom verzoeken de deskundigenverklaring van 17 november 2020 schriftelijk toe te lichten en aan te vullen, en daarbij de volgende vragen te beantwoorden:
is de rapportage van de verzekeringsarts van het Uwv van 22 maart 2021, zoals vermeld onder 4.10, aanleiding voor een heroverweging van de deskundigenverklaring en voor een ander oordeel over de benutbare mogelijkheden van [eiser] per 5 oktober 2020; zo nee, waarom niet?;
is de brief van 10 november 2020 van de revalidatiearts, de brief van de behandelend psychiater van de GGZ van 2 februari 2021, en het advies van 18 december 2020 van een andere bedrijfsarts in het kader van een “second opinion”, zoals vermeld onder 4.11, aanleiding voor een heroverweging van de deskundigenverklaring en voor een ander oordeel over de benutbare mogelijkheden van [eiser] per 5 oktober 2020; zo nee, waarom niet?;
kunt u, indien er geen aanleiding is voor een heroverweging van de deskundigenverklaring, nader toelichten en motiveren waarom [eiser] op 5 oktober 2020 in staat moet worden geacht twee keer twee uur per week lichte werkzaamheden te kunnen verrichten?;
is er tussen 5 oktober 2020 en 23 december 2020 nog sprake geweest van een verandering van de benutbare mogelijkheden van [eiser] ?;
zijn er nog andere bevindingen of opmerkingen van uw kant die naar uw inzicht in dit kader van belang kunnen zijn?
4.15.
De verzekeringsarts wordt verzocht om de gevraagde schriftelijke toelichting en aanvulling uiterlijk vier weken na dit vonnis aan de rechtbank te sturen.
4.16.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] op de zitting, daarnaar gevraagd, heeft verklaard dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat Kivo kennisneemt van zijn medische gegevens en de nadere medische stukken die in deze zaak worden overgelegd, waaronder de schriftelijke toelichting en aanvulling van de verzekeringsarts. Er hoeft daarom geen toepassing te worden gegeven aan artikel 22a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en er hoeft dus niet te worden bepaald dat de kennisneming van deze gegevens en stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van Kivo of een arts.
5. De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
verzoekt de verzekeringsarts van het Uwv de deskundigenverklaring van 17 november 2020 schriftelijk toe te lichten en aan te vullen, en daarbij de vragen te beantwoorden zoals vermeld onder 4.14, binnen vier weken na dit vonnis en uiterlijk op 4 november 2021;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter