Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.5.1:12.5.1 Inleiding
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.5.1
12.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489683:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze aspecten worden niet altijd even goed uit elkaar gehouden: Parl. Gesch. Boek 5, p. 225; Berger 2001, p. 115.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien wij spreken over het nutsvereiste in verband met mandeligheid dienen wij twee aspecten te onderscheiden.1
Ten eerste zou de vraag gesteld kunnen worden of voor het ontstaan en bestaan van mandeligheid van de bestemming tot gemeenschappelijk nut uit de feitelijke toestand zou moeten blijken. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord zouden wij kunnen spreken van een objectief nutsvereiste. Ontkennende beantwoording leidt dan tot een zogenaamd subjectief nutsvereiste. De deelgenoten hebben de onroerende zaak tot gemeenschappelijk nut bestemd maar naar buiten hoeft daarvan niet te blijken. Dit onderscheid tussen objectief en subjectief nut komen wij tegen bij de buurweg.
Uit de hierna te bespreken parlementaire geschiedenis zal blijken dat beide visies aan de orde zijn gekomen. Uiteindelijk is – impliciet – gekozen voor het subjectieve nutsvereiste (par. 12.5.2 en 12.5.3).
Op de tweede plaats zou de vraag gesteld kunnen worden of het voor het ontstaan en bestaan van mandeligheid voldoende is dat de eigenaren van de erven dan wel een of meer hunner de mandelige zaak en de mogelijkheden tot gebruik en genot als een voordeel beschouwen, bijvoorbeeld omdat zijn/haar/hun persoonlijk genot erdoor wordt verhoogd. Is dit laatste het geval dan zou ook hier gesproken kunnen worden over een subjectief nutsvereiste.
In geval van een objectief nutsvereiste zou moeten gelden dat de mandeligheid naar haar inhoud voor een ieder die het erf overeenkomstig zijn aard en inrichting gebruikt van waarde moet kunnen zijn (par. 12.5.3). Deze discussie komt overeen met die ten aanzien van erfdienstbaarheden.
Beide benaderingen zullen hier worden besproken.