Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.3
6.3.6.3 Doorbreking van rechtsmiddelenverboden op grond van onjuiste toepassing van een rechtersregeling?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579472:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze 'doorbraakjurisprudentie' Snijders & Wendels 2003, nrs. 315-323, met verdere vindplaatsen.
Zie HR 28 mei 1999 (Heep/Heep), NJ 2000, 220 m.nt. JBMV.
Aldus ook de Conclusie van A-G Bakels (sub 2.5) bij het in de vorige noot genoemde arrest; zie in deze zin ook Hof Arnhem 14 oktober 2003, JBPr 2004,4 m.nt. E.L. Schaafsma-Bever-sluis. Anders: Wiersma 1998, nrs. 125-127.
Zie HR 20 maart 1992, NJ 1992, 475 en HR 5 juni 1998, NJ 1998, 626; in gelijke zin m.b.t. het tussentijds appèlverbod van art. 337 lid 2 Rv Hof 's-Hertogenbosch 1 juli 2003, JBPr 2004, 6 m.nt. C.T.M. Klaassen; Hof Leeuwarden 20 augustus 2003, NJF 2004, 40.
Zie hierover § 4.4.4.2 en § 4.4.4.3.
Wel zou eventueel denkbaar zijn dat bij of door de onjuiste toepassing van een rechtersregeling tevens een echte grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod aanwezig is, zoals met name de schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Een dergelijke situatie zou zich bijv. kunnen voordoen bij het niet of onjuist toepassen van Aanbeveling 1.3 van de Kring van Kantonrechters (zie voor de tekst van deze aanbeveling SMA 1997, p. 22-23), weUce aanbeveling betrekking heeft op de deugdelijke oproeping van de verweerder in een ontbindingsprocedure.
Zie Snijders & Wendels 2003, nr. 321. Zie ook HR 29 september 2000 (Kuijper/ING), NJ 2001,302 m.nt. PAS en HR 22 juni 2001 (K. /Van der Velden), NJ 2001,475 m.nt. PAS, waarin de Hoge Raad onder meer besliste dat een eventuele onjuiste toepassing van het bepaalde in art. 7:685 lid 1, laatste zin BW geen grond oplevert voor doorbreking van het in lid 11 van deze bepaling neergelegde rechtsmiddelenverbod.
In aansluiting op de voorgaande paragraaf kan de vraag gesteld worden of de daar besproken uitsluitingen van rechtsmiddelen doorbroken kunnen worden in gevallen waarin de rechter een (hem bindende) rechtersregeling onjuist of in het geheel niet heeft toegepast. Doorbreking van (specifieke) wettelijke rechtsmiddelenverboden wordt in de jurisprudentie immers mogelijk geacht indien wordt aangevoerd dat de desbetreffende bepaling ten onrechte is toegepast, ten onrechte buiten toepassing is gelaten, dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast.1
Ten aanzien van de rolbeschikking die volgt op het verzet tegen een wijziging van eis heeft de Hoge Raad uitdrukkelijk bepaald dat doorbreking van het in art. 134 lid 3 (oud, thans art. 130 lid 2) Rv opgenomen rechtsmiddelenverbod in het geheel niet mogelijk is, zelfs niet wanneer een van de hiervóór genoemde gronden voor doorbreking wordt aangevoerd.2 Aangenomen kan worden dat dit a fortiori heeft te gelden voor andere (echte) rolbeschikkingen als beslissingen waarbij termijnen voor het nemen van conclusies worden vastgesteld of een datum voor een comparitie of pleidooi wordt bepaald, nu zulke beslissingen eveneens - en zelfs in sterkere mate - van ondergeschikt belang te achten zijn.3 Doorbreking van het in art. 337 lid 2 Rv en art. 401a lid 2 Rv neergelegde appèl- en cassatieverbod ten aanzien van tussenuitspraken behoort, naar aan te nemen valt, evenmin tot de mogelijkheden. Voor de rekestprocedure heeft de Hoge Raad immers reeds beslist dat zijn 'doorbraakjurisprudentie' niet van toepassing is op de uitsluiting van het tussentijds appèl tegen tussenbeschikkingen in art. 429n lid 3 (oud, thans art. 358 lid 3) Rv.4 Ook afgezien van dit alles is overigens twijfelachtig of de onjuiste toepassing, dan wel het geheel achterwege blijven van toepassing van een rechtersregeling onder de gronden voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod valt te brengen. Bedacht moet immers worden dat een rechtersregeling steeds ertoe dient het geldende recht, zoals onder meer neergelegd in de wet, nader in te vullen.5 Zo hebben de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters inzake ontbindingsprocedures onder meer betrekking op de berekening van de 'billijke vergoeding' van art. 7:685 lid 8 BW, alsmede op de wijze waarop de laatste zin van lid 1 van dit artikel - tot 1 april 2002 inhoudend dat in bepaalde gevallen het verzoekschrift van de werkgever vergezeld diende te gaan van een reïntegratieplan - moest worden uitgelegd. Zou door een kantonrechter één van deze aanbevelingen verkeerd worden toegepast, of zelfs in het geheel niet worden toegepast, dan betekent dit nog niet dat hij daarmee ook 'buiten het toepassingsgebied' van deze bepaling treedt. Integendeel: de aanbevelingen dienen juist uit de aard der zaak binnen het toepassingsgebied daarvan te blijven. Hooguit zal dus sprake zijn van een onjuiste toepassing van art. 7:685 BW, zoals dat door de desbetreffende aanbeveling nader is 'genormeerd'. Dit laatste levert echter geen zelfstandige grond6 op voor doorbreking van het appèl- en cassatieverbod van art. 7:685 lid 11 BW.7