Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/101
101 Mogelijkheden om schadevergoeding te vorderen
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455812:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007, 432, m.nt. J.B.M. Vranken (Begaclaim/ Staat), waarover Dane 2009, p. 230-234. Zie ook Rb. Utrecht 28 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010: BM2763, NJF 2010, 221.
De Hoge Raad overwoog in r.o. 3.6.1: “Dit is een restrictief criterium, dat enerzijds is ingegeven door de gedachte dat een risicoaansprakelijkheid in die zin dat de Staat het risico draagt schade te moeten vergoeden, indien de strafvervolging ten slotte, om welke reden dan ook, niet tot een veroordeling leidt, niet kan worden aanvaard, en dat anderzijds verband houdt met de onwenselijkheid dat de burgerlijke rechter zich anders in de regel ertoe genoopt zou zien in een daarop niet toegesneden procedure vragen onder ogen te zien tot het beantwoorden waarvan bij uitstek de strafrechter is toegerust en geroepen, en die deze, in geval van vrijspraak, veelal reeds bij gewijsde heeft beantwoord (vgl. HR 29 april 1994, nr. 15280, NJ 1995, 727).” In zijn noot onder het arrest merkt Vranken op dat de strafrechter vrijspraak altijd baseert op het oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte het wel heeft gedaan, ook als wel is bewezen dat de verdachte het niet heeft gedaan. De civiele rechter zal dus onderscheid moeten maken tussen deze twee soorten vrijspraak.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond ontneemt aan het strafvorderlijk optreden krachtens een wettelijke bevoegdheid de onrechtmatigheid (art. 6:162 lid 2 BW). Indien achteraf blijkt dat geen rechtvaardiging voor het strafrechtelijk optreden van politie en justitie bestond, heeft de gewezen verdachte volgens de Hoge Raad in het arrest Begaclaim/Staat1twee mogelijkheden om schadevergoeding op grond van onrechtmatige overheidsdaad te vorderen:
In de eerste plaats kan zich het geval voordoen dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het thans in cassatie aan de orde gestelde geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv. heeft ontbroken.
In de tweede plaats kan zich, ongeacht of in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm is gehandeld, het geval voordoen dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak blijkt van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte.”
Irrelevant is volgens de Hoge Raad of dwangmiddelen zijn toegepast dan wel het strafrechtelijk optreden zich heeft beperkt tot opsporing en vervolging zonder de toepassing van dwangmiddelen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat aan het tweede criterium (het onschuldcriterium) pas is voldaan als blijkt dat de verdachte het strafbare feit niet heeft begaan; onvoldoende is het eindigen van het strafproces zonder veroordeling.2