Procestaal: Lets.
HvJ EU, 05-12-2024, nr. C-606/23
ECLI:EU:C:2024:1004
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
05-12-2024
- Magistraten
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-606/23
- Roepnaam
Tallinna Kaubamaja Grupp en KIA Auto
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:1004, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 05‑12‑2024
Uitspraak 05‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Mededinging — Mededingingsregelingen — Artikel 101, lid 1, VWEU — Verticale overeenkomsten — Beperking ‘naar gevolg’ — Overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties — Verplichting voor de mededingingsautoriteit om de mededingingsbeperkende gevolgen ervan te onderzoeken — Daadwerkelijke en potentiële gevolgen
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-606/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) bij beslissing van 2 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 4 oktober 2023, in de procedure
‘Tallinna Kaubamaja Grupp’ AS,
‘KIA Auto’ AS
tegen
Konkurences padome,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
‘Tallinna Kaubamaja Grupp’ AS en ‘KIA Auto’ AS, vertegenwoordigd door I. Azanda, advokāte,
- —
de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča en K. Pommere als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe, I. Naglis en D. Viros als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ‘Tallinna Kaubamaja Grupp’ AS en ‘KIA Auto’ AS enerzijds en de Konkurences padome (mededingingsautoriteit, Letland) anderzijds over een geldboete die is opgelegd wegens een verticale overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties.
Toepasselijke bepalingen
3
Artikel 11, lid 1, van de Konkurences likums (mededingingswet) van 4 oktober 2001 (Latvijas Vēstnesis, 2001, nr. 151) bepaalt:
‘Overeenkomsten tussen marktdeelnemers die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op het grondgebied van Letland wordt verhinderd, beperkt of vervalst, zijn verboden en nietig, waaronder in het bijzonder overeenkomsten met betrekking tot:
[…]
- 7)
handelen (of nalaten) als gevolg waarvan een andere marktdeelnemer wordt gedwongen een bepaalde markt te verlaten, of als gevolg waarvan de toetreding van een nieuwe marktdeelnemer tot een bepaalde markt wordt belemmerd.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
4
KIA Auto, een vennootschap naar Ests recht, is de enige erkende importeur van auto's van het merk KIA in Letland. Het bedrijf kiest en verleent goedkeuring aan erkende vertegenwoordigers die KIA-auto's verkopen en reparaties uitvoeren binnen de door de fabrikant of importeur verleende garantie.
5
Bij besluit van 7 augustus 2014 (hierna: ‘bestreden besluit’) heeft de mededingingsautoriteit vanwege een overtreding van het verbod in artikel 11, lid 1, punt 7, van de mededingingswet een geldboete van 134 514,43 EUR opgelegd aan KIA Auto, waarvan 96 150,92 EUR gezamenlijk en hoofdelijk is opgelegd aan haar moedermaatschappij Tallinna Kaubamaja Grupp.
6
De mededingingsautoriteit heeft vastgesteld dat KIA Auto, als door de autofabrikant erkende importeur van auto's van het merk KIA, en de distributeurs en erkende reparateurs van KIA-auto's (hierna: ‘erkende vertegenwoordigers’) afspraken hadden gemaakt over het opleggen van garantievoorwaarden aan auto-eigenaren die hen verplichtten of ertoe aanzetten om tijdens de garantieperiode elk periodiek onderhoud van de auto zoals voorzien door de KIA-fabrikant en niet onder de garantie vallende reparaties te laten uitvoeren door deze erkende vertegenwoordigers, en om bij periodiek onderhoud en reparaties tijdens de garantieperiode originele KIA-reserveonderdelen te gebruiken opdat de garantie van de auto geldig zou blijven.
7
De mededingingsautoriteit stelde in het bestreden besluit vast dat er sprake was van een verticale overeenkomst betreffende de garantievoorwaarden in het KIA-netwerk die de toegang van onafhankelijke reparateurs tot de Letse markt belemmert voor reparatiediensten die tijdens de garantieperiode niet onder de garantie vallen, en voorts de toegang belemmert van onafhankelijke fabrikanten van reserveonderdelen tot de markt van de distributie van deze onderdelen in Letland, wat de concurrentie op de markt van de distributie van reserveonderdelen belemmert.
8
De mededingingsautoriteit was van mening dat de vastgestelde overeenkomst tot gevolg had dat de mededinging werd beperkt en benadrukte hierbij dat de van toepassing zijnde bewijsstandaard geen bewijs van daadwerkelijke gevolgen vereiste. Volgens de mededingingsautoriteit vloeiden de negatieve gevolgen voor de mededinging namelijk voort uit de aard zelf van de beperkende voorwaarden en was het niet noodzakelijk om de werkelijke gevolgen aan te tonen.
9
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben tegen het besluit waarbij hun een geldboete werd opgelegd beroep ingesteld bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland), de verwijzende rechter, die dat beroep bij uitspraak van 10 maart 2017 heeft verworpen.
10
Verzoeksters in het hoofdgeding hebben cassatieberoep ingesteld bij de Senāta Administratīvo lietu departaments (hoogste rechterlijke instantie, afdeling bestuurszaken, Letland), die de uitspraak van de verwijzende rechter bij arrest van 22 december 2021 heeft vernietigd en de zaak heeft terugverwezen naar die rechter voor een nieuwe beslissing.
11
Volgens de Senāta Administratīvo lietu departaments had de verwijzende rechter zich op onjuiste criteria gebaseerd bij het onderzoek of in het boetebesluit afdoende was gemotiveerd dat de overeenkomst verboden was vanwege de gevolgen ervan, gezien de criteria die moeten worden toegepast bij mededingingsbeperkende gevolgen. Die hoogste rechterlijke instantie oordeelde derhalve dat de verwijzende rechter in die omstandigheden niet op juiste wijze had kunnen beoordelen of het besluit afdoende gemotiveerd was.
12
Op basis van de aanvullende opmerkingen die de mededingingsautoriteit had ingediend na het arrest van de hoogste rechter, merkt de verwijzende rechter op dat de lering uit dat arrest wezenlijk verschilt van die uit de rechtspraak van het Hof, zodat de inhoud van de mededingingsbeperking naar gevolg en de daaruit afgeleide bewijsstandaard niet duidelijk zijn. Hij acht het dan ook noodzakelijk om zich met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden teneinde opheldering te verkrijgen over vragen betreffende het bewijs van afspraken met mededingingsbeperkende gevolgen.
13
In het bijzonder moet volgens hem, zoals blijkt uit de opmerkingen van de mededingingsautoriteit, bij de toepassing en uitlegging van artikel 101 VWEU, en dus ook van artikel 11 van de mededingingswet, een soortgelijke benadering worden gevolgd als die van het Gerecht van de Europese Unie in het arrest van 10 november 2021, Google en Alphabet/Commissie (Google Shopping) (T-612/17, EU:T:2021:763), waarin het ging om een inbreuk op artikel 102 VWEU. In dat arrest heeft het Gerecht volgens de verwijzende rechter opgemerkt dat de Europese Commissie niet hoeft aan te tonen dat de mogelijke gevolgen van de uitschakeling of beperking van de mededinging zich feitelijk hebben voorgedaan, maar dat het volstaat dat zij het bestaan van potentiële gevolgen aantoont. Uit dat arrest volgt zijns inziens dus dat bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst voor de mededinging, het onderzoek van alle relevante omstandigheden in een concrete zaak niet hoeft te worden gereduceerd tot de vaststelling dat er specifieke en meetbare negatieve gevolgen voor de mededinging zijn, omdat een dergelijke benadering de betrokken mededingingsautoriteit de facto de mogelijkheid zou ontnemen om een einde te maken aan mededingingsbeperkingen die nog niet hebben geleid tot negatieve gevolgen die feitelijk aanwijsbaar zijn.
14
In deze omstandigheden heeft de Administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet de mededingingsautoriteit volgens artikel 101, lid 1, VWEU het bestaan van feitelijke en concrete mededingingsbeperkende gevolgen (actual/real restrictive effects on competition) aantonen voor de vaststelling dat er sprake is van een overeenkomst die voorziet in beperkingen met betrekking tot autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto alleen door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft?
- 2)
Volstaat het volgens artikel 101, lid 1, VWEU voor de vaststelling dat er sprake is van een in de eerste prejudiciële vraag bedoelde overeenkomst dat de mededingingsautoriteit enkel het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aantoont (potential restrictive effects on competition)?’
Bevoegdheid van het Hof
15
De verwijzende rechter merkt op dat de toepassing van artikel 11, lid 1, van de mededingingswet niet mag verschillen van die van artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien deze twee bepalingen een in wezen analoog juridisch kader vormen. Daarom moet rekening worden gehouden met de overwegingen van het Hof met betrekking tot de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU.
16
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof dus in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise C-306/20, EU:C:2021:935, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17
Het is echter evenzeer vaste rechtspraak dat het Hof, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is benaderd (arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise, C-306/20, EU:C:2021:935, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
Het Hof heeft zich herhaaldelijk bevoegd verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende Unierechtelijke bepalingen in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de directe werkingssfeer van het Unierecht vielen, voor zover die bepalingen toepasselijk waren gemaakt door de nationale wettelijke regeling, die zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeerde aan de in het Unierecht gekozen oplossingen (arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise C-306/20, EU:C:2021:935, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
Een dergelijke bevoegdheid is gerechtvaardigd door het evidente belang voor de rechtsorde van de Unie dat, ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de uit het Unierecht overgenomen bepalingen uniform worden uitgelegd (arrest van 13 oktober 2022, Baltijas Starptautiskā Akadēmija en Stockholm School of Economics in Riga, C-164/21 en C-318/21, EU:C:2022:785, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
In de onderhavige zaak blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het rechtskader van artikel 11, lid 1, van de mededingingswet identiek is aan dat van artikel 101, lid 1, VWEU en dat dit nationale artikel in de Letse rechtsorde op dezelfde wijze wordt uitgelegd als artikel 101, lid 1, VWEU. Voorts zij eraan herinnerd dat het Hof zich al bevoegd heeft verklaard om uitspraak te doen op verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU in situaties waarin artikel 11, lid 1, van de mededingingswet van toepassing was ongeacht of de handel tussen de lidstaten werd beïnvloed (zie in die zin arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise, C-306/20, EU:C:2021:935, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Daaruit volgt dat het Hof bevoegd is om in de onderhavige zaak uitspraak te doen over de vragen betreffende de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
22
Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het de mededingingsautoriteit van een lidstaat die onderzoekt of een overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto enkel door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft, als mededingingsbeperkend naar gevolg kan worden aangemerkt in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, verplicht om het bestaan van concrete en reële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen, dan wel of zij ermee kan volstaan het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen.
23
Hierbij moet eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 101, lid 1, VWEU onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
24
Om in een bepaald geval te kunnen vaststellen dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, dient volgens de bewoordingen van die bepaling te worden aangetoond, ofwel dat een dergelijk gedrag ertoe strekt dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, ofwel dat dit gedrag zulks ten gevolge heeft (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Daartoe dient in een eerste fase de strekking van het betrokken gedrag te worden onderzocht. Indien een dergelijk onderzoek uitwijst dat dit gedrag een mededingingsbeperkende strekking heeft, hoeven de gevolgen ervan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Enkel ingeval het betrokken gedrag niet kan worden geacht een dergelijke mededingingsbeperkende strekking te hebben, is het dus noodzakelijk om in een tweede fase die gevolgen te onderzoeken (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Het onderzoek dat moet worden verricht verschilt naargelang het betrekking heeft op de vraag of het betrokken gedrag ‘ertoe strekt’ de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, dan wel op de vraag of dat gedrag zulks ‘ten gevolge heeft’, waarbij elk van beide begrippen aan een ander rechts- en bewijsregime is onderworpen (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
De verwijzende rechter, die uitgaat van de premisse — waarvan hij de juistheid dient na te gaan — dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst er niet toe strekt de mededinging te beperken, geeft in het onderhavige geval aan dat hij moet beoordelen of die overeenkomst een mededingingsbeperkend gevolg heeft.
28
In dat verband is het vaste rechtspraak dat het begrip gedrag met mededingingsbeperkende ‘gevolgen’ elk gedrag omvat dat niet kan worden beschouwd als gedrag met een mededingingsbeperkende ‘strekking’, mits wordt aangetoond dat het daadwerkelijk of potentieel tot gevolg heeft dat de mededinging aanzienlijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29
Daartoe moet de mededinging worden onderzocht binnen het feitelijke kader waarin zij zich zou afspelen zonder de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging in kwestie (arresten van 18 november 2021, Visma Enterprise, C-306/20, EU:C:2021:935, punt 74, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C-124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij moet worden bepaald op welke markt of markten dat gedrag zijn gevolgen moet teweegbrengen, en dienen die gevolgen vervolgens te worden gekwalificeerd, ongeacht of die gevolgen reëel dan wel potentieel zijn. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden.
30
Bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen in het licht van artikel 101 VWEU moet dus rekening worden gehouden met het concrete kader van deze overeenkomst, met name de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en zijn opgebouwd. Hieruit volgt dat het contrafeitelijke scenario waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokken overeenkomst niet zou bestaan, realistisch en geloofwaardig moet zijn (arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C-176/19 P, EU:C:2024:549, punt 341 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Het Hof heeft in dit verband reeds kunnen verduidelijken dat de vaststelling van het contrafeitelijke scenario tot doel heeft om te bepalen wat de realistische gedragsmogelijkheden van de economische actoren zouden zijn zonder de betrokken overeenkomst, en aldus te bepalen wat de waarschijnlijke werking en de structuur van de markt zouden zijn indien de betrokken overeenkomst niet zou zijn gesloten [arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C-307/18, EU:C:2020:52, punt 120, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C-306/20, EU:C:2021:935, punt 76].
32
Het feit dat het contrafeitelijke scenario zowel realistisch als geloofwaardig moet zijn, doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om rekening te houden met de zuiver potentiële gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen bij het onderzoek of deze een mededingingsbeperking naar gevolg vormt. Het Hof heeft in dit verband met name geoordeeld dat de opvatting dat zodra een overeenkomst ten uitvoer is gelegd, geen rekening meer mag worden gehouden met de potentiële gevolgen ervan om de mededingingsbeperkende gevolgen ervan te beoordelen, zowel voorbijgaat aan de kenmerken van de contrafeitelijke methode, die inherent is aan de beoordeling van een mededingingsbeperking naar gevolg, als aan de rechtspraak waarin is bepaald dat mededingingsbeperkende gevolgen zowel actueel als potentieel kunnen zijn, maar voldoende merkbaar moeten zijn (zie in die zin arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C-176/19 P, EU:C:2024:549, punten 345–353).
33
Het volstaat dus dat er, na een passend onderzoek van de mededinging binnen het feitelijke kader waarin zij zich zonder de betrokken overeenkomst zou afspelen, potentiële mededingingsbeperkende gevolgen kunnen worden vastgesteld die voldoende merkbaar zijn (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C-7/95 P, EU:C:1998:256, punten 77 en 78, en New Holland Ford/Commissie, C-8/95 P, EU:C:1998:257, punten 91 en 92).
34
In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de mededingingsautoriteit op de juiste wijze heeft onderzocht hoe de mededinging zich binnen het feitelijke kader zou afspelen zonder de gevolgen van de betrokken overeenkomst, door de markten af te bakenen waarop deze overeenkomst gevolgen sorteert, en door deze merkbare gevolgen aan te wijzen, ongeacht of dit reële dan wel potentiële gevolgen zijn.
35
Het Hof heeft overigens in punten 65 en 66 van het arrest van 6 oktober 2015, Post Danmark (C-23/14, EU:C:2015:651), geoordeeld dat, om vast te stellen of een bepaalde handelswijze misbruik vormt in de zin van artikel 82 EG (thans artikel 102 VWEU), zij een mededingingsbeperkend gevolg op de markt moet hebben, maar dat niet vereist is dat dit gevolg concreet is en ermee kan worden volstaan aan te tonen dat er sprake is van een potentieel mededingingsbeperkend gevolg dat concurrenten die minstens even efficiënt zijn als de onderneming met een machtspositie, kan uitsluiten van de betrokken markt.
36
De uitlegging van artikel 101 VWEU zoals vastgelegd in de in de punten 28 en 33 hierboven aangehaalde rechtspraak, volgens welke ermee kan worden volstaan het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen en met name gevolgen die de markttoetreding van potentiële concurrenten belemmeren, komt aldus overeen met de uitlegging die aan artikel 102 VWEU is gegeven in de in het vorige punt van dit arrest aangehaalde rechtspraak.
37
Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het de mededingingsautoriteit van een lidstaat die onderzoekt of een overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto enkel door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft, als mededingingsbeperkend naar gevolg kan worden aangemerkt in de zin van die bepaling, niet verplicht om het bestaan van concrete en reële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen. Deze autoriteit kan er overeenkomstig deze bepaling mee volstaan om het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen, mits deze voldoende merkbaar zijn.
Kosten
38
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het de mededingingsautoriteit van een lidstaat die onderzoekt of een overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto enkel door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft, als mededingingsbeperkend naar gevolg kan worden aangemerkt in de zin van die bepaling, niet verplicht om het bestaan van concrete en reële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen. Deze autoriteit kan er overeenkomstig deze bepaling mee volstaan om het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen, mits deze voldoende merkbaar zijn.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2024