Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/1.8.3
1.8.3 Twee dimensies
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483372:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Stevens 2005, p. 2. Zie ook de omschrijving in de Australische rechtspraak (Parry-Jones t. Law Society and Others [1969] 1 Ch 1 per Diplock LJ at 9, als geciteerd in het rapport van de Queensland Law Reform Commission, The abrogation of the privilege against self incrimination (2004), p. 2): ‘a right to withhold from a court, or a tribunal exercising judicial functions, material which would otherwise be admissible in evidence’.
Ik abstraheer van de derde optie, te weten de onjuiste medewerking door valselijk te verklaren, valse stukken op te maken en als echt te gebruiken enz. In het in § 1.3.3 geschetste trilemma als (historische) grondslag voor het nemo tenetur-beginsel is meineed een zelfstandige grond binnen het (gewetens)conflict van de verdachte. (Bewust) onjuiste informatieverstrekking in belastingzaken wordt op grond van de AWR echter gelijkgesteld met de weigering om mee te werken. In die zaken kan dus worden uitgegaan van een dilemma voor de verdachte.
Meer precies kan hierover worden gezegd dat deze uitweg voor de verdachte betekent dat in plaats van de zekerheid te worden gestraft (ook als hij niet schuldig is), daardoor de zekerheid ontstaat dat hij niet wordt gestraft (ook als hij wel schuldig is) op basis van de gevraagde informatie.
Het nemo tenetur-beginsel is niet alleen een bewijsregel, maar ook een strafuitsluitingsgrond. Vgl. Hieltjes 1995, die een relatie legt tussen (een beroep op) het zwijgrecht en avas. Ik ga hier verder niet op in.
Vgl. Stevens 2005, p. 103. Reijntjes 1996, p. 9, geeft als omschrijving dat de verdachte niet verplicht is om mee te werken aan zijn proces. Buruma 2003 omschrijft het beginsel als dat niemand gehouden kan worden tegen zichzelf te getuigen. In gelijke zin Hieltjes 1995.
Van Russen Groen/Trotman 2002, p. 96.
Vgl. Koops 2000, p. 50, die als omschrijving geeft dat niemand mag worden gedwongen (actief of passief) bewijs te leveren dat tegen hem wordt of zal worden gebruikt. Melai/Groenhuijsen, aant. 5.24 bij art. 271, omschrijven het als het beginsel dat de (potentiële) verdachte (of: niemand) verplicht is mee te werken aan zijn veroordeling, maar wel moet dulden dat tegen hem maatregelen worden ingezet.
Terwijl de onschuldpresumptie onschuldigen beschermt, kan dit niet zonder meer worden gezegd over het zwijgrecht: wie onschuldig is, hoeft zich in een perfect functionerend strafrechtsysteem immers niet op dat recht te beroepen.
De problematiek die de samenloop in punitieve belastingzaken van een meewerkplicht met het in art. 6 EVRM belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting oproept, concentreert zich uiteindelijk rond de beperkingen die het daaraan ten grondslag liggende nemo tenetur-beginsel oplegt aan de bewijsgaring bij de verdachte en de (latere) bewijsvoering tegen hem.1 Wanneer zowel de voldoening door een burger aan de meewerkverplichtingen in de heffings-, boete- of fiscaal-strafvorderlijke sfeer als de weigering daaraan te voldoen impliceert dat de overheid hem (mogelijk) zal bestraffen vanwege de overtreding van een voorschrift, dan ziet de burger zich gesteld voor een dilemma.2 Nemo tenetur biedt de verdachte burger een uitweg uit dit dilemma door hem te vrijwaren van bepaalde (met sancties bedreigde) meewerkverplichtingen, in die zin, dat hij niet mag worden bestraft als hij die niet nakomt.3 Een alternatieve, hiermee strokende invulling van nemo tenetur is dat de van de verdachte verkregen (belastende) informatie wordt uitgesloten voor het bewijs van de overtreding van een (fiscaal) voorschrift.4
Bewijsgaring bij de verdachte
Voor de bewijsgaring bij de verdachte lijkt vooral van belang het onderscheid tussen het actief moeten meewerken aan de bewijsgaring, in tegenstelling tot het juist niet hoeven meewerken daaraan. Dit onderscheid is althans een veel gebruikte afbakening voor de gelding van het nemo tenetur-beginsel.5 In de ruime uitleg van het beginsel hoeft een verdachte op geen enkele manier aan zijn eigen veroordeling mee te werken. Wordt het beginsel beperkt opgevat, dan omvat het alleen de vrijheid van de verdachte om niet te antwoorden op vragen van de overheid.6 In deze opvatting valt het beginsel samen met het zwijgrecht. In de ruime uitleg vallen ook andere meewerkverplichtingen dan het afleggen van een verklaring binnen het toepassingsbereik van het beginsel. Dan dient zich ook de vraag aan welk (bewijs)materiaal erbinnen valt.
Bewijsvoering tegen de verdachte
Voor de bewijsvoering tegen de verdachte lijkt bovendien van belang of het aldus verkregen bewijs (mogelijk) op belastende wijze tegen hem wordt gebruikt. Uit de verschillende omschrijvingen van nemo tenetur volgt althans dat het betrekking heeft op (het voorkomen van) het gebruik in een strafzaak van bewijsmateriaal dat van de verdachte zelf is afgedwongen.7 Dit voedt de gedachte dat het beginsel een procedurele waarborg tegen zelfbelasting in de bewijssfeer is. Het is verwant met de onschuldpresumptie, op grond waarvan de verdachte geacht wordt onschuldig te zijn, totdat zijn schuld (door de vervolgende autoriteiten) bewezen wordt.8 Van een inbreuk op het beginsel lijkt geen sprake als de verdachte weliswaar wordt gedwongen om mee te werken aan een onderzoek, maar de vruchten ervan niet kunnen bijdragen aan de bewijsvoering tegen hem. Nemo tenetur functioneert dan als ‘exclusionary rule’.