Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.9.1
9.4.9.1 Inleiding
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192508:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Besproken in nr. 64 en 68.
Vgl. Mennens & Veder 2015, §4.2.4: “De mogelijkheden van het akkoord lijken slechts begrensd door de creativiteit van de schuldenaar. De wetgever zal alle mogelijke scenario’s nog niet kunnen overzien. Daarom is de belangrijkste vraag of de rechter over voldoende mogelijkheden beschikt de algemeenverbindendverklaring te weigeren, wanneer de Doos van Pandora opengaat.”
Vgl. de relevante test in voetnoot 8 bij nummer 481.
Zie Re The British Aviation Insurance Co Ltd [2005] EWHC 1621 (Ch), nr. 75.
Re Telewest Communications Plc [2004] EWHC 1466 (Ch), nr. 21.
In British Aviation kwam de rechter niet toe aan het fairness issue, omdat de klassenindeling onjuist was. Over de inhoud van de scheme overwoog Lewison ten overvloede in nr. 143: “[I]t seems to me to be unfair to require the manufacturers who have bought insurance policies designed to cast the risk of exposure to asbestos claims on insurers to have that risk compulsorily retransferred to them. The Company is in the risk business; and they are not. This is not a case of an insolvent company to which quite different considerations apply. On the evidence presented to me the Company is able to meet its liabilities under such policies as and when they fall due. The purpose of the scheme is to allow surplus funds to be returned to shareholders in preference to satisfying the legitimate claims of creditors. No matter how usable and reasonable an estimate may be, the very fact that it is an estimate is likely to make in an inaccurate forecast of the actual liabilities of policyholders. If individual policyholders wish to compound the Company’s contingent liabilities to them, and to accept payment in full of an estimate of their claims, there is nothing to stop them doing so. But to compel dissentients to do so would, in the words of Bowen LJ, require them to do that which it is unreasonable to require them to do.” Na British Aviation zijn er wel degelijk ‘solvent run off’ schemes aangeboden door verzekeringsmaatschappijen én gehomologeerd, zie daarover verder Totty, Moss & Segal 2019, C-30.
Vgl. Re Boart Longyear Ltd [2017] NSWC 567 en Re Boart Longyear Ltd [2017] NSWSC 1105, waarover Apáthy & Rich 2017.
515. Art. 384 lid 2 sub i Fw geeft de rechter de bevoegdheid de homologatie te weigeren wanneer er “andere redenen zijn die zich tegen homologatie verzetten”. De rechter mag deze algemene weigeringsgrond ambtshalve toepassen. In het kader van het surseance- en faillissementsakkoord heeft de rechter een ruime bevoegdheid tot (ambtshalve) weigering. In de WHOA wordt echter niet aangesloten bij de formulering van art. 153 lid 3 en 272 lid 3 Fw, waarin is bepaald dat de rechtbank “ook op andere gronden en ook ambtshalve” de homologatie kan weigeren.1
Op basis van de tekst van art. 384 lid 2 sub i Fw heeft de rechter een wettelijke bevoegdheid de homologatie te weigeren, wanneer hij daartoe – om welke reden dan ook – aanleiding ziet. Hij is daarbij niet gebonden aan een limitatieve lijst van gronden. De toelichting werkt niet uit wat zoal onder mogelijke ‘andere redenen’ kan worden geschaard. Een nadeel van een dergelijke open norm is dat partijen minder zekerheid hebben zodat de deal certainty onder druk staat. Op voorhand valt niet goed te voorspellen of de rechter nog andere redenen ziet om homologatie te weigeren. Desalniettemin meen ik dat de rechter deze ruimte, net zoals in surseance en faillissement, moet hebben om zo nodig tegenwicht te kunnen bieden aan de ruime vrijheid die de aanbieder bij het formuleren en de totstandkoming van het akkoord heeft.2 De wetgever kan onmogelijk alle mogelijke scenario’s overzien. De open norm van art. 384 lid 2 sub i Fw biedt zo bezien een ultieme veiligheidsklep om zoveel mogelijk te waarborgen dat geen onbillijke akkoorden tot stand komen.
Deze discretionaire bevoegdheid zou aansluiten bij het Engelse recht, dat een ‘fairness test’ kent. De Engelse rechter heeft tijdens de homologatiefase “unfettered discretion” om een scheme of arrangement al dan niet te homologeren. De rechter onderzoekt of een “intelligent and honest man, a member of the class concerned and acting in respect of his interest” redelijkerwijs zou instemmen met het akkoordvoorstel.3 De test is uitdrukkelijk niet of de tegenstemmers redelijke bezwaren tegen het akkoord hebben.4 De rechter onderzoekt evenmin of het akkoordvoorstel het enige of het best mogelijke voorstel bevat.5 Zoals besproken in nr. 498 staat creditor democracy erg hoog in het vaandel van de Engelsen. In British Aviation6 en Boart Longyear7 hintte de rechter echter op ‘fairness issues’ vanwege de inhoud van het akkoord. De scheme werd om die reden ná de stemming over de scheme en vóór de homologatiebeslissing op belangrijke punten gewijzigd. De gewijzigde scheme kon de fairness test wél doorstaan. Schemes worden overigens zelden geweigerd vanwege fairness issues. Dat heeft er mee te maken dat de aanbieder van een scheme niet het risico wil lopen dat er een fairness issue blijkt in de homologatiefase, het sluitstuk van een lang, complex en duur onderhandelingstraject. Bij een scheme staat simpelweg te veel op het spel. Van de fairness toets gaat in die zin een soort preventieve werking uit. De test is dus geenszins overbodig. De toets is een veiligheidsklep, die de rechter in die gevallen waarin het nodig is de ruimte geeft homologatie te weigeren.
In deze paragraaf zet ik een aantal mogelijke gronden voor afwijzing van het homologatieverzoek op grond van art. 384 lid 2 sub i Fw uiteen. Een deel van deze gronden is geïnspireerd op de Engelse rechtspraak, de noodzaak van een ander deel van deze weigeringsgronden kwam in de hoofdstukken 4 t/m 8 naar voren. De voorbeelden zijn uiteraard slechts illustratief, niet limitatief.