NJB 2026/709:Doen van afstand van het recht op rechtsbijstand door kwetsbare verdachte: herhaling en toepassing HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556. In casu heeft de raadsvrouw het verweer gevoerd dat de op verdenking van diefstal aangehouden verdachte als kwetsbaar had moeten worden aangemerkt en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat zij aan psychoses leed en daarvoor onder behandeling was, en dat zij, terwijl zij geen kinderen heeft, de fopspeen heeft weggenomen omdat een speen ‘prettig’ is. De raadsvrouw heeft ook naar voren gebracht dat de verdachte bij haar voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie niet heeft gereageerd op de vraag of zij bij het verhoor bijstand van een advocaat wilde hebben. De verwerping van dit verweer door het hof is ontoereikend gemotiveerd en dat geldt ook voor ’s hofs kennelijke oordeel dat de verdachte rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand.