Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:162 BW:Onrechtmatige daad
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:162 BW
Onrechtmatige daad
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 07-01-2026
Actueel t/m
07-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:162 BW
Art. 6:162 BW kent vijf elementen waaraan voldaan moet zijn voor het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding:
1.
onrechtmatige daad;
2.
toerekenbaarheid;
3.
schade;
4.
relativiteit; en
5.
causaal verband.
Voor de stelplicht en bewijslastverdeling ten aanzien van de laatste drie elementen wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:97 BW, het commentaar op art. 6:98 BW en het commentaar op art. 6:163 BW.
Onrechtmatig handelen
De stelplicht en de bewijslast van feiten waaruit volgt dat de aangesprokene onrechtmatig heeft gehandeld rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde. Dat berust daarop dat hij het rechtsgevolg inroept te weten het ontstaan van een op de aangesprokene rustende verbintenis tot schadevergoeding.
Afhankelijk van de onrechtmatigheidscategorie zal de benadeelde dus feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat sprake is van inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij inbreuk op een recht zal de benadeelde zowel feiten moeten stellen en bewijzen waaruit (het ontstaan van) zijn subjectief recht volgt als waaruit de inbreuk daarop volgt.1 Als de aangesprokene zich op het standpunt stelt dat dat recht sindsdien teniet is gegaan of dat het op hem is overgegaan of dat het recht door een hem toekomend zakelijk recht wordt beperkt, ligt het op zijn weg de daartoe benodigde feiten te stellen en te bewijzen.2 Dat betoog houdt immers als zodanig geen betwisting in van de feiten waaruit het subjectieve recht van de benadeelde is ontstaan, maar het verweer dat het teniet is gegaan ten gevolge van bepaalde feiten die zich nadien hebben voorgedaan. De aangesprokene beroept zich dan op het rechtsgevolg van de door hem daartoe gestelde feiten (het teniet of overgaan van het recht) en heeft daarvan overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast. Voor zover het gaat om strijd met geschreven of ongeschreven normen moet de benadeelde feiten stellen en bewijzen waaruit volgt dat aan alle elementen voor de normovertreding is voldaan.3
Toerekenbaarheid
Wat betreft de toerekenbaarheid ligt het eveneens in beginsel op de weg van de benadeelde de daartoe benodigde feiten te stellen en te bewijzen.4 Toerekenbaarheid is immers een onderdeel van de vereisten van art. 6:162 BW, en is āĀ anders dan bij schadevergoeding wegens wanprestatie (art. 6:74 lid 1 BW)Ā ā niet als een ātenzij-bepalingā geformuleerd.5 Zo rust de bewijslast dat de aangesprokene een verwijt kan worden gemaakt volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde.6 Aangenomen wordt evenwel dat de toerekenbaarheid in de vorm van schuld vaak zozeer voor de hand ligt en uit de onrechtmatigheid voortvloeit dat de toerekenbaarheid bij wege van feitelijk vermoeden uit de onrechtmatigheid kan worden afgeleid. Het ligt dan op de weg van de aangesprokene om dat vermoeden gemotiveerd te weerspreken en tegenbewijs te leveren.7
Als alternatief suggereert Sieburgh nog een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van de aangesprokene, bij voldoen waaraan de bewijslast alsnog op de benadeelde rust.8
Of de onrechtmatige daad kan worden toegerekend op grond van de wet of de in het verkeer geldende opvattingen is een rechtsvraag voor de beantwoording waarvan in beginsel geen bewijs behoeft te worden geleverd. Voor zover voor de (bevestigende) beantwoording daarvan bepaalde feiten relevant zijn, rusten de stelplicht en de bewijslast daarvan op de benadeelde.9
Rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden
Door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond verliest een in beginsel onrechtmatige daad haar onrechtmatige karakter.10 Het ligt op de weg van de aangesprokene die zich op een rechtvaardigingsgrond beroept de daartoe benodigde feiten te stellen en zo nodig te bewijzen.11 In de tekst van art. 6:162 lid 2 BW ligt dat besloten in de slottournure ābehoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrondā. Het beroep op een rechtvaardigingsgrond is daardoor bij wege van wetsduiding een (bevrijdend) verweer. Bij handelen in strijd met ongeschreven recht is overigens niet steeds scherp waar het omslagpunt ligt tussen door de benadeelde te stellen en te bewijzen feiten waaruit de onrechtmatigheid volgt en de door de gedaagde te stellen en te bewijzen feiten waaruit de rechtvaardigingsgrond volgt. Dat komt omdat de rechtvaardigingsgrond soms in de formulering van de zorgvuldigheidsnorm is verdisconteerd.
Een beroep op een rechtvaardigingsgrond moet worden onderscheiden van een beroep op een schulduitsluitingsgrond (zoals noodweerexces; onbevoegd gegeven ambtelijk bevel), hoewel de grenzen soms vaag zijn.12 In het eerste geval stelt de aansprakelijkgestelde dat zijn daad niet onrechtmatig is en daarom, op grond van het ābehoudensā van lid 2 niet tot schadevergoeding verplicht. Art. 6:162 lid 3 BW kent niet een dergelijke uitzonderingsclausule ten aanzien van de toerekenbaarheid of meer in het bijzonder de schuld. Ook de wetsgeschiedenis zwijgt hierover.13 Voor zover het betoog van de aangesprokene neerkomt op een beroep op een schulduitsluitingsgrond, bestaat daarom geen (wettelijke) grond om dat aan te merken als een (bevrijdend) verweer maar moet dat worden aangemerkt als een (gemotiveerde) betwisting van de toerekenbaarheid in de vorm van schuld.14 De gehoudenheid van de aansprakelijkgestelde om deze betwisting van schuld te motiveren, houdt niet in dat op hem de bewijslast rust ten aanzien van de afwezigheid van schuld.15 Omdat evenwel wordt aangenomen (zie hiervoor) dat de toerekenbaarheid in de vorm van schuld vaak zozeer voor de hand ligt en uit de onrechtmatigheid voortvloeit dat de schuld bij wege van feitelijk vermoeden uit de onrechtmatigheid kan worden afgeleid, is het veelal aan de aangesprokene om in het kader van tegenbewijs de feiten die tot het aanvaarden van de schulduitsluitingsgrond kunnen leiden, aannemelijk te maken.
Asser lijkt dit over het hoofd te zien, waar hij schrijft dat de verweerder de stelplicht heeft ter zake van āovermacht waardoor een onrechtmatige daad of wanprestatie niet aan de verweerder kan worden toegerekendā, in: Asser, Bewijslastverdeling (BPP nr. 3) 2025/27. Anders is het bijv. ook bij art. 185 WVW, ingevolge welke bepaling houder of eigenaar van het motorrijtuig aansprakelijk is ātenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmachtā; ingevolge die tenzij-bepaling verschuift de bewijslast van de afwezigheid van schuld (overmacht) wel naar de aansprakelijkgestelde. Volgens de Hoge Raad is er geen aanleiding die wijze van bewijslastverdeling ook van toepassing te achten in gevallen dat de Wegenverkeerswet niet van toepassing is (HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2834, NJ 1999/245, rov. 3.3.2).
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/107; in HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2834, NJ 1999/245, rov. 3.3.3 wilde de Hoge Raad (nog) niet van zoān verzwaarde motiveringsplicht weten, hoewel die overweging ook gelezen moet worden in het licht van de door het middel bepleite, maar door de Hoge Raad afgewezen, analoge toepassing van art. 7:658 BW.
Enigszins anders Asser/Sieburgh 6-IV 2023/126 slot, waar het zo is verwoord dat partijen feiten moeten aanvoeren waaraan de rechter aanknopingspunten kan ontlenen voor de beantwoording van de rechtsvraag.
Vergelijk Asser/Sieburgh 6-IV 2023/113 en M.E. Franke, Over de grens van de onrechtmatige daad (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 354 e.v. (par. 9.2.1).
Anders Boonekamp in de vorige druk, onder verwijzing naar Jansen, die de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van de schulduitsluitingsgrond op de benadeelde legt, en Manders, GS Onrechtmatige daad, art. 6:169, aant. 1.5.4, volgens wie de stelplicht ten aanzien van zowel een rechtvaardigingsgrond als een schulduitsluitingsgrond ligt op degene die zich op het een of het ander beroept.
C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad (diss. Groningen), p. 168, onder verwijzing naar HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2732, NJ 1999/195 m.nt. Bloembergen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:162 BW
Onrechtmatige daad
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 07-01-2026
07-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:162 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 162
Algemeen
Art. 6:162 BW kent vijf elementen waaraan voldaan moet zijn voor het ontstaan van een verbintenis tot schadevergoeding:
onrechtmatige daad;
toerekenbaarheid;
schade;
relativiteit; en
causaal verband.
Voor de stelplicht en bewijslastverdeling ten aanzien van de laatste drie elementen wordt verwezen naar het commentaar op art. 6:97 BW, het commentaar op art. 6:98 BW en het commentaar op art. 6:163 BW.
Onrechtmatig handelen
De stelplicht en de bewijslast van feiten waaruit volgt dat de aangesprokene onrechtmatig heeft gehandeld rusten overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde. Dat berust daarop dat hij het rechtsgevolg inroept te weten het ontstaan van een op de aangesprokene rustende verbintenis tot schadevergoeding.
Afhankelijk van de onrechtmatigheidscategorie zal de benadeelde dus feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat sprake is van inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij inbreuk op een recht zal de benadeelde zowel feiten moeten stellen en bewijzen waaruit (het ontstaan van) zijn subjectief recht volgt als waaruit de inbreuk daarop volgt.1 Als de aangesprokene zich op het standpunt stelt dat dat recht sindsdien teniet is gegaan of dat het op hem is overgegaan of dat het recht door een hem toekomend zakelijk recht wordt beperkt, ligt het op zijn weg de daartoe benodigde feiten te stellen en te bewijzen.2 Dat betoog houdt immers als zodanig geen betwisting in van de feiten waaruit het subjectieve recht van de benadeelde is ontstaan, maar het verweer dat het teniet is gegaan ten gevolge van bepaalde feiten die zich nadien hebben voorgedaan. De aangesprokene beroept zich dan op het rechtsgevolg van de door hem daartoe gestelde feiten (het teniet of overgaan van het recht) en heeft daarvan overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast. Voor zover het gaat om strijd met geschreven of ongeschreven normen moet de benadeelde feiten stellen en bewijzen waaruit volgt dat aan alle elementen voor de normovertreding is voldaan.3
Toerekenbaarheid
Wat betreft de toerekenbaarheid ligt het eveneens in beginsel op de weg van de benadeelde de daartoe benodigde feiten te stellen en te bewijzen.4 Toerekenbaarheid is immers een onderdeel van de vereisten van art. 6:162 BW, en is āĀ anders dan bij schadevergoeding wegens wanprestatie (art. 6:74 lid 1 BW)Ā ā niet als een ātenzij-bepalingā geformuleerd.5 Zo rust de bewijslast dat de aangesprokene een verwijt kan worden gemaakt volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde.6 Aangenomen wordt evenwel dat de toerekenbaarheid in de vorm van schuld vaak zozeer voor de hand ligt en uit de onrechtmatigheid voortvloeit dat de toerekenbaarheid bij wege van feitelijk vermoeden uit de onrechtmatigheid kan worden afgeleid. Het ligt dan op de weg van de aangesprokene om dat vermoeden gemotiveerd te weerspreken en tegenbewijs te leveren.7
Als alternatief suggereert Sieburgh nog een verzwaarde motiveringsplicht aan de zijde van de aangesprokene, bij voldoen waaraan de bewijslast alsnog op de benadeelde rust.8
Of de onrechtmatige daad kan worden toegerekend op grond van de wet of de in het verkeer geldende opvattingen is een rechtsvraag voor de beantwoording waarvan in beginsel geen bewijs behoeft te worden geleverd. Voor zover voor de (bevestigende) beantwoording daarvan bepaalde feiten relevant zijn, rusten de stelplicht en de bewijslast daarvan op de benadeelde.9
Rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden
Door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond verliest een in beginsel onrechtmatige daad haar onrechtmatige karakter.10 Het ligt op de weg van de aangesprokene die zich op een rechtvaardigingsgrond beroept de daartoe benodigde feiten te stellen en zo nodig te bewijzen.11 In de tekst van art. 6:162 lid 2 BW ligt dat besloten in de slottournure ābehoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrondā. Het beroep op een rechtvaardigingsgrond is daardoor bij wege van wetsduiding een (bevrijdend) verweer. Bij handelen in strijd met ongeschreven recht is overigens niet steeds scherp waar het omslagpunt ligt tussen door de benadeelde te stellen en te bewijzen feiten waaruit de onrechtmatigheid volgt en de door de gedaagde te stellen en te bewijzen feiten waaruit de rechtvaardigingsgrond volgt. Dat komt omdat de rechtvaardigingsgrond soms in de formulering van de zorgvuldigheidsnorm is verdisconteerd.
Een beroep op een rechtvaardigingsgrond moet worden onderscheiden van een beroep op een schulduitsluitingsgrond (zoals noodweerexces; onbevoegd gegeven ambtelijk bevel), hoewel de grenzen soms vaag zijn.12 In het eerste geval stelt de aansprakelijkgestelde dat zijn daad niet onrechtmatig is en daarom, op grond van het ābehoudensā van lid 2 niet tot schadevergoeding verplicht. Art. 6:162 lid 3 BW kent niet een dergelijke uitzonderingsclausule ten aanzien van de toerekenbaarheid of meer in het bijzonder de schuld. Ook de wetsgeschiedenis zwijgt hierover.13 Voor zover het betoog van de aangesprokene neerkomt op een beroep op een schulduitsluitingsgrond, bestaat daarom geen (wettelijke) grond om dat aan te merken als een (bevrijdend) verweer maar moet dat worden aangemerkt als een (gemotiveerde) betwisting van de toerekenbaarheid in de vorm van schuld.14 De gehoudenheid van de aansprakelijkgestelde om deze betwisting van schuld te motiveren, houdt niet in dat op hem de bewijslast rust ten aanzien van de afwezigheid van schuld.15 Omdat evenwel wordt aangenomen (zie hiervoor) dat de toerekenbaarheid in de vorm van schuld vaak zozeer voor de hand ligt en uit de onrechtmatigheid voortvloeit dat de schuld bij wege van feitelijk vermoeden uit de onrechtmatigheid kan worden afgeleid, is het veelal aan de aangesprokene om in het kader van tegenbewijs de feiten die tot het aanvaarden van de schulduitsluitingsgrond kunnen leiden, aannemelijk te maken.
Voetnoten
1.
Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4.
2.
Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4.
3.
Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.1.4.
4.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 618 en Asser/Sieburgh 6-IV 2023/107.
5.
Asser lijkt dit over het hoofd te zien, waar hij schrijft dat de verweerder de stelplicht heeft ter zake van āovermacht waardoor een onrechtmatige daad of wanprestatie niet aan de verweerder kan worden toegerekendā, in: Asser, Bewijslastverdeling (BPP nr. 3) 2025/27. Anders is het bijv. ook bij art. 185 WVW, ingevolge welke bepaling houder of eigenaar van het motorrijtuig aansprakelijk is ātenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmachtā; ingevolge die tenzij-bepaling verschuift de bewijslast van de afwezigheid van schuld (overmacht) wel naar de aansprakelijkgestelde. Volgens de Hoge Raad is er geen aanleiding die wijze van bewijslastverdeling ook van toepassing te achten in gevallen dat de Wegenverkeerswet niet van toepassing is (HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2834, NJ 1999/245, rov. 3.3.2).
6.
Zie o.a. HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2834, NJ 1999/245.
7.
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/107; Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 8.1.
8.
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/107; in HR 19 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2834, NJ 1999/245, rov. 3.3.3 wilde de Hoge Raad (nog) niet van zoān verzwaarde motiveringsplicht weten, hoewel die overweging ook gelezen moet worden in het licht van de door het middel bepleite, maar door de Hoge Raad afgewezen, analoge toepassing van art. 7:658 BW.
9.
Enigszins anders Asser/Sieburgh 6-IV 2023/126 slot, waar het zo is verwoord dat partijen feiten moeten aanvoeren waaraan de rechter aanknopingspunten kan ontlenen voor de beantwoording van de rechtsvraag.
10.
Aldus TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 616; Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 7.1.7.
11.
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/97 slot; Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4; Asser, Bewijslastverdeling (BPP nr. 3) 2025/27.
12.
Vergelijk Asser/Sieburgh 6-IV 2023/113 en M.E. Franke, Over de grens van de onrechtmatige daad (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 354 e.v. (par. 9.2.1).
13.
Jansen, GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 9.4.5.
14.
Anders Boonekamp in de vorige druk, onder verwijzing naar Jansen, die de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van de schulduitsluitingsgrond op de benadeelde legt, en Manders, GS Onrechtmatige daad, art. 6:169, aant. 1.5.4, volgens wie de stelplicht ten aanzien van zowel een rechtvaardigingsgrond als een schulduitsluitingsgrond ligt op degene die zich op het een of het ander beroept.
15.
C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad (diss. Groningen), p. 168, onder verwijzing naar HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2732, NJ 1999/195 m.nt. Bloembergen.