Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.4:6.4 De vier factoren en hun impact
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.4
6.4 De vier factoren en hun impact
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443550:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het doel is namelijk om de naar voren gebrachte argumenten te herleiden tot factoren die relevant zijn bij het maken van keuzes rondom de heffingsmethoden. Het daarover uitspreken van een waardeoordeel veronderstelt bovendien een bepaalde norm waarbij vaststaat welk gewicht moet worden toegekend aan de verschillende factoren en de daarmee verband houdende argumenten. Die norm zal echter nog moeten worden ontwikkeld (zie paragraaf 6.5).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van dit proefschrift heb ik verschillende deelonderzoeken uitgevoerd. Daaruit leid ik af dat vier factoren van invloed zijn op de keuze voor een heffingsmethode. Dit betreft zowel de initiële keuze als de keuze voor een latere omzetting. Die vier factoren zijn:
Uitvoeringslasten voor de Belastingdienst
Correctiemogelijkheden (ten behoeve van de rechtsgelijkheid) voor de Belastingdienst
Administratieve lasten voor de belastingplichtigen
Behoefte aan rechtszekerheid voor belastingplichtigen
Op zichzelf beschouwd, zijn vier factoren niet veel. Dat zou de indruk kunnen wekken dat het kiezen van een heffingsmethode een eenvoudige aangelegenheid is. Die indruk is echter niet juist. Het begint er al mee dat bij een keuze alle vier de factoren moeten worden betrokken en tegen elkaar moeten worden afgewogen. Wat daar de resultante van is, laat zich op voorhand niet voorspellen. Het betreft namelijk een beleidspolitieke beslissing waarbij telkens verschillende gewichten kunnen worden toegekend aan de vier afzonderlijke factoren. Bovendien blijkt dat elke factor verschillende verschijningsvormen kent. Dat laatste zal ik toelichten aan de hand van een aantal voorbeelden, waar ik in dit verband verder geen waardeoordeel over uitspreek in de zin van dat de een belangrijker zou zijn dan de ander en dat daarom meer gewicht aan moet worden toegekend1, zoals die uit de deelonderzoeken naar voren zijn gekomen.
De factor Uitvoeringslasten voor de Belastingdienst is op verschillende manieren tot uitdrukking gekomen in het kader van de keuze (waaronder omzettingen) van heffingsmethoden (zie de paragrafen 2.3.1, 2.5, 4.2.3, 4.3, 4.4 en 4.5). Zonder uitputtend te willen zijn, betreft dit: minder personeelskosten voor het toezicht door de Belastingdienst, lagere lasten als meerdere belastingjaren ineens kunnen worden gecontroleerd, hogere lasten als gevolg van bezwaarprocedures, hogere lasten die verband houden met het moeten opmaken van verschillende aanslagbiljetten, lasten die verband houden met het moeten opleggen van voorlopige aanslagen, besparing op personeelskosten door werkzaamheden te automatiseren en kosten voor ICT.
De factor Correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst (zie de paragrafen 3.2.2, 4.2.4 en 4.3) betrof onder andere: het versoepelen of zelfs willen laten vervallen van het nieuwfeitvereiste, het tegengaan van corruptie (Pakistan en Bangladesh), het opleggen van de verplichting aan belastingplichtigen om de Belastingdienst actief te informeren over fouten in de aangifte.
De factor Administratieve lasten voor belastingplichtigen is onder andere tot uitdrukking gekomen in het kader van: het horizontaal toezicht (het moeten inrichten van een tax control framework), de lasten die verband houden met het actief moeten informeren van de Belastingdienst in geval van geconstateerde fouten in de aangifte, de inhuur van professionele hulp om ondersteuning te bieden bij het invullen van aangiften. Ik verwijs hiervoor naar de paragrafen 2.3.1, 3.4.2, 4.2.3, 4.4 en 4.5.
De Behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen ziet onder andere op het vertrouwen dat belastingplichtigen ontlenen aan een aanslag waar niet zomaar op terug kan worden gekomen, het vertrouwen dat belastingplichtigen ontlenen aan de juistheid van de gegevens die de Belastingdienst vooraf invult in de aangifte inkomstenbelasting, het rechtstreekse verband met de ingewikkeldheid van de belastingwetgeving (naarmate die ingewikkelder wordt, worden belastingplichtigen onzekerder en neemt hun behoefte aan ondersteuning (door de Belastingdienst dan wel via de inhuur van professionele hulp) toe). Ik verwijs hiervoor naar de paragrafen 3.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 4.4 en 4.5.
Uit het bovenstaande komt ook naar voren dat factoren elkaar kunnen versterken: het vooraf in vullen van aangiften heeft bijvoorbeeld zowel een positief effect op de behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen als op de uitvoeringslasten van de Belastingdienst (vooral minder toezicht achteraf) en de actieve informatieplicht van artikel 10a AWR leidt tot meer correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst en meer rechtsgelijkheid tussen belastingplichtigen, terwijl het tegelijkertijd ook een positief effect heeft op de uitvoeringslasten van de Belastingdienst (opnieuw minder toezicht achteraf). In voorkomende gevallen kunnen de factoren echter ook tegengesteld op elkaar inwerken. Een voorbeeld hiervan vormt horizontaal toezicht dat enerzijds een positief effect heeft op de rechtszekerheid van belastingplichtigen en de uitvoeringslasten van de Belastingdienst. Daar staat tegenover dat belastingplichtigen een tax control framework moeten hebben wat de nodige administratieve lasten met zich meebrengt. Ten slotte wijs ik nog op ervaringen in het buitenland, vooral Australië, waaruit blijkt dat een omzetting naar ‘self-assessment’ heeft geleid tot minder uitvoeringslasten voor de Belastingdienst op het vlak van het toezicht. Daar staat echter tegenover dat de rechtszekerheid van belastingplichtigen is afgenomen, de belastingdienst dientengevolge meer menskracht heeft moeten inzetten om belastingplichtigen te ondersteunen bij het invullen van hun aangiften en de administratieve lasten van diezelfde belastingplichtigen zijn toegenomen.
Bij het maken van een keuze op het vlak van de heffingsmethoden, moet derhalve een afweging worden gemaakt tussen de verschillende factoren. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat elke factor meerdere verschijningsvormen kent. Die vormen kunnen elkaar versterken, maar kunnen ook onderling tegenstrijdig zijn. Al met al is er sprake, zie figuur 3 hieronder, van een hele kluwen aan onderlinge verbanden tussen de verschijningsvormen.
Figuur 3 Relevante factoren bij de keuzes ten aanzien van de heffingsmethoden, de verschillende verschijningsvormen en hun onderlinge verbanden
Het maken van een keuze op het vlak van de heffingsmethoden is door die veelheid aan onderlinge verbanden een meerdimensionale en daardoor complexe aangelegenheid. Om die reden adviseer ik het gebruik van een afwegingskader, zodat toekomstige keuzes systematischer, beter onderbouwd en transparanter kunnen worden gemaakt dan thans het geval is.