Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.1:3.1 Inleiding
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS475620:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
44. De levering bij voorbaat heeft betrekking op toekomstige goederen. De begrippen “toekomstig goed” en “toekomstige goederen” worden gebruikt in de artikelen 3:97 BW en 35 lid 2 Fw.1 Het Burgerlijk Wetboek bevat in art. 3:1 BW weliswaar een definitie van het begrip “goed”, maar een omschrijving van wat onder een toekomstig goed moet worden begrepen, ontbreekt. Voor de toepassing van de levering bij voorbaat is het echter van cruciaal belang om vast te stellen wat hieronder dient te worden verstaan. Dit hoofdstuk is gericht op de afbakening van het begrip.
Allereerst wordt stil gestaan bij de algemene afgrenzing van het begrip “toekomstige goederen” in § 3.2. Daarbij rijst onder meer de vraag of er een eenduidige betekenis aan dit begrip kan worden toegekend of de invulling afhankelijk is van de toepassingsvorm (§ 3.2.1) en aan de hand van welk criterium de afbakening geschiedt (§ 3.2.2 en 3.2.3).
Het restant van het hoofdstuk behandelt de afbakening van toekomstige goederen tot tegenwoordige goederen, en in het bijzonder het overgangstijdstip van toekomstig naar tegenwoordig. § 3.3 is gewijd aan de wijze en het tijdstip waarop toekomstige goederen worden verkregen van een rechtsvoorganger. In § 3.4 wordt uitvoerig ingegaan op het ontstaansmoment van nieuwe goederen. Met deze paragraaf wordt niet beoogd om een uitputtende opsomming en uitwerking te geven van alle wijzen en de tijdstippen waarop goederen ontstaan. De nadruk zal liggen op die goederen en die ontstaansvormen met de meeste praktische en economische relevantie, namelijk roerende zaken (§ 3.4.2) en vorderingsrechten (§ 3.4.3). Daarnaast wordt het ontstaan behandeld van enkele andere belangrijke vermogensrechten, zoals aandelen in kapitaalvennootschappen (§ 3.4.4), girale effecten (§ 3.4.5) en enige rechten van intellectuele eigendom (§ 3.4.6).