De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:504.
Rb. Amsterdam, 16-12-2024, nr. AMS 23/5823
ECLI:NL:RBAMS:2024:7990
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
16-12-2024
- Zaaknummer
AMS 23/5823
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:7990, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 16‑12‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2024:504, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 26‑01‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025010601
FutD 2025-0085
Uitspraak 16‑12‑2024
Inhoudsindicatie
De rechtbank kent een man die geld ontving in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag 168.050 euro toe aan aanvullende schadevergoeding.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5823
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. Hierover heeft de rechtbank op 26 januari 20241.al een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld de gebreken in de besluitvorming, zoals genoemd in de tussenuitspraak, te herstellen.
1.2.
Verweerder heeft op 8 februari 2024 schriftelijk verklaard gebruik te willen maken van de mogelijkheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Op 25 juni 2024 heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd. Verweerder heeft op 15 november 2024 de herziene beslissing op bezwaar aangevuld.
1.3.
De rechtbank heeft op 19 november 2024 het beroep behandeld op een nadere zitting. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig [naam 1], de moeder van twee van eisers kinderen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door twee gemachtigden.
Het verloop van de procedure na de tussenuitspraak
2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.2.
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de beslissing op bezwaar van 21 september 2023 niet in stand kan blijven omdat het, voor zover het gaat om de schadeposten ‘de extra gemaakte reiskosten’, ‘de kosten van vrije dagen’, ‘de inkomensschade’, ‘de vermogensschade’, ‘de vergoeding van juridische bijstand’ en ‘de immateriële schade’, in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en omdat het niet berust op een deugdelijke motivering. Voor de schadeposten ‘de extra gemaakte opvangkosten’, ‘de kosten van dwangbevelen’ en ‘de andere extra kosten die het gevolg zijn geweest van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag’ heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aannemelijk is dat eiser meer schade heeft geleden dan het al toegekende bedrag.
2.3.
De Commissie Werkelijke Schade (CWS) heeft verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak geadviseerd om € 15.000,- extra aanvullende schadevergoeding toe te kennen. In afwijking van dit advies heeft verweerder met de herziene beslissing op bezwaar € 100.752,- extra aanvullende schadevergoeding toegekend. Op 1 juli 2024 heeft de CWS haar beleidskader gewijzigd.3.Naar aanleiding van het gewijzigde beleidskader heeft verweerder eiser nog eens € 11.304,- extra toegekend. Op 6 november 2024 heeft tussen verweerder en eiser een schikkingsgesprek plaatsgevonden. Dit gesprek heeft niet geleid tot een minnelijke oplossing.
Beoordeling van de rechtbank
3.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder de gebreken in het bestreden besluit van 21 september 2023 met de aanvullende besluiten van 25 juni 2024 en15 november 2024 heeft hersteld.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle gebreken heeft hersteld die in de tussenuitspraak zijn genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder nog steeds onvoldoende gemotiveerd dat voor een aantal schadeposten de werkelijke schade niet te laag is vastgesteld. De rechtbank zal daarom de besluiten van verweerder, voor zover het gaat om die schadeposten, vernietigen.
3.3.
De rechtbank ziet daarbij aanleiding om voor de vernietigde delen van de besluiten zelf in de zaak te voorzien. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat partijen in een juridisch doolhof zijn beland waarvan zij beide de uitgang niet meer weten te vinden. Er zijn meerdere pogingen gedaan om gezamenlijk tot een oplossing te komen, maar dit is elke keer mislukt. Ook na de tussenuitspraak blijven partijen over meerdere schadeposten van mening verschillen. Intussen lijkt de schade bij eiser enkel toe te nemen. Dit terwijl eiser een groot belang heeft bij een definitieve uitkomst van dit geschil zodat hij kan starten met het verwerken van alle gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire. Verweerder heeft in vier jaar tijd meerdere gesprekken met eiser gevoerd, meerdere adviezen aan de CWS gevraagd en verschillende (medische) onderzoeken uitgevoerd. Een laatste schikkingsgesprek met een door verweerder ingeschakelde advocaat heeft partijen enkel verder uit elkaar gebracht. De rechtbank zal dan ook voor beide partijen de knopen in deze zaak doorhakken door de schade zelf vast te stellen. Dit kan alleen door middel van een schatting. De rechtbank houdt daarbij rekening met de bedoeling van de wetgever om ruimhartigheid te verkiezen boven precisie wanneer deze onverenigbaar blijken. Het belang om (ernstig) gedupeerde toeslagaanvragers tijdig en adequaat te helpen weegt volgens de wetgever namelijk veelal zwaarder dan het voorkomen van gevallen van (enige) overcompensatie.4.
3.4.
Hierna legt de rechtbank per schadepost uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De kosten die eiser heeft moeten maken vanwege de (medische) problemen van zijn jongste zoon
4.1.
Eiser heeft aangevoerd reiskosten te hebben gemaakt vanwege het bezoeken van instanties voor de behandeling van de psychische problemen van zijn jongste zoon en voor juridische procedures tegen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. Verder heeft eiser gesteld dat hij veertig (halve) dagen vrij heeft moeten nemen vanwege onder meer de problematiek van zijn jongste zoon. Ook heeft eiser advocaatkosten moeten maken voor rechtszaken over zijn jongste zoon.
4.2.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld of de (psychische) problematiek van de jongste zoon, en dus de in dat kader gemaakte kosten, verband houden met de gevolgen van de terugvordering van de toeslagen. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat het feit dat eiser zijn woning heeft verloren waardoor zijn zoon niet meer bij hem kon wonen en eiser minder beschikbaar voor hem was als vader, heeft bijgedragen aan de problematiek van zijn zoon. De behandelingen die de zoon van eiser heeft moeten ondergaan, zijn dus mogelijk ook het gevolg daarvan en niet alleen van de traumatische ervaringen van de zoon in de thuissituatie bij zijn moeder. Het had op de weg van verweerder, althans de CWS, gelegen om dit nader te beoordelen en zo nodig meer informatie op te vragen bij eiser met betrekking tot de oorza(a)k(en) van de problematiek van zijn zoon waarvoor de betreffende kosten zijn gemaakt.
4.3.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder Sanacare als externe medisch deskundige ingeschakeld. Sanacare heeft een advies uitgebracht op 28 mei 2024. Omdat geen toestemming is verleend om de situatie van de jongste zoon te beoordelen, heeft Sanacare geen advies hierover kunnen uitbrengen. Vanwege het ontbreken van een medisch oordeel waaruit blijkt dat er een oorzakelijk verband is tussen de problematiek bij de jongste zoon en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag, blijft verweerder bij zijn eerdere standpunt.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de motivering van verweerder de volledige weigering van de geclaimde schade echter niet dragen. Zoals de rechtbank eerder in de tussenuitspraak heeft overwogen, heeft de CWS de opdracht gekregen om ruimhartig te werk te gaan. Zowel bij de vaststelling van het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van verweerder, als bij de begroting van de schade. Dit betekent dat er geen hard bewijs van de ouder wordt gevraagd, maar dat de ouder het gestelde aannemelijk moet maken. Eiser heeft meermaals consequent de problemen van zijn jongste zoon benoemd. Volgens eiser zijn deze problemen ontstaan nadat hij zijn woning is kwijtgeraakt door de kinderopvangtoeslagaffaire, waardoor hij niet meer voor zijn zoon kon zorgen. Eiser is vanaf dat moment dakloos geraakt, terwijl zijn (toen nog erg jonge) zoon bij zijn moeder moest wonen. De rechtbank vind het aannemelijk dat deze ingrijpende gebeurtenis in het leven van de zoon, op zichzelf al gevolgen heeft gehad voor zijn psychische gezondheid. Tijdens het verblijf bij zijn moeder heeft de zoon verdere traumatische gebeurtenissen meegemaakt. Verweerder heeft bij de toekenning van de immateriële schade ook erkend dat de problemen met de kinderopvangtoeslag de kinderen van eiser, en met name zijn twee zonen, leed heeft toegebracht. De rechtbank vindt het ook voor deze schadepost aannemelijk dat de psychische problemen van de zoon van eiser (deels) voortkomen uit de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire. Dit brengt ook mee dat de kosten die eiser hiervoor heeft moeten maken in aanmerking komen voor vergoeding. Het enkele feit dat Sanacare geen advies heeft kunnen geven en daardoor niet alle oorzaken vastgesteld kunnen worden, maakt niet dat het verband met de toeslagenaffaire onaannemelijk is. Dat de minderjarige zoon van eiser zelf niet wilde meewerken aan een onderzoek door Sanacare, werpt de rechtbank eiser evenmin tegen. De zoon heeft immers al een behoorlijk roerige jeugd achter de rug. Zijn weigering dient dan ook te worden gerespecteerd en zonder verder gevolg te blijven.
4.5.
De rechtbank beoordeelt vervolgens welk percentage van de schade van eiser aan verweerder moet worden toegerekend. De rechtbank vindt het aannemelijk dat de gevolgen van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag een aanzienlijke invloed hebben gehad op de zoon van eiser. Vanwege de kinderopvangtoeslagaffaire heeft de zoon van eiser zijn vertrouwde en veilige thuissituatie verloren. Dat heeft een flinke impact op een jong kind. Tegelijkertijd volgt de rechtbank verweerder dat niet kan worden uitgesloten dat ook andere factoren, die geen verband houden met de toeslagenaffaire, hebben bijgedragen aan de latere problematiek van de zoon. Zo kan de gezinssituatie bij de moeder van de zoon niet worden toegerekend aan verweerder. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder 75% van deze schadepost moet vergoeden.
4.6.
Ten aanzien van de reiskosten die eiser heeft moeten maken voor zijn jongste zoon zoekt de rechtbank aansluiting bij de recente versie van de werkwijze en het schadekader van de CWS. De CWS kent een vergoeding van € 300,- per toeslagjaar toe voor regelzaken. De rechtbank beschouwt de reiskosten die eiser heeft moeten maken voor zijn zoon als een aparte schadepost waarvoor verweerder nog geen vergoeding heeft toegekend. Eiser heeft in zijn verzoek aangegeven dat hij in de periode van 2013 tot en met 2020 diverse zaken voor zijn jongste zoon heeft moeten regelen en daarvoor ook heeft moeten reizen. De rechtbank stelt de door verweerder te vergoeden schade vast op € 1.575,- (€ 300,- x 7 (jaar) x 75%).
4.7.
Eiser heeft aangevoerd dat hij veertig (halve) dagen kwijt is geweest aan het bezoeken van behandelaren. Verweerder heeft op basis van het gewijzigde kader in totaal € 3.000,- toegekend aan verletkosten. Daarbij is verweerder uitgegaan van veertig dagdelen en een vergoeding van € 75,- per dag. Eiser heeft niet gesteld dat zijn schade hoger ligt en bovendien ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij in afwijking van het schadekader in aanmerking moet komen voor een hogere schadevergoeding per dag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding hiervoor een nadere schadevergoeding toe te kennen.
4.8.
Eiser verzoekt verder om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in relatie tot rechtszaken betreffende zijn jongste zoon en tegen zijn voormalig werkgevers. Hij schat de totale kosten op € 20.000,-. Verweerder heeft al € 15.000,- toegekend voor de procedures van eiser tegen zijn voormalig werkgevers. De rechtbank gaat ervan uit dat de overige € 5.000,- gezien moet worden als kosten voor rechtsbijstand verbonden aan rechtszaken betreffende eisers jongste zoon. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende schade daarom vast op € 3.750,- (€ 5.000,- x 75%).
De inkomensschade die eiser heeft geleden vanwege zijn arbeidsongeschiktheid
5.1.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de beoordeling van de door eiser gestelde inkomensschade niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de afwijzing van de door eiser gevraagde compensatie voor reiskosten in verband met zijn gezondheidsproblemen. Hoewel verweerder heeft onderkend dat sprake is van complexe medische klachten, heeft hij in dit geval zonder aanwijsbare reden afgezien van het inschakelen van een medisch deskundige. Verweerder heeft niet gemotiveerd op grond waarvan hij tot een toerekening van 50% is gekomen. Ook de hersteltermijn van vijf jaar is door verweerder niet onderbouwd en ook niet aannemelijk.
5.2.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de CWS een medisch deskundige (Sanacare) ingeschakeld en deze schadepost nader onderbouwd. Uit het advies van Sanacare is gebleken dat er bij eiser zowel psychische- als lichamelijke klachten zijn vastgesteld. De medisch deskundige stelt dat de lichamelijke klachten niet in relatie staan tot de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Ten aanzien van de psychische klachten meent de medische deskundige dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat deze veroorzaakt zijn door de kinderopvangtoeslagaffaire. Deze bestonden namelijk mogelijk eerder al. Wel zijn deze klachten volgens de medische deskundige verergerd door de (gevolgen van de) terugvordering van kinderopvangtoeslag. Ten aanzien van de hersteltermijn heeft de medische deskundige geoordeeld dat de prognose omtrent het herstellen van eisers psychische klachten goed is, mits eiser zich kan overgeven aan de behandeling.
5.3.
Verweerder heeft op grond van dit medisch advies, in navolging van de CWS, geconcludeerd dat het redelijk is om 50% van de inkomensschade van eiser toe te rekenen aan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. In afwijking van het advies van de CWS heeft verweerder verder besloten dat het niet redelijk om de door de CWS geadviseerde hersteltermijn van vijf jaar direct in te laten gaan op de dag dat eiser is ziekgemeld. Eiser heeft, zowel bij de medisch adviseur als tijdens het ambtelijk horen, aangegeven dat hij pas aan de traumatherapie kan beginnen op het moment dat alles rondom de kinderopvangtoeslagproblematiek is afgerond. Door de hersteltermijn in te laten gaan op 1 juli 2024 krijgt eiser de gelegenheid zich volledig op het hersteltraject te richten, aldus verweerder. Verweerder heeft voor deze schadepost een extra aanvullende schadevergoeding toegekend van € 85.502,-.
5.4.
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan alleen op een medisch advies mag afgaan als dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (hierna: de vergewisplicht).5.Als hieraan wordt voldaan, mag het bestuursorgaan in beginsel bij zijn besluitvorming uitgaan van het advies. Dit is anders wanneer de aanvrager concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies aandraagt.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn delen van het onderzoek van Sanacare onzorgvuldig tot stand gekomen en is een deel van de conclusies niet inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd. De CWS heeft Sanacare gevraagd of de medische klachten van eiser veroorzaakt zijn door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Sanacare heeft voor de beantwoording van die vraag informatie opgevraagd bij onder meer de huisarts van eiser. De huisarts heeft gegevens over de periode vanaf 2016 aan Sanacare verstrekt. Niet is gebleken dat Sanacare de huisarts hierna specifiek heeft gevraagd om alsnog ook informatie van vóór 2016 te verstrekken. Sanacare had dus geen informatie over de medische situatie van eiser voor 2016. Desalniettemin concludeert Sanacare dat het mogelijk is dat eiser al voor 2016 last had van psychische klachten. Dit is gebaseerd op een brief van 12 juli 2022 waarin een psycholoog heeft vermeld dat een man en vrouw (waarvan de namen niet bekend zijn) tien gesprekken met de POH-GGZ hebben gevoerd vóór de toeslagenaffaire. Omdat er geen verdere informatie beschikbaar is over de (psychische) toestand van eiser van voor 2016 is het voor Sanacare niet mogelijk om een schatting te maken van het percentage van de invloed van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op grond van dit medisch advies vindt de CWS het redelijk om 50% van de inkomensschade van eiser toe te rekenen aan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft – hoewel Sanacare dus te weinig informatie had om een inschatting te kunnen maken van een dergelijk percentage – deze conclusie overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee niet voldaan aan haar vergewisplicht. De conclusie dat de psychische klachten van eiser (ook) een andere oorzaak hebben kan niet worden gebaseerd op een gebrek aan informatie en dit kan daarom ook geen grond vormen om van de volledige toerekening van de schade aan de terugvordering van de kinderopvangtoeslag af te wijken. De motivering die verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd kan die conclusie niet dragen. De rechtbank heeft in het dossier geen enkel medisch stuk gezien waaruit blijkt dat eiser voor de kinderopvangtoeslag al (serieuze) psychische klachten had. Het enkele feit dat eiser op enig moment gesprekken – waarvan de inhoud en de aanleiding onbekend is – heeft gehad met de praktijkondersteuner bij de huisarts is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Nu er ook anderszins geen aanknopingspunten zijn dat eiser al voor de terugvordering van de kinderopvangtoeslag psychische problemen had, gaat de rechtbank er vanuit dat de psychische klachten van eiser volledig voortkomen uit de problematiek rond die terugvorderingen. Ook volgt de rechtbank niet de conclusie van Sanacare dat de lichamelijke klachten geen relatie hebben met de toeslagenaffaire. De rechtbank vindt het zonder meer aannemelijk dat eisers jarenlange psychische klachten en stress hun weerslag hebben gehad op zijn lichaam, zoals eiser stelt en ter zitting heeft toegelicht. In de medische informatie van de GZ-psycholoog van 12 juli 2022 staat ook dat eiser onder meer lichamelijke klachten, angst- en spanningsklachten, slaapproblemen en stemmingsklachten ervaart sinds hij slachtoffer werd van de toeslagenaffaire. Nu verweerder ruimschoots in de gelegenheid is geweest om nader onderzoek te doen, er geen aanknopingspunten zijn voor een andere oorzaak van eisers lichamelijke en/of psychische klachten en nu op basis van het verhaal van eiser aannemelijk is dat beide het gevolg zijn van de kinderopvangtoeslagaffaire, zal de rechtbank deze schade volledig aan verweerder toerekenen.
5.6.
Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat hij op 1 juli 2029 hersteld zou zijn. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het is de rechtbank gebleken dat eiser nog steeds lijdt onder de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiser heeft hulp gezocht voor zijn psychische klachten. Uit de brieven van de behandelend psychiater blijkt dat eiser pas kan beginnen met traumaverwerking als de juridische procedures zijn afgerond. De conclusie van Sanacare dat de prognose voor herstel goed is, als eiser zich volledig aan de behandeling kan overgeven, sluit aan bij de informatie van de behandelend psychiater. Dit herstel vergt tijd, motivatie, commitment en moed van eiser. Op de zitting heeft de rechtbank gezien dat eiser de motivatie en wil heeft om aan zijn herstel te werken. De rechtbank begrijpt ook dat eiser twijfelt of hij ooit alles volledig kan verwerken. De rechtbank heeft er op basis van de informatie van zijn behandelaar evenwel vertrouwen in dat eiser met zijn motivatie, inzet en de juiste behandelingen in ieder geval weer arbeidsgeschikt kan worden. In dit verband acht de rechtbank een hersteltermijn tot 1 juli 2029 redelijk. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat moet worden uitgegaan van een langere termijn.
5.7.
Verweerder heeft de inkomensschade van eiser voor de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 juli 2029 vastgesteld op € 301.121,-. Verweerder heeft aan eiser € 150.560,50 toegekend op basis van een toerekening van 50%. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal de rechtbank de inkomensschade van eiser echter volledig aan verweerder toerekenen. Dit betekent dat verweerder ook een tegemoetkoming moet toekennen voor de overige € 150.560,50.
5.8.
De CWS heeft de gemaakte en te maken reiskosten vanwege medische klachten geschat op een bedrag van € 100,- per jaar. Eiser heeft dit niet betwist. Verweerder heeft gelet op de hersteltermijn van tien jaar deze schade vastgesteld op in totaal € 1.000,-. Verweerder heeft gelet op de toerekening van 50% een vergoeding van € 500,- toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze motivering gelet op het voorgaande geen stand meer houden. De rechtbank bepaalt dat verweerder ook de overige € 500,- aan eiser moet toekennen.
De inkomensschade die eiser heeft geleden vanwege het niet voltooien van zijn studie
6.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij met zijn universitaire studie rechten moest stoppen, omdat hij als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag zijn collegegeld niet meer kon betalen. Eiser had een toekomst voor ogen met een eigen strafrechtadvocatenkantoor, maar dat is door toedoen van verweerder niet gelukt. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat de stelling van verweerder, dat het worden van een succesvolle advocaat afhankelijk is van meerdere factoren, zonder meer juist is. Dit betekent echter niet dat eiser enkel daarom in het geheel geen recht heeft op een schadevergoeding. Dat eiser (een succesvolle) advocaat was geworden als hij zijn studie had voltooid, is immers ook niet uitgesloten. De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat het Beoordelingskader Materiële Schade de mogelijkheid geeft om studiekosten als collegegeld en boekengeld te vergoeden wanneer de opleiding nooit is afgerond als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Verweerder heeft deze schadepost onvoldoende gemotiveerd.
6.2
In het aanvullend advies heeft de CWS overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag het collegegeld niet meer kon betalen. Eiser heeft eerder aangegeven dat hij vanwege de loonbeslagen is gestopt met zijn studie. Eiser is echter in 2012 gestopt met zijn studie, terwijl verweerder voor het eerst in 2013 beslag op eisers loon heeft gelegd. Dat klopt volgens verweerder dus niet. Daarnaast is verweerder van mening dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn waaruit zou blijken dat eiser ook zonder de terugvordering van kinderopvangtoeslag zijn studie met succes had kunnen afronden en een succesvolle strafrechtadvocaat had kunnen worden. Uit algemene informatie blijkt dat een aanzienlijke groep rechtenstudenten hun studie niet afrondt en dat maar een handjevol strafrechtadvocaten ook echt succesvol wordt. Omdat er geen causaal verband aannemelijk is tussen het stoppen van zijn studie en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag komt eiser volgens verweerder ook niet in aanmerking voor vergoeding van studiekosten zoals collegegeld en boekenkosten.
6.3.
Eiser voert aan dat hij wel degelijk zijn studie heeft moeten staken vanwege de problematiek met de kinderopvangtoeslag. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar stukken waaruit volgt dat de kinderopvangtoeslagproblematiek bij hem al speelde sinds 2010. Het noodgedwongen moeten staken van de studie houdt volgens eiser dan ook rechtstreeks verband met het handelen van verweerder. Het is aannemelijk dat hij zijn studie rechten zou afronden, advocaat zou worden en een hoger inkomen zou hebben gehad als hij zijn studie had kunnen voortzetten. Het grieft eiser zeer dat het verweerder is geweest die hem zijn kansen heeft ontnomen en zich nu op het standpunt stelt dat onzeker is of eiser daadwerkelijk zijn ambities had kunnen waarmaken. Eiser heeft zijn inkomensschade laten berekenen, met als uitgangspunt dat hij een succesvol strafrechtadvocaat zou zijn geworden. Dit komt uit op een bedrag van € 3.257.817,74, gerekend tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.
6.4.
De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser zijn studie heeft moeten stoppen als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Al vanaf 2010 is eiser geconfronteerd met terugvorderingen en kortingen op zijn kinderopvangtoeslag. Dat eiser hierdoor in een moeilijke financiële situatie is gekomen, zijn collegegeld niet meer kon betalen en daardoor zijn studie in 2012 heeft moeten stoppen acht de rechtbank aannemelijk. Dat pas in 2013 voor het eerst loonbeslag is gelegd, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank acht namelijk voldoende aannemelijk dat de financiële situatie voor het loonbeslag al dusdanig was dat eiser zijn collegegeld niet meer kon betalen. Bovendien zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er andere redenen waren voor eiser om te stoppen met zijn studie.
6.5.
De rechtbank komt vervolgens bij de vraag welke schade aan verweerder moet worden toegerekend. Anders dan eiser heeft bepleit ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder het volledig inkomen van een succesvol strafadvocaat toe te rekenen. De rechtbank overweegt daartoe dat slechts een deel van de rechtenstudenten die zijn studie afrond, advocaat wordt. Gedurende de driejarige beroepsopleiding verdient een startende advocaat bovendien veel minder dan eiser in dezelfde periode heeft verdiend. Een groot deel van de strafrechtadvocaten zal uiteindelijk rechtsbijstand verlenen op kosten van de Staat en daardoor niet het jaarinkomen verdienen waar eiser in zijn berekening vanuit gaat. Slechts een heel klein aantal rechtenstudenten komt wel in die positie. Daarbij moet er bovendien nog rekening mee worden gehouden dat deze advocaten van dit bedrag nog onder meer kantoorkosten, reiskosten, cursussen, lidmaatschappen en belastingen moeten betalen. Eiser heeft met al deze kosten in zijn berekening geen rekening gehouden. Het inkomen dat eiser heeft verdiend bij zijn laatste werkzaamheden en waarop de toegekende inkomensschade is gebaseerd, is bovendien niet minder dan dat van een gemiddelde strafrechtadvocaat. Rekening houdend met al deze omstandigheden, vindt de rechtbank de goede kans dat eiser een succesvol strafrechtadvocaat was geworden – die meer verdient dan eiser verdiende met zijn laatste werkzaamheden – zo klein, dat deze gestelde schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser wel andere studiegerelateerde schade geleden die het gevolg is van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen, biedt het Beoordelingskader Materiële Schade de mogelijkheid om de kosten van een gestopte studie te vergoeden wanneer de opleiding nooit is afgerond als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiser heeft verklaard dat in de periode van 2007 tot en met 2012 heeft gestudeerd. De rechtbank stelt deze kosten – en daarmee de door verweerder te vergoeden schade – schattingsgewijs vast op € 2.000,- euro per studiejaar (€ 1.600 aan collegegeld en € 400,- aan studieboeken). Nu de volledige schade aan verweerder is toe te rekenen, dient verweerder voor deze schadepost in totaal € 10.000,- te vergoeden.
De pensioenschade
7.1.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat eiser in het geheel geen pensioenschade heeft geleden. Immers, hij had ook als ZZP’er pensioen kunnen opbouwen. De rechtbank heeft verweerder gewezen op zijn beleid waaruit volgt dat een externe deskundige wordt ingeschakeld om de totale inkomensschade te berekenen en dat deze deskundige daarbij ook de pensioenschade berekent.
7.2.
Verweerder heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak alsnog een deskundige ingeschakeld. Deze deskundige heeft een schadeopstelling van de inkomensschade gemaakt. Er is specifiek gekeken naar de inkomensschade over de periode 1 februari 2019 tot1 juli 2029. Volgens de deskundige genoot eiser tussen 2019 en 2021 inkomen vanuit een payroll constructie. Vanaf 2022 ontving eiser een WIA-uitkering6.. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden waaruit is gebleken dat eiser toen pensioen heeft opgebouwd, aldus de deskundige.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt dat eiser geen pensioenschade heeft geleden. Volgens de deskundige is namelijk niet gebleken dat eiser daadwerkelijk pensioen heeft opgebouwd bij zijn laatste werk respectievelijk dat hij heeft deelgenomen aan een pensioenregeling. Het door eiser overgelegde pensioenoverzicht maakt dit niet anders. Uit dit pensioenoverzicht blijkt namelijk wel dat eiser op enig moment pensioen heeft opgebouwd, maar niet dat eiser bij zijn laatste werk pensioen heeft opgebouwd. Eiser heeft verder geen concrete aanknopingspunten gegeven waaruit dit wel blijkt.
De vermogensschade
8.1.
Eiser heeft betoogd dat hij in totaal € 125.000,- heeft misgelopen aan vermogen doordat hij zijn huurwoning in 2010 of 2011 niet heeft kunnen kopen en dus niet heeft kunnen profiteren van de waardestijging van die woning. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de koop van een woning past bij de levensfase van eiser; twee van zijn kinderen woonden bij hem en hij had een goede baan. Het is niet geheel onvoorzienbaar dat eiser een woning had gekocht als de problemen met de kinderopvangtoeslag daaraan niet in de weg hadden gestaan. De CWS is hier in het advies niet op ingegaan, zodat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze gestelde schade niet in meer of mindere mate voor vergoeding in aanmerking zou komen.
8.2.
In de herziene beslissing op bezwaar heeft verweerder verwezen naar de informatie die eiser tijdens het ambtelijk horen op 28 maart 2024 heeft gedeeld. Het huis is eiser toentertijd – in de periode tussen 2010 en 2012 – aangeboden voor een bedrag van ongeveer € 145.000,-. Bij eerder onderzoek van de CWS is vastgesteld dat het hoogste inkomen van eiser in de door hem aangegeven periode € 23.797,- bedroeg. Met dit inkomen had eiser volgens verweerder op dat moment een maximale hypotheek kunnen krijgen van € 107.000,-. Uitgaande van de door eiser zelf verstrekte informatie zou hij met dit hypotheekbedrag niet in staat zijn geweest de huurwoning te kopen. Verweerder heeft geen nadere informatie ontvangen waaruit blijkt dat eiser toch het huis had kunnen kopen.
8.3.
Eiser voert aan dat hij wel degelijk in staat was geweest om de woning te kopen als hij niet te maken had gekregen met de problematiek rondom de kinderopvangtoeslag. Verweerder blijft in de optiek van eiser ten onrechte volharden dat hij niet in staat was de woning te kopen.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hem door de kinderopvangtoeslagaffaire de kans om zijn huurwoning te kopen is ontnomen. Op de zitting heeft eiser nogmaals toegelicht dat hij verschillende vragenformulieren heeft ingevuld van de woningcorporatie met het doel om voor de koop van zijn huurwoning in aanmerking te komen en dat hij op dat moment geen schulden of huurachterstand had die hieraan in de weg zouden staan. Dit is op zichzelf evenwel onvoldoende om aan te nemen dat eiser daadwerkelijk zijn woning had kunnen kopen. Daarvoor moest hij ook over voldoende financiële middelen kunnen beschikken. Eiser heeft vanwege de problematiek met de kinderopvangtoeslag geen afspraak met de bank of een financieel adviseur gemaakt om vast te stellen of hij de woning ook kon betalen. Het is daarom onduidelijk of de koop van de woning binnen de financiële mogelijkheden van eiser lagen. Uit de gegevens van verweerder blijkt dat eiser met alleen een hypotheek op basis van zijn inkomen in de periode tussen 2010 en 2012 waarschijnlijk niet in staat was de woning voor het gestelde bedrag te kopen. Eiser heeft niet aangevoerd dat deze hypotheekberekening onjuist is. Verder heeft eiser niets aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat de koop van zijn huurwoning toch mogelijk was. Zo heeft hij bijvoorbeeld niet gesteld dat hij beschikte over eigen vermogen, dat hij de mogelijkheid had om geld te lenen van een vriend of familielid, of dat hij gebruik kon maken van bijvoorbeeld een startersregeling. Dit betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiser zonder de problematiek met de kinderopvangtoeslag in staat was geweest om de woning te kopen. De rechtbank zal voor deze schadepost dan ook geen schadevergoeding toekennen.
Immateriële schade
9.1.
Verweerder heeft een vergoeding voor immateriële schade van € 36.000,- toegekend. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak aan verweerder gevraagd om aan de hand van de zogenaamde Bouwstenen uit het beoordelingskader van de immateriële schade van de CWS (21 oktober 2022) inzichtelijk te maken hoe verweerder tot het bedrag van € 36.000,- is gekomen.
9.2.
De CWS en verweerder hebben de immateriële schadevergoeding alsnog gemotiveerd aan de hand van het beoordelingskader van 21 oktober 2022. Op basis van dit beoordelingskader komen de CWS (€ 30.100,-) en verweerder (€ 35.600,-) op een lager bedrag uit dan het eerder geadviseerde en toegekende bedrag van € 36.000,-. Verweerder blijft daarom in de herziene beslissing op bezwaar bij dit bedrag. Naar aanleiding van het gewijzigde beleidskader heeft verweerder met de aanvulling op de herziene beslissing op bezwaar nog € 4.100,- extra toegekend.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot het bedrag aan immateriële schadevergoeding is gekomen. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het maximale bedrag had moeten toekennen, maar heeft dit niet aan de hand van de bouwstenen en met concrete aanknopingspunten gemotiveerd. Het ligt op de weg van eiser om zijn stelling dat de schadevergoeding niet voldoet handen en voeten te geven. Bij gebreke daarvan ziet de rechtbank niet bij welke bouwsteen verweerder een te laag bedrag heeft vastgesteld en dus geen aanleiding om een hoger (of het maximale) bedrag aan immateriële schadevergoeding toe te kennen.
Proceskosten in bezwaar
10. Eiser stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van zijn bezwaar. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift niet verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat hij geen verzoek heeft ingediend. Reeds om die reden komt hij op grond van voornoemd artikel niet in aanmerking voor vergoeding van deze kosten. De rechtbank is niet bevoegd om hiervan af te wijken.
De totale schade
11.1.
Gelet op de voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de volgende slotsom.
11.2.
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag is bij de integrale beoordeling geconcludeerd dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag het gevolg is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Op grond hiervan heeft verweerder aan eiser een forfaitaire compensatie toegekend van € 86.672,-.
11.3.
Conform het advies van de CWS en rekening houdend met de rekensystematiek heeft verweerder aan eiser in eerste instantie een bedrag van € 151.608,- aan aanvullende compensatie toegekend. In de herziene beslissing naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder nog een bedrag van € 100.752,- aanvullende compensatie voor werkelijke schade toegekend. Uit een aanvullende beslissing volgt dat eiser vanwege het gewijzigde beleidskader van CWS aanvullend nog een bedrag ontvangt van € 11.304,-. Aan eiser is voorafgaand aan deze uitspraak in totaal een bedrag van € 350.366,- aan forfaitaire en aanvullende compensatie uitgekeerd.
11.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen dient verweerder daar bovenop nog € 168.050,- toe kennen. Dit komt neer op € 5.325,- voor de kosten van de problemen van de zoon, plus € 151.060,50 voor de inkomensschade vanwege eisers arbeidsongeschiktheid, plus € 10.000,- aan schade vanwege het beëindigen van de studie. De rechtbank heeft daarbij ook de standaard 1% verhoging toegepast. Verweerder hanteert deze verhoging op alle schadeposten. De rechtbank heeft daarna het bedrag op hele euro’s naar boven afgerond. Verweerder is aan eiser na deze uitspraak daarom in totaal een bedrag van € 518.416,- aan forfaitaire en aanvullende compensatie verschuldigd.
Conclusie en gevolgen
12.1.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 september 2023, zoals aangevuld door de besluiten van 25 juni 2024 en 15 november 2024, gegrond. De rechtbank zal de besluiten gedeeltelijk vernietigen, namelijk voor zover die betrekking hebben op de hierna te noemen schadeposten. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien ten aanzien van de schadeposten ‘de kosten die eiser heeft moeten maken vanwege de (medische) problemen van zijn jongste zoon’, ‘de inkomensschade die eiser heeft geleden vanwege zijn arbeidsongeschiktheid’ en ‘de inkomensschade die eiser heeft geleden vanwege het niet voltooien van zijn studie’. De rechtbank vermeerdert deze schadeposten met de standaard 1%-verhoging en rond het bedrag daarna naar boven af.
12.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 2 punten voor de zittingen van 19 december 2023 en 19 november 2024 en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1. Daarmee bedraagt de hoogte van de proceskostenvergoeding € 3.062,50.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt het bestreden besluit, het herziene bestreden besluit en de aanvulling op het herziene bestreden besluit voor zover deze betrekking hebben op de schadeposten genoemd in overweging 12.1 en bepaalt dat verweerder een aanvullende schadevergoeding van € 168.050,- aan eiser dient toe te kennen;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeeltes van deze besluiten;
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van€ 3.062,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden,in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2024.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑12‑2024
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade van 1 juli 2024. Gepubliceerd op de website van de CWS: https://www.werkelijkeschade.nl/documenten.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1124.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Uitspraak 26‑01‑2024
Inhoudsindicatie
De Belastingdienst/Toeslagen heeft de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade die een man ontving in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag niet goed gemotiveerd.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5823
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.A. Dayala),
en
de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. I. Kayhan).
Inleiding
1.1.
In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.2.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 8 juni 2022 de aanvullende schadevergoeding vastgesteld op een bedrag van € 151.608,-. Met het bestreden besluit van 21 september 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dit besluit gebleven.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2023. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Feiten en omstandigheden
2.1.
Eiser heeft vier kinderen: twee zoons en twee dochters. In de jaren 2008 tot en met 2011 heeft eiser gebruik gemaakt van de kinderopvang voor zijn jongste zoon. Verweerder heeft hiervoor voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt. Later heeft verweerder de voorschotten op de kinderopvangtoeslag over drie jaren (2008, 2009 en 2010) op nihil gesteld. De eerste nihilstelling was in september 2010. In ongeveer zeven jaar tijd heeft eiser ruim € 46.500,- terugbetaald. Als gevolg van de terugvordering van dit bedrag heeft eiser veel schade geleden.
2.2.
Eiser heeft zich op 18 november 2019 als gedupeerde van de uitvoering rondom de kinderopvangtoeslag gemeld bij verweerder. Na beoordeling van de situatie van eiser heeft verweerder vastgesteld dat institutionele vooringenomenheid bij het uitvoeren van de kinderopvangtoeslag tot onbillijkheden van overwegende aard heeft geleid. Verweerder heeft daarom aan eiser een bedrag van € 86.672,- toegekend voor de gevolgen van de hiervoor
genoemde besluiten over de vaststelling, terugvordering en invordering van de (voorschotten) kinderopvangtoeslag1..
2.3.
Eiser is van mening dat hij door de problemen met de kinderopvangtoeslag meer schade heeft geleden dan het bedrag aan compensatie dat hij van verweerder heeft ontvangen. Daarom heeft hij een verzoek tot aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). De CWS is een onafhankelijke commissie en heeft tot taak het toetsen van en adviseren over aanvragen tot toekenning van aanvullende schadevergoeding2..
2.4.
Eiser begroot zijn materiële en immateriële schade op minimaal € 451.622,40. In dit verband heeft hij de volgende schadeposten opgevoerd:
- -
Vervangende opvangkosten: tussen de € 5.000,- en € 10.000,-;
- -
Reiskosten: € 16.800,-;
- -
Kosten vrije dagen en dagen waarin eiser niet kon werken: € 8.800,-;
- -
Inkomensschade: minimaal € 190.529,40;
- -
Studiekosten vanwege studievertraging: geen concreet bedrag. Eiser schat minimaal meerdere tonnen aan schade te hebben geleden;
- -
Vermogensschade: € 185.292,-;
- -
Andere extra kosten die het gevolg zijn geweest van de stopzetting kinderopvangtoeslag: € 21.901,-;
- -
Immateriële schade: eiser heeft het leed wat hem is overkomen omschreven, maar geen precies bedrag genoemd aan schade;
- -
Vergoeding juridische bijstand: € 20.000,-;
- -
Kosten dwanginvordering: € 3.300,-.
2.5.
De CWS heeft op 22 april 2022 haar advies uitgebracht. De CWS heeft de werkelijke materiële schade van eiser vastgesteld op € 129.224,50. Dit bedrag bestaat uit€ 6.000,- aan vervangende opvangkosten, € 1.250,- aan reiskosten, € 65.082,50 aan inkomensschade, € 45.292,- aan vermogensschade, € 10.000,- aan andere extra kosten door stopzetting van de kinderopvangtoeslag en € 1.600,- aan kosten van dwanginvordering. De CWS heeft geadviseerd om de kosten voor het opnemen van vrije dagen en de kosten voor juridische bijstand niet te vergoeden. De werkelijke immateriële schade heeft de CWS vastgesteld op € 36.000,-. Na aftrek van de eerder toegekende materiële en immateriële schade en met inbegrip van de wettelijke rente en 1% standaard verhoging komt de CWS tot een aanvullende schadevergoeding van € 155.245,-.
2.6.
Verweerder heeft het advies van de CWS overgenomen en het verzoek van eiser om aanvullende schadevergoeding toegekend tot een bedrag van € 151.608,-3.. Het totaalbedrag van de eerder door eiser ontvangen voorschotten van € 24.500,- is in mindering gebracht op de aanvullende schadevergoeding. Daarmee heeft verweerder de nog aan eiser uit te betalen aanvullende schadevergoeding op € 127.108,- vastgesteld.
2.7.
Het bezwaar van eiser is voor advies voorgelegd aan de bezwaarschriftenadviescommissie. De bezwaarschriftenadviescommissie heeft in haar advies van 28 augustus 2023 overwogen dat verweerder zich mocht baseren op het advies van de CWS en heeft verweerder daarom geadviseerd het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond te verklaren. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Beoordeling van de rechtbank
3.1.
In deze zaak moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet te laag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.2.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat duidelijk is dat eiser veel spanning en frustratie heeft ervaren door de handelwijze van verweerder. Eiser en zijn kinderen zijn als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag in een bijzonder moeilijke situatie terecht gekomen en hebben veel pijn en verdriet ervaren. Daarbij gaat het niet alleen om wat zij hebben meegemaakt, maar ook om wat zij hebben moeten missen. Dit leed is niet in geld uit te drukken. Eiser heeft hiervoor in de hersteloperatie onvoldoende erkenning ervaren. Op zichzelf betekent dat echter niet dat de hersteloperatie als zodanig onzorgvuldig is geweest en/of dat de toegekende schadevergoeding te laag. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank als volgt.
De hersteloperatie toeslagen
3.3.
De Wet hersteloperatie toeslagen voorziet in een bestuursrechtelijke procedure voor de afhandeling van schade die is omkleed met alle waarborgen die de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt. Aan een aanvrager wordt een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend als hij overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade hoger is dan de al toegekende compensatie4.. De bestuursrechter moet aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht met inachtneming van de bescherming van het bestuursrecht. Dit brengt mee dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen verweerder en de aanvrager in geschil is5.. In het licht daarvan is van belang dat verweerder – conform artikel 3:46 en artikel 7:12 van de Awb – deugdelijk motiveert op grond waarvan hij tot het toegekende bedrag aan schadevergoeding komt. Die motivering moet in ieder geval voldoende zijn om eiser in staat te stellen daarop inhoudelijk te reageren en op die manier daadwerkelijk invulling te geven aan de rechtsbescherming die het bestuursrecht biedt.
3.4.
De CWS adviseert de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen over verzoeken van gedupeerde ouders om aanvullende schadevergoeding.6.Bij de beoordeling van deze verzoeken hanteert de CWS vaste richtlijnen, die inmiddels zijn neergelegd in het ‘Beoordelingskader Materiële Schade’ en het ‘Beoordelingskader Immateriële Schade’.7.Deze beoordelingskaders zijn vastgesteld en gepubliceerd in februari 2023, respectievelijk november 2022, met als doel om transparanter te adviseren door vooraf bekend te maken welke factoren worden meegewogen bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de beoordelingskaders weliswaar zijn gepubliceerd nadat de CWS over de schade van eiser heeft geadviseerd, maar voordat de beslissing op bezwaar is genomen. Bovendien zijn de beoordelingskaders bedoeld om duidelijkheid te geven over de manier waarop een schadeverzoek wordt beoordeeld op basis van de juridische kaders en uitgangspunten die ook ten tijde van de advisering door de CWS in deze zaak al golden. De beoordelingskaders geven inzicht in welke factoren in welke mate meegewogen worden. De rechtbank ziet niet in dat in het geval van eiser aan deze factoren een andere waarde moet worden gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of verweerder de schade van eiser niet te laag heeft vastgesteld, onder meer van belang is wat de beoordelingskaders ter zake bepalen.
3.5.
In de beoordelingskaders staat onder meer dat aan de CWS de opdracht is verstrekt om met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht te beoordelen of de door de ouder werkelijk geleden schade hoger is dan de al ontvangen compensatie en hoeveel hoger. Ook moet die schade het gevolg zijn van het handelen van verweerder. Hierbij is de aanvullende opdracht geformuleerd dat de CWS ruimhartig te werk moet gaan, zowel bij de vaststelling van het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van verweerder, als bij de begroting van de schade. Dit betekent dat er geen hard bewijs van de ouder wordt gevraagd, maar dat de ouder het gestelde aannemelijk moet maken. Daarbij moet het verhaal van de ouder passen in de tijdlijn zoals dat uit het dossier volgt en moet het verhaal worden ondersteund door de overige aanwezige informatie. De CWS dient gelet op het voorgaande ook actief door te vragen om voldoende informatie te verzamelen ter zake van de door de gedupeerde ouder gestelde schade.
Standpunt van eiser
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder de werkelijke schade te laag heeft vastgesteld. Daarbij heeft hij verwezen naar zijn schadevergoedingsverzoek. De rechtbank zal hierna per schadepost vol toetsen of verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat werkelijke schade niet te laag is vastgesteld.
De materiële schade
De extra opvangkosten
5.1.
Eiser heeft in zijn verzoek aangegeven dat hij in de periode van 2013 tot en met 2017 voor een bedrag tussen de € 5.000,- en € 10.000,- aan extra opvangkosten heeft moeten maken voor zijn jongste zoon. De CWS acht het aannemelijk dat eiser vanaf 2013 tot maart 2015 voor € 6.000,- aan extra opvangkosten heeft gemaakt. Vanaf maart 2015 woont de jongste zoon van eiser bij zijn moeder. Omdat ook niet is gebleken van co-ouderschap heeft de CWS geadviseerd om vanaf maart 2015 geen compensatie toe te kennen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen specifieke beroepsgronden heeft aangevoerd met betrekking tot deze schadepost. Ook de rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser extra opvangkosten heeft moeten maken in de periode van 2013 tot maart 2015. De toekenning van een bedrag van in totaal € 6.000,- acht de rechtbank gelet op het verhaal van eiser en de gegevens uit het dossier reëel. De CWS heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd hoe zij tot dit bedrag is gekomen. De rechtbank acht het advies van de CWS ook navolgbaar waar het gaat om de periode vanaf 2015. Eiser heeft niet gesteld dat sprake was van co-ouderschap en bovendien ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij in deze periode extra opvangkosten heeft gemaakt.
De extra gemaakte reiskosten
6.1.
Eiser heeft gesteld dat hij voor € 16.800,- aan extra reiskosten heeft moeten maken als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. De CWS heeft geadviseerd hiervoor aan eiser een bedrag van in totaal € 1.250,- aan compensatie toe te kennen. In het advies van de CWS is per onderdeel van de gemaakte reiskosten vermeld of deze in aanmerking komen voor compensatie. Verweerder heeft dit advies overgenomen.
6.2.
De CWS heeft het in de gegeven omstandigheden aannemelijk geacht dat eiser vanaf 2013 extra reiskosten heeft moeten maken in verband met de vervangende opvang van zijn jongste zoon. De CWS stelt de schade vast op € 1.000,- in de periode van 2013 tot maart 2015. Zij komt tot dit bedrag door rekening te houden met € 10,- per week voor 46 weken per jaar. Eiser heeft dit bedrag en de berekening daarvan niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt hoe tot dit bedrag is gekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit bedrag geen reële vergoeding is voor dit onderdeel van de door eiser gestelde schade.
6.3.
Verweerder heeft een bedrag van € 250,- toegekend voor de reiskosten die eiser heeft moeten maken vanwege zijn (toegenomen) gezondheidsklachten. De rechtbank zal dit punt later in de uitspraak bespreken, samen met de inkomensschade die eiser heeft geleden door zijn (toegenomen) gezondheidsklachten.
6.4.
De CWS adviseert om de reiskosten voor bezoeken aan een advocaat en/of zittingen die verbandhouden met procedures tegen verweerder niet te vergoeden. Eiser heeft niet betwist dat hij de procedures tegen verweerder zonder juridische bijstand heeft gevoerd en dat geen (hoor)zittingen hebben plaatsgevonden. In zoverre ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding te twijfelen aan het advies van de CWS en de afwijzing van de in verband hiermee gevorderde vergoeding voor reiskosten.
6.5.
Eiser heeft daarnaast aangevoerd reiskosten te hebben gemaakt vanwege het bezoeken van instanties voor de behandeling van de psychische problemen van zijn jongste zoon en voor juridische procedures tegen Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming. Volgens de CWS is de schade niet aan verweerder toe te rekenen, omdat deze problemen en rechtszaken het gevolg zijn van traumatische ervaringen die eerst en vooral zijn veroorzaakt door de handelingen van personen voor wie verweerder geen verantwoordelijkheid draagt. Daarmee worden kennelijk de ervaringen van de zoon in de (onveilige) thuissituatie bij zijn moeder en diens (toenmalige) partner bedoeld.
6.6
De rechtbank is van oordeel dat het advies van de CWS op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Eiser heeft schriftelijk en ter zitting toegelicht dat de problemen van zijn zoon mede het gevolg zijn van het feit dat eiser als gevolg van de terugvordering zijn woning is verloren, waardoor zijn zoon niet langer bij hem kon wonen en eiser – kort gezegd – niet meer in staat was om als vader voor hem te zorgen. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat het minder beschikbaar zijn van eiser als vader heeft bijgedragen aan de problematiek van zijn zoon. De behandelingen die de zoon van eiser heeft moeten ondergaan, zijn dus mogelijk ook het gevolg daarvan en niet alleen van de traumatische ervaringen van de zoon in de thuissituatie bij zijn moeder. Het had op de weg van verweerder, althans de CWS, gelegen om dit nader te beoordelen en zo nodig meer informatie op te vragen bij eiser met betrekking tot de oorza(a)k(en) van de problematiek van zijn zoon waarvoor de betreffende kosten zijn gemaakt. Indien er meerdere oorzaken zijn aan te wijzen en/of sprake is van een mate van onzekerheid met betrekking tot de oorzaak, kan aansluiting worden gezocht bij het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid. Door in het geheel niet in te gaan op deze mogelijkheid, maar vergoeding van de gestelde schade op dit onderdeel categoriaal af te wijzen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig gehandeld en is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
De kosten van vrije dagen en dagen waarin eiser niet kon werken
7.1.
Eiser heeft aangevoerd dat hij € 8.800,- aan kosten heeft moeten maken, omdat hij, in verband met bezoeken aan personen en instanties waarvoor hij ook de gestelde reiskosten heeft moeten maken, vrije dagen heeft moeten opnemen. Eiser stelt dat het gaat om minstens veertig dagen met een salaris per dag van € 220,-. Verweerder volgt het advies van de CWS dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vrije dagen heeft opgenomen als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag.
7.2.
Onder verwijzing naar de overwegingen ten aanzien van de extra gemaakte reiskosten, is de rechtbank van oordeel dat het gelet op het verhaal van eiser en de beschikbare informatie niet op voorhand onaannemelijk is dat eiser (mede) als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag diverse personen en instanties heeft moeten bezoeken en daarvoor ook vrije dagen heeft moeten opnemen. Verweerder heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan en het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verweerder dient dit alsnog te doen. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat een eventuele vergoeding van verlofdagen maximaal € 75,- per dagdeel zal bedragen.8.
De inkomensschade
8.1.
Eiser heeft zijn inkomensschade begroot op een bedrag van minimaal € 190.529,40. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag zijn studie rechten heeft moeten beëindigen. Volgens eiser heeft verweerder hem de mogelijkheid ontnomen een succesvol advocaat te worden. De CWS heeft geadviseerd om aan eiser een bedrag van € 65.082,50 aan inkomensschade toe te kennen. Verweerder heeft dit advies overgenomen.
8.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser inkomensschade heeft geleden en nog steeds lijdt en dat dit deels komt door zijn gezondheidsklachten. Eiser is evenwel van mening dat zijn gezondheidsklachten volledig aan verweerder zijn te wijten en dat zijn inkomensschade volledig voor rekening van verweerder dient te komen. Verder is verweerder volgens eiser ten onrechte uitgegaan van een hersteltermijn van vijf jaar. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser ook medische stukken overgelegd.
8.3.
In haar advies stelt de CWS dat zij niet kan adviseren over complexe medische klachten, zoals die van eiser. Desondanks concludeert zij dat de gezondheidsklachten van eiser voor 50% zijn ontstaan door de kinderopvangtoeslagaffaire en dat wordt verwacht dat het vijf jaar zal duren voordat eiser is hersteld. De rechtbank overweegt dat uit het Beoordelingskader Materiële Schade van de CWS volgt dat de CWS zelf geen medische beoordeling kan doen. Hierin is bepaald dat de CWS indien nodig in overleg met de ouder een medisch deskundige zal inschakelen. Uit de ‘Evaluatierapportage Commissie Werkelijke Schade’ (hierna: de evaluatierapportage) blijkt dat de CWS sinds maart 2023 voor medisch advies terecht kan bij een externe deskundige9.. Hoewel de CWS heeft onderkend dat sprake is van complexe medische klachten, heeft zij in dit geval zonder aanwijsbare reden afgezien van het inschakelen van een medisch deskundige, terwijl hiervoor dus in ieder geval tijdens de bezwaarprocedure een externe partij beschikbaar was. Bovendien heeft de CWS, noch verweerder gemotiveerd op grond waarvan zij tot een toerekening van 50% is gekomen. Dit percentage komt de rechtbank gelet op het verhaal van eiser en de medische stukken in het dossier, waaruit geen andere oorzaak volgt, niet aannemelijk voor. Ook de hersteltermijn van vijf jaar – die erop neerkomt dat eiser in juli 2024 hersteld zou moeten zijn – is door de CWS niet onderbouwd en komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Uit de brieven van de behandelend psychiater blijkt namelijk dat eiser pas kan beginnen met traumaverwerking als de juridische procedures zijn afgerond. Dat eiser in juli 2024 is hersteld, is – alleen al gelet op het moment van deze uitspraak – dus niet aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de beoordeling van de door eiser gestelde inkomensschade niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Dit geldt ook voor de afwijzing van de door eiser gevraagde compensatie voor reiskosten in verband met zijn gezondheidsproblemen, waaraan verweerder dezelfde redenering ten grondslag heeft gelegd. Ook in zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
8.4.
Eiser heeft in zijn schadeverzoek verder verzocht om een vergoeding voor verlies van pensioen. De CWS heeft geadviseerd om dit af te wijzen omdat eiser deels als ZZP’er werkzaam is geweest. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat eiser hierdoor in het geheel geen pensioenschade heeft geleden; ook als ZZP’er had hij immers pensioen kunnen opbouwen. Op zitting hebben de gemachtigden van verweerder gesteld dat pensioenschade toekomstige schade is en (ook) om die reden niet voor vergoeding in aanmerking komt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onjuist. Uit het Beoordelingskader Materiële Schade volgt dat een externe deskundige wordt ingeschakeld om inkomensschade te berekenen en dat deze deskundige het misgelopen loon, als ook de pensioenschade berekent. Uitdrukkelijk is hierin opgenomen dat toekomstige schade, waarvan voldoende voorzienbaar is dat de ouder deze schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal lijden, wordt vergoed. Uit de evaluatierapportage volgt eveneens dat in geval van inkomensschade de CWS ‘standaard’ de pensioenschade laat meeberekenen, ook als die geen deel uitmaakt van het verzoek van de ouder. Het categoriaal afwijzen van eventuele toekomstige schade, in het bijzonder de pensioenschade, is dan ook in strijd met het eigen beoordelingskader van de CWS. Ook het civiele schadevergoedingsrecht staat overigens niet in de weg aan het vergoeden van toekomstige schade, dan wel pensioenschade. Op dit punt is het advies van de CWS, en daarmee het bestreden besluit, daarom eveneens onvoldoende gemotiveerd.
8.5.
Eiser heeft verder betoogd dat hij met zijn universitaire studie rechten moest stoppen, omdat hij als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag zijn collegegeld niet meer kon betalen. Eiser had een toekomst voor ogen met een eigen strafrechtadvocatenkantoor, maar dat is door toedoen van verweerder niet gelukt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat eiser zijn rechtenstudie succesvol zou hebben afgerond en een succesvolle carrière als advocaat of jurist zou hebben gehad, nu het slagen van die plannen van diverse factoren afhankelijk is. De rechtbank stelt voorop dat niet onaannemelijk is dat eiser als gevolg van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag zijn collegegeld niet meer kon betalen. Vast staat immers dat eiser door deze terugvordering in aanzienlijke financiële problemen is komen te verkeren. De stelling van verweerder dat het worden van een succesvolle advocaat afhankelijk is van meerdere factoren, is zonder meer juist, maar betekent niet dat eiser enkel daarom in het geheel geen recht heeft op een schadevergoeding. Dat eiser (een succesvolle) advocaat was geworden als hij zijn studie had voltooid, is immers ook niet uitgesloten. In het civiele schadevergoedingsrecht moet bij de beoordeling van een dergelijke onzekere situatie een inschatting van de goede en kwade kansen worden gemaakt. Het gaat daarbij om het vaststellen van redelijke verwachtingen met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen. Op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank wijst er daarnaast op dat uit het Beoordelingskader Materiële Schade volgt dat als een ouder als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag is gestopt met zijn of haar opleiding, studiekosten als collegegeld en boekengeld die langer zijn betaald dan onder normale omstandigheden het geval was geweest of zijn betaald terwijl de opleiding nooit is afgerond, voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Op dit punt is in het advies van de CWS, en ook in het bestreden besluit, niet ingegaan. Ook om die reden is het bestreden besluit ten aanzien van deze schadepost onvoldoende gemotiveerd.
De vermogensschade
9.1.
Eiser heeft verzocht om € 185.292,- aan vermogensschade. Dit bedrag bestaat volgens eiser uit schade als gevolg van het niet kunnen kopen van zijn huurwoning, het kwijtraken van zijn inboedel en de kosten van deurwaarders. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zake van de inboedel het door eiser verzochte bedrag aan schadevergoeding van in totaal € 45.292,- volledig heeft toegekend. De kosten van de gerechtsdeurwaarders heeft verweerder in het kader van een andere schadepost behandeld en zal de rechtbank daarom ook later in de uitspraak behandelen. Ten aanzien van de woning overweegt de rechtbank als volgt.
9.2.
Eiser heeft betoogd dat hij in totaal € 125.000,- heeft misgelopen aan vermogen doordat hij zijn huurwoning niet heeft kunnen kopen en dus niet heeft kunnen profiteren van de waardestijging van die woning. Volgens het advies van de CWS kan de vermogensschade voortkomend uit het niet kunnen kopen van de huurwoning niet aan verweerder worden toegerekend. Daartoe stelt de CWS dat niet voorzienbaar was dat eiser het aanbod had gekregen om zijn huurwoning te kopen en dat ook niet voorzienbaar was dat de huizenmarkt zich zo zou ontwikkelen. Het moment van waardebepaling is volgens de CWS bovendien arbitrair en gederfde winst komt in het algemeen minder snel voor vergoeding in aanmerking.
9.3.
Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij in een ver proces zat om zijn huurwoning te kopen. Hij had op dat moment al verschillende vragenformulieren ingevuld van de woningcorporatie met het doel hiervoor in aanmerking te komen. Verweerder heeft dit niet weersproken. De stelling van de gemachtigden van verweerder op de zitting dat eiser de woning niet zou hebben kunnen kopen met zijn inkomen is niet onderbouwd en ook niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. Dat eiser schade heeft geleden door het mislopen van de koop van zijn woning en dat sprake is van een causaal verband met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag is noch in het advies van de CWS, noch in het bestreden besluit in twijfel getrokken. Aan de afwijzing ligt alleen ten grondslag dat duidelijkheid omtrent de omvang van de schade en toerekenbaarheid ontbreken.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat niet geheel onvoorzienbaar was dat eiser een woning had gekocht als de problemen met de kinderopvangtoeslag daaraan niet in de weg hadden gestaan. De koop van een woning past bij de levensfase van eiser; twee van zijn kinderen woonden bij hem en hij had een goede baan. Bovendien is het in het algemeen aantrekkelijk om een woning van een woningcorporatie te kopen en heeft eiser gesteld dat hij met veel plezier in de woning woonde. Dat de koop van de woning zijn vermogen had doen toenemen is ook niet onvoorzienbaar; koopwoningen (in Amsterdam) stijgen in het algemeen in waarde. Bovendien moeten in het kader van het bepalen van de toerekenbaarheid ook andere factoren in ogenschouw worden genomen, zoals de aard van de schade, het doel van de geschonden norm en de mate van schuld. De CWS is hier in het advies niet op ingegaan, zodat onvoldoende is gemotiveerd waarom deze gestelde schade niet in meer of mindere mate voor vergoeding in aanmerking zou komen. De rechtbank wijst er in dit verband wel op dat in het Beoordelingskader Materiële Schade is vermeld dat eventuele waardestijgingen in de toekomst niet beschouwd worden als materiële schade die bij de CWS voor vergoeding in aanmerking komt. Voor een volledige vergoeding van de door eiser verzochte schadepost lijkt dan ook geen ruimte. Dat wil evenwel niet zeggen dat geen schadevergoeding kan worden toegekend voor het mislopen van de koop van de huurwoning. Zo zou bij de begroting van de schade in dit verband bijvoorbeeld kunnen worden gekeken naar het verschil tussen de woonlasten die eiser nu heeft en de woonlasten die hij zou hebben gehad als hij de woning had gekocht.
De andere extra kosten die het gevolg zijn geweest van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag
10. Eiser heeft in zijn schadevergoedingsverzoek verzocht om een bedrag van € 21.901,- voor andere extra kosten die het gevolg zijn geweest van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag. De CWS heeft geadviseerd om aan eiser een bedrag toe te kennen van € 10.000,-. Eiser heeft gesteld dat hij incassokosten heeft moeten betalen van minimaal zeventien deurwaarders. Bij het advies is de CWS uitgegaan van meer deurwaarders. De andere schade die eiser heeft aangegeven, is volgens de CWS reeds kwijtgescholden of er zijn andere regelingen voor. Eiser heeft in beroep deze motivering niet betwist en de rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser meer schade heeft geleden in dit verband dan de al toegekende € 10.000,-.
De vergoeding van juridische bijstand
11.1.
Eiser vraagt om vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand verbonden aan
rechtszaken betreffende zijn jongste zoon en tegen zijn voormalig werkgevers. Hij schat de totale kosten op € 20.000,-. De CWS heeft geadviseerd om geen kosten te vergoeden. Ten aanzien van de procedures voor eisers zoon stelt de CWS zich (wederom) op het standpunt dat deze eerst en vooral het gevolg zijn van handelingen van personen waarvoor verweerder geen verantwoordelijkheid draagt. Verder vindt de CWS dat niet is gebleken dat de procedures tegen eisers voormalig werkgevers verband houden met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
11.2.
De rechtbank volgt het advies van de CWS op dit punt niet. Tijdens de zitting en in de stukken heeft eiser uitgebreid toegelicht dat hij door de terugvordering van de kinderopvangtoeslag, en het in verband daarmee gelegde loonbeslag, tweemaal zijn baan is verloren. Dit komt de rechtbank aannemelijk voor en is door verweerder ook niet betwist. Niet in geschil is dat eiser tegen deze werkgevers twee juridische procedures heeft gevoerd. Er is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat deze procedures een ander onderwerp betroffen dan de beëindiging van het dienstverband met eiser. Eiser heeft bovendien toegelicht dat hij geen stukken meer heeft om dit aan te tonen als gevolg van het feit dat hij zijn woning en inboedel is kwijtgeraakt en doordat zijn toenmalige advocaat is geëmigreerd. Dit alles in aanmerking nemende – en gezien de opdracht om ruimhartig om te gaan met het aannemen van een causaal verband – is de rechtbank van oordeel dat een causaal verband hier wel voldoende aannemelijk is. Eventuele kosten die eiser in dit verband heeft moeten maken, komen dan ook in beginsel voor rekening en risico van verweerder. Voor zover eiser kosten heeft gemaakt voor procedures die gaan over zijn jongste zoon verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 6.6. hiervoor. Naar het oordeel van de rechtbank is in het advies van de CWS, en daarmee het bestreden besluit, onvoldoende gemotiveerd waarom deze schadepost volledig moet worden afgewezen.
De kosten van dwangbevelen
12. Eiser vraagt om een vergoeding van € 3.300,- in verband met de inbeslagname en gedwongen verkoop van twee personenauto's. Het gaat om een Ford Escort, die volgens de eiser € 1.500 waard was, en om een Alfa Romeo, die volgens eiser € 1.800 was. De CWS heeft vastgesteld dat de personenauto’s voor in totaal € 1.600,- zijn verkocht. Aangezien het dossier geen concrete informatie omvat van de dagwaardes van de personenauto’s heeft de CWS deze geschat op € 3.200,-. De CWS heeft geadviseerd om het verschil van € 1.600,- aan eiser te vergoeden. Eiser heeft ook tegen deze schadepost geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank acht de motivering van de CWS navolgbaar. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om tot het oordeel te komen dat de compensatie voor deze schadepost te laag is vastgesteld.
De immateriële schade
13.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder erkend dat eiser en zijn gezin door de problemen met de kinderopvangtoeslag veel stress en verdriet hebben ervaren gelet op de aard en ernst van de problematiek. Vergoeding voor het geestelijk leed is daarom op zijn plaats. Verweerder heeft daarom een schadevergoeding van € 36.000,- (€ 10.000,- voor de vier kinderen tezamen en € 26.000,- voor eiser) toegekend. Eiser heeft aangevoerd dat de immateriële schadevergoeding te laag is vastgesteld.
13.2.
In het Beoordelingskader Immateriële Schade van de CWS staat het volgende vermeldt: “De CWS vindt het belangrijk om in het advies duidelijk te maken hoe de immateriële schadevergoeding is berekend. Daarom werkt de CWS - zoals gezegd - met bouwstenen. Per bouwsteen bekijkt de CWS een aantal factoren; de feiten en omstandigheden die de ouder heeft aangevoerd. Die factoren wegen mee bij het bepalen van de immateriële schadevergoeding. De factoren zijn een hulpmiddel, en bepalen niet alles. Elk advies is maatwerk. Er is altijd ruimte om extra factoren mee te wegen.”
13.3.
De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser niet aan de hand van de bouwstenen en ook anderszins niet inzichtelijk is gemaakt hoe tot het toegekende bedrag is gekomen. Weliswaar heeft de CWS aangegeven met welke feiten en omstandigheden rekening is gehouden, maar onduidelijk is op welke wijze dit heeft geleid tot het toegewezen bedrag aan schadevergoeding. Verder stelt de rechtbank vast dat de CWS ook niet heeft geadviseerd om het maximale bedrag toe te kennen. Zonder deugdelijke motivering kan eiser de immateriële schade niet adequaat betwisten. Ook op dit punt is het advies van de CWS, en daarmee het bestreden besluit, onvoldoende gemotiveerd. Verweerder zal alsnog, bij voorkeur aan de hand van de bouwstenen, inzichtelijk moeten maken hoe zij tot het toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding is gekomen.
Conclusie en gevolgen
14. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven omdat het, voor zover het gaat om de schadeposten ‘de extra gemaakte reiskosten’, ‘de kosten van vrije dagen’, ‘de inkomensschade’, ‘de vermogensschade’, ‘de vergoeding van juridische bijstand’ en ‘de immateriële schade’, in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en omdat het niet berust op een deugdelijke motivering.
15. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
16. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder, als hij van mening is dat de hiervoor genoemde schadeposten niet te laag zijn vastgesteld, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen alsnog deugdelijk motiveren waarom dit het geval is. Als verweerder tot de conclusie komt dat de schadeposten wel te laag zijn vastgesteld zal hij de schadepost hoger moeten vaststellen en moeten motiveren hoe tot dit bedrag is gekomen. Waar nodig zal eiser conform het Beoordelingskader Materiële Schade de gelegenheid moeten krijgen om aanvullende informatie te verstrekken. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op tien weken na verzending van deze tussenuitspraak.
17. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op26 januari 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑01‑2024
Eiser is in aanmerking gebracht voor de compensatieregeling van het toen geldende artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Hierdoor heeft eiser het volledige bedrag dat hij aan kinderopvangtoeslag heeft moeten terugbetalen gecompenseerd gekregen.
Zie het Instellingsbesluit Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (Stcrt. 2020, 30541).
Op basis van een nieuwe definitieve compensatiebeschikking is de aan eiser eerder toegekende forfaitaire compensatie voor de materiële en immateriële schade verhoogd. Aan eiser is hierdoor een hoger bedrag toegekend dan het bedrag waarmee in het advies rekening is gehouden. Hierdoor valt het toegekende bedrag aan werkelijke schadevergoeding lager uit.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620.
Op grond van artikel 5.2. van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade.
Gepubliceerd op de website van de CWS: https://www.werkelijkeschade.nl/documenten. Hier is ook het Reglement CWS gepubliceerd waarin de taken en de werkwijze van de CWS zijn beschreven.
Dit volgt uit het Beoordelingskader Materiële Schade.
Gepubliceerd op de website van de CWS, zie voetnoot 7.