Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.3.1:10.4.3.1 Rechterlijk toezicht; adversair strafgeding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/10.4.3.1
10.4.3.1 Rechterlijk toezicht; adversair strafgeding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497015:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Barkhuysen/Van Emmerik 2009, p. 26 e.v.
EHRM 24 februari 1997 (De Haes en Gijsels t. België), § 37.
Zie § 3.4.3.1 hiervoor.
EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.nt. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160, § 43.
EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 94 e.v.
EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 48.
EHRM 1 maart 2007 (Heglas t. Tsjechië).
In gelijke zin EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toegang tot de rechter is in een democratische rechtsstaat een essentiële voorwaarde om materiële rechten te verwezenlijken.1 De rechterlijke macht is in de woorden van het EHRM ‘the guarantor of justice, a fundamental value in a law-governed state’.2 Hiermee hangt samen dat de rechter met het oog op een behoorlijk strafproces bevoegd moet zijn om alle voor het geschil relevante kwesties betreffende de feiten en het recht te onderzoeken (‘full jurisdiction’). Zie bijvoorbeeld de zaak Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic (betreffende de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM). Daarin hecht het Hof belang aan het ruime toezicht van de Zweedse rechter op onder meer het opleggen van navorderingen en belastingverhogingen (‘tax surcharges’) door de fiscale autoriteiten, inclusief de zelfstandige waardering van het bewijs waarop de navorderingen en belastingverhogingen steunden. Dit was aanleiding om te oordelen dat de procedure was behandeld door gerechten die art. 6 EVRM kunnen waarborgen.3
Gerechten belast met compensatie
In het systeem van het EVRM rust het toezicht op de naleving van de verdragsverplichtingen voor een belangrijk deel op de (nationale) gerechten.4 De compensatie die dat toezicht biedt voor beperkingen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting tijdens het vooronderzoek, zal dan ook vooral moeten komen van de nationale gerechten. Bij een klacht over schending van dit recht zal de nationale rechter moeten kunnen onderzoeken op welke wijze het bewijs van de verdachte is verkregen. Hij moet de verdachte voldoende ruimte bieden om de authenticiteit en het gebruik van het tegen hem ingebrachte bewijs te betwisten en ook om getuigen te doen horen.5 Vgl. de zaak Bykov. Daarin had de klager zich in de nationale procedure verzet tegen de toelaatbaarheid van het bewijs dat de autoriteiten van hem hadden ontfutseld. Volgens het Hof had de nationale rechter klagers verweren onderzocht en gemotiveerd afgewezen.6 Zie ook de zaak Allan. Daarin was de klager in staat gesteld de toelaatbaarheid en betrouwbaarheid van de met afluisterapparatuur opgenomen verklaringen voor de nationale rechter te betwisten.7 Ook in Heglas wijst het Hof op het adversaire karakter van de nationale strafprocedure waarin de klager was veroordeeld.8
Het rechterlijk toezicht op een ‘fair trial’ c.q. de bewijsvoering, keert in de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak ook in andere vorm terug. Zo hecht het Hof in de meer genoemde zaak John Murray belang aan de waarborgen in het Engelse recht voor wat betreft het trekken van (bewijs)conclusies uit het zwijgen van de verdachte, zoals het rechterlijke toezicht daarop.9