Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.5.2.4.3:18.5.2.4.3 Eigen opvatting: vordering uitlevering impliceert ontoelaatbare dwang; invloed procedurele waarborgen en publiek belang
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.5.2.4.3
18.5.2.4.3 Eigen opvatting: vordering uitlevering impliceert ontoelaatbare dwang; invloed procedurele waarborgen en publiek belang
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500765:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit oogpunt van nemo tenetur is de vordering uitlevering van stukken door FIOD-ambtenaren, naar mijn oordeel typologisch verwant met de vordering tot inzage in stukken door controleambtenaren. De sanctiedreiging die art. 184 Sr oproept, is zwaar. Vanwege de maximale dreiging van een gevangenisstraf van drie maanden, is de keuze tussen zelfbelasting of het accepteren van een sanctie wegens niet-medewerking, illusoir.1 De bevoegdheid tot inbeslagneming is ruim. De FIOD kan de uitlevering van alle voorwerpen vorderen. De verdachte c.q. ‘person charged’ moet daaraan actief meewerken. Zodoende moet worden aangenomen dat de vordering uitlevering ex art. 81 AWR betreffende wilsafhankelijk materiaal, binnen het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht valt; in ieder geval voor wat betreft wilsafhankelijk materiaal en in de ruime uitleg van dit recht2 ook wilsonafhankelijk materiaal.
Of een vordering uitlevering van stukken in strijd komt met het niet-meewerkrecht, is afhankelijk van de omstandigheden en de bijzondere kenmerken van de ‘coercive’ en ‘criminal’ procedure(s). Dan kan vooral worden gedacht aan procedurele waarborgen, zoals het rechterlijk toezicht op de bewijsgaring (in casu achteraf) en bewijsuitsluiting.3 Kortom, de vordering uitlevering ex art. 81 AWR is als ruime en in aanleg actieve meewerkplicht met zware sanctiedreiging, op zichzelf een ontoelaatbare – maar eventueel te compenseren – aantasting van het niet-meewerkrecht. Eerder stelde ik hetzelfde met betrekking tot de inzageplicht ex art. 47, lid 1, onder b AWR.4
Publiek belang-argument
Ik merk nog op dat de verwijzing van de strafkamer van de HR in haar uitspraak van 29 oktober 1996, nr. 102966, naar de bij de handhaving van de desbetreffende strafbepalingen betrokken belangen5, als publiek belang-argument in Straatsburg naar mijn oordeel geen sterke kaarten heeft. Voor het ‘klassieke’ strafrecht lijkt het belang van een effectieve handhaving zeer beperkt. De omstandigheid dat de verdachte in het fiscaal strafrecht en in andere delen van het bijzonder strafrecht een belangrijke ‘leverancier’ van bewijs is, zonder welke een zaak mogelijk niet rond komt, zal in Straatsburg onvoldoende reden zijn om meewerkverplichtingen in het bijzonder strafrecht van nemo tenetur uit te zonderen (vgl. de zaken J.B. en Chambaz).6 Ook voor dit aspect geldt echter dat de huidige rechtspraak een momentopname is en ’s Hofs opvattingen evolueren.