Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.4.2
8.4.2 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291630:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn, p. 16.
Toelichting op art. 17 lid 5 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 761.
In gelijke zin: J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 199-202. Anders: H.W.M. van Kesteren, ‘De pro rata bij onbelastbare prestaties’, in: R. Happé en H. van Kesteren, BTW in Utopia. Bijl-bundel, Kluwer: Deventer 2001, p. 19 die opmerkt: “De verdeelsleutel waarin de richtlijn voorziet - de zogenoemde pro rata - lijkt te zijn geschreven voor de kosten die de organisatie als belastingplichtige heeft gemaakt. Een ander soort pro rata waarmee de aftrekbare voordruk kan worden berekend op kosten die zijn gemaakt in zowel de hoedanigheid van ondernemer als die van niet-ondernemer ontbreekt.”
In gelijke zin: J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 202.
Omdat art. 174 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn betrekking heeft op de omzet met betrekking tot de levering van onroerende goederen die in het kader van de onderneming (de core business) van de belastingplichtige worden gebruikt, acht ik het moeilijk voorstelbaar dat een dergelijke vastgoedtransactie niet belastbaar is. De enige situatie die ik kan bedenken is indien deze vastgoedtransactie (in wezen) tegen een verwaarloosbare vergoeding plaatsvindt (zie paragraaf 4.5.3.1), maar in dat geval is het wel of niet meenemen van deze vergoeding in de pro rataberekening niet of nauwelijks van invloed op het pro rata.
HvJ EG 13 maart 2008, zaak C-437/06, V-N 2008/14.20 (Securenta).
Zoals in paragraaf 8.2.2 is aangegeven, was en is de btw aftrekbaar voor zover sprake is van gebruik voor belaste handelingen. In de eerste alinea van art. 11 lid 2 Tweede Richtlijn was (daarom) opgenomen dat de btw die drukt op goederen en diensten die gebruikt worden voor het verrichten van onbelastbare en vrijgestelde handelingen niet aftrekbaar is. Hoewel deze regel in de Zesde Richtlijn en de Btw-richtlijn niet meer is opgenomen, laat de richtlijnhistorie zien dat hiermee geen materiële wijziging is beoogd (zie paragraaf 8.2.2.2.1). In de derde alinea van art. 11 lid 2 Tweede Richtlijn was – conform art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn – opgenomen dat goederen en diensten die zowel worden gebruikt voor handelingen waarvoor aanspraak op aftrek bestaat als voor andere, aftrek slechts wordt toegestaan voor dat gedeelte van de btw, dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (de pro rata-regel). Uit de toelichting op art. 9 lid 2 Voorstel voor een tweede richtlijn blijkt dat de pro ratamethode (zie paragraaf 8.3.2.1) ook van toepassing is op een belastingplichtige die zowel belaste als onbelastbare handelingen verricht:
“Het uitsluiten van de aftrekregeling bij transacties, die vrijgesteld of onbelastbaar zijn, heeft ten gevolge dat ten aanzien van ondernemingen, die enerzijds transacties verrichten, waarvoor aanspraak op aftrek bestaat en anderzijds transacties, waarvoor dit niet het geval is, de z.g. "pro rata"-regeling moet worden toegepast (…).”1
In de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Tweede Richtlijn heb ik niets kunnen vinden dat erop wijst dat lidstaten het hiermee niet eens waren. Geen enkele lidstaat heeft blijkens deze stukken een kanttekening geplaatst bij het toepassen van de pro ratamethode op een belastingplichtige die zowel belast(bar)e als onbelastbare handelingen verricht.
In art. 17 lid 5, eerste alinea Voorstel voor een zesde richtlijn is het uitgangspunt van art. 11 lid 2, derde alinea Tweede Richtlijn gehandhaafd. Dit blijkt uit de toelichting op deze bepaling:
“In dit lid zijn de overeenkomstige bepalingen van de tweede richtlijn (artikel 11, lid 2, alinea 3 en bijlage A, punt 22) betreffende de algemene pro rata-regel vrijwel geheel overgenomen. Niettemin bevat dit lid in de laatste alinea een nieuwe bepaling ten einde ongelijkheden in de toepassing van de belasting te vermijden. Deze ongelijkheden kunnen zowel ten nadele als ten voordele van de belastingplichtige werken, daar het forfaitaire karakter van de algemene pro rata tot een lagere of hogere aftrek kan leiden dan die welke uit het werkelijk gebruik zou voortvloeien. Te dien einde hebben de Lid-Staten de bevoegdheid de belastingplichtige toe te staan of te verplichten bijzondere verhoudingsgetallen vast te stellen en de aftrek toe te passen naargelang de goederen en diensten of een gedeelte daarvan in feite voor belaste bedrijfshandelingen worden gebezigd, voorzover de belastingplichtige de belastingplichtige dit gebruik aan de hand van een gescheiden boekhouding gevoerde boekhouding kan aantonen.”2
In de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn heb ik niets kunnen vinden wat erop duidt dat beoogd is om de in het Voorstel voor een zesde richtlijn opgenomen splitsingsregels niet meer toe te passen op de belastingplichtige die zowel belast(bar)e als onbelastbare handelingen verricht. Dit betekent dat het begrip ‘handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat’ in (thans) art. 173 lid 1 en art. 174 lid 1 Btw-richtlijn zowel grammaticaal als richtlijnhistorisch gezien betrekking heeft op zowel vrijgestelde als onbelastbare handelingen.3 Met het begrip ‘totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen’ in (thans) art. 173 lid 1 Btw-richtlijn is richtlijnhistorisch gezien daarom het totaal van de door de belastingplichtige verrichte belastbare én onbelastbare handelingen bedoeld. Het begrip ‘handelingen’ is grammaticaal gezien ook niet beperkt tot belastbare handelingen. Wordt daarvan uitgegaan, dan dient op grond van art. 174 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn in de noemer van de pro ratabreuk het totale bedrag van de per jaar berekende omzet van de belaste en onbelaste (lees: vrijgestelde én onbelastbare handelingen) te worden meegenomen.
Het voorgaande betekent naar mijn mening tevens dat de reikwijdte van de in (thans) art. 174 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn bedoelde ‘vertekeningscorrectie’ van de pro ratamethode zowel op grond van een grammaticale als een richtlijnhistorische interpretatie de omzet van bijkomstige belastbare én onbelastbare vastgoedtransacties omvat (zie paragrafen 8.3.2.2.3 en 8.3.3.2.3).4 Bij een bijkomstige onbelastbare vastgoedtransactie dient naar mijn mening met name te worden gedacht aan de omzet met betrekking tot de incidentele levering tegen vergoeding van een onroerend goed die niet als belastingplichtige plaatsvindt, zoals het louter ter belegging aan- en verkopen van een onroerend goed (zie paragraaf 4.6).5 Indien, zoals hiervoor is aangegeven, beoogd is dat de belastingplichtige die zowel belast(bar)e als onbelastbare handelingen verricht de btw op goederen en diensten die voor beide handelingen worden gebruikt in beginsel moet splitsen op basis van de pro ratamethode, dan betekent dit tevens dat ook beoogd is dat de afwijkende splitsingsmethoden als bedoeld in (thans) art. 173 lid 2 Btw-richtlijn op deze situatie toegepast kunnen – het is een kan-bepaling – worden. In de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn heb ik geen enkele indicatie voor het tegendeel kunnen vinden. Dat de gebruikmethode in deze situatie toegepast kan worden is met name wenselijk indien een belastingplichtige – naast zijn belaste handelingen – onbelastbare handelingen verricht waarvoor hij geen vergoeding ontvangt. Voor die situatie bieden de pro ratamethode en de sectormethode immers geen oplossing, aangezien deze splitsingsmethoden onbelaste handelingen tegen vergoeding veronderstellen. Zoals in paragraaf 8.4.1 reeds is aangegeven, heeft het Hof van Justitie – in weerwil van het voorgaande – in het Securenta-arrest6 geoordeeld dat de splitsingsregels in art. 173 tot en met 175 Btw-richtlijn niet van toepassing zijn op de situatie waarin goederen of diensten worden gebruikt voor zowel belaste (en vrijgestelde) handelingen als onbelastbare handelingen. Op deze jurisprudentie wordt in de volgende paragraaf ingegaan.