Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VI.3.3
VI.3.3 Anti-disposal clausules
M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS357605:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Met de clausule kan zijn beoogd een ‘asset stripping’ tegen te gaan, die bijvoorbeeld plaatsvindt doordat een substantieel gedeelte van het vermogen van de leningnemer wordt overgedragen aan een groepsmaatschappij (bijvoorbeeld in het kader van een overname), waarbij wordt overeengekomen dat de prijs die de verkrijgende vennootschap daarvoor verschuldigd is niet onmiddellijk behoeft te worden voldaan, maar pas op een toekomstig tijdstip. Een dergelijke transactie kan het verhaalsaansprakelijke vermogen van de leningnemer aantasten, aangezien in de toekomst kan blijken dat de vordering op de verkrijger waardeloos is.
Zie Wood 2007b, p. 84; Tennekoon 2006, p. 86 en Penn, Shea & Arora 1987, nr. 6.48.
De vraag of in strijd wordt gehandeld met de anti-disposal clausule hangt mede af van de vraag of dit per securitisationtransactie moet worden beoordeeld (in welk geval niet snel sprake zal zijn van een schending van de clausule) of dat mede moet worden gelet op reeds eerder uitgevoerde securitisations. Dit is een kwestie van uitleg van de anti-disposal clausule.
Vgl. Wood 2007b, p. 85.
656. Reikwijdte en strekking. Evenals de reikwijdte van een negative pledge clausule kan ook de reikwijdte van een anti-disposal clausule van geval tot geval verschillen. Door middel van uitleg zal moeten worden vastgesteld in welke mate de leningnemer beperkingen zijn opgelegd om over zijn activa te beschikken. Over het algemeen is de covenant ruim geredigeerd en wordt er in bepaald dat het de leningnemer niet is toegestaan om zonder instemming van de financier een substantieel deel van zijn activa te vervreemden door middel van een enkele of een reeks van al dan niet met elkaar verband houdende transacties, behoudens indien de vervreemding plaatsvindt in het kader van de normale bedrijfsuitoefening.
De strekking van een anti-disposal clausule is vergelijkbaar met die van een negative pledge clausule. Met het beding wordt beoogd een (sluipende) wijziging – of mogelijk zelfs ontmanteling – van de onderneming van de leningnemer tegen te gaan, die de winstgevendheid van de onderneming en daarmee de aflossing van het krediet in gevaar zou kunnen brengen.1 Voorts wordt voorkomen dat in geval van financiële moeilijkheden van de leningnemer bepaalde (dwang)crediteuren worden voldaan met de opbrengst van de verkoop van activa, terwijl de leninggever onvoldaan blijft. De anti-disposal clausule kan tot slot een aanvulling zijn op een negative pledge clausule doordat zij beperkingen stelt aan het op al te grote schaal ontduiken van negative pledge clausules door middel van transacties waarbij de leningnemer ‘quasi-zekerheid’ verschaft, zoals in geval van sale and financial lease back en factoring met regresrecht.2
De reikwijdte van de anti-disposal clausule is meestal beperkt tot een vervreemding van een substantieel deel van het vermogen van de leningnemer, maar het is ook mogelijk dat iedere vervreemding van activa daaronder valt. In het laatste geval zal de leningnemer de toestemming van de financier dienen te verkrijgen, wil hij zonder wanprestatie te plegen een securitisation of structured covered bond kunnen aangaan, tenzij het aangaan van de transactie is te begrijpen onder een normale uitoefening van het bedrijf. Zeker in geval van financiële instellingen is het verdedigbaar dat daarvan sprake is. In het eerste geval zal een overdracht van vorderingen alleen dan door de anti-disposal clausule kunnen worden geraakt, indien de betreffende vorderingenportefeuille een substantieel gedeelte van het gehele vermogen van de originator betreft. Dit zal vermoedelijk niet snel het geval zijn, maar ondenkbaar is dit niet. Een securitisation zou een schending van een anti-disposal clausule kunnen opleveren in die gevallen waarin het merendeel van het vermogen van de originator bestaat uit vorderingenportefeuilles die vervolgens door een hele reeks van securitisationtransacties worden geherfinancierd.3 Maar ook hier kan mogelijk een beroep worden gedaan op de uitzondering van de normale bedrijfsuitoefening.
657. Uitzonderingen op het vervreemdingsverbod. Het is mogelijk dat in de anti-disposal clausule naast de uitzondering voor vervreemdingen in het kader van de normale bedrijfsuitoefening ook nog andere uitzonderingen op het vervreemdingsverbod worden genoemd, waarvan sommige een overdracht van vorderingen in het kader van bijvoorbeeld securitisation zouden kunnen toestaan.4 Het betreft de volgende uitzonderingen:
Vervreemding van activa voor een reële (‘at arms length’) prijs die onmiddellijk (en grotendeels volledig) wordt betaald;
Vervreemding van activa voor een reële prijs waarbij het ontvangen geldbedrag door de leningnemer binnen een bepaalde periode (bijvoorbeeld 6 maanden) wordt aangewend voor de verwerving van vergelijkbare activa (wat betreft type, waarde en kwaliteit);
Vervreemding van activa binnen een boekjaar die een bepaalde limiet niet overstijgen;
Vervreemding van activa waarvan de leningnemer aantoont dat daardoor bepaalde ‘financial covenants’ niet worden geschonden en waarvan de leninggever bovendien van mening is dat deze niet nadelig is voor de kredietwaardigheid van de leningnemer of diens vermogen om het krediet af te lossen, en
Vervreemding van activa waarvan de opbrengst wordt aangewend voor de (vervroegde) aflossing van het krediet van de leninggever.
Ook indien de anti-disposal clausule de bovenstaande uitzonderingen niet bevat, meen ik dat de uitzonderingen genoemd onder (ii) en (v) van toepassing zijn op een vorderingenverkoop in het kader van een securitisation. De leninggever zal in deze gevallen in de regel geen belang hebben om zich op de anti-disposal clausule te beroepen. Hij wordt door de overdracht niet benadeeld, zodat hij zijn instemming met de overdracht naar redelijkheid niet zal kunnen weigeren.