Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.6.2.3
4.6.2.3 De beslagsyllabus: ‘recht’ in de zin van artikel 79 RO?
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493436:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Teuben stelt dat het hier om een weinig duidelijk criterium gaat dat door de Hoge Raad niet nader is uiteengezet. Een mogelijk vereiste zou kunnen zijn dat het een algemeen geformuleerde regel moet betreffen, die in meer gevallen kan worden toegepast, aldus Teuben 2004, p. 169.
In de literatuur spreekt Wenders (in een bestuursrechtelijk kader) van een catalogus van beginselen in de doctrine. Zij noemt het recht op toegang tot de rechter, onafhankelijkheid van de rechter, het onpartijdigheidsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor en het openbaarheidsbeginsel (onderverdeeld in het motiveringsbeginsel en het beginsel van de redelijke termijn): Wenders 2010, p. 72 e.v. In de Asser uitgaven Procesrecht worden diverse civiele procesrechtelijke bepalingen besproken welke in verband met een behoorlijke rechtspleging worden gebracht. Voorbeelden hiervan zijn: akte van niet dienen (art. 133 lid 4 Rv), de procedure rond de mondelinge behandeling en verweer, met name het al dan niet oproepen van partijen dat ook bij het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag speelt (art. 271-277 Rv), de samenloop van procedures, de totstandkoming van het rechterlijk oordeel, het aanhouden van een beslissing door de burgerlijke rechter (ook in Kort Geding) totdat een besluit van de bestuursrechter formele rechtskracht heeft ter voorkoming van mogelijk tegenstrijdige beslissingen, het botsen van algemene doelstellingen inzake efficiency en snelle afdoening met het belang dat recht wordt gedaan op basis van de werkelijke feiten (Van Schaick 2011/ nrs. 6, 73, 77, 103, 145, 156, 157). Voorts: uitzondering op het beginsel van feitelijke grondslag in cassatie, het open staan van cassatie voor degene wiens gemotiveerde verzoek om als belanghebbende te worden gehoord in de vorige instantie is afgewezen, de eisen van motivering (Korthals Altes & Groen 2005, nrs. 120, 165, 205).
‘De ‘onbepaaldheid’ van verwijzingen naar de goede procesorde, zowel wat betreft de normatieve inhoud als het feitencomplex dat in een toetsing aan de goede procesorde of rechtspleging moet worden betrokken, het niet-dwingend karakter en het gegeven dat achter de verwijzing naar een goede procesorde of rechtspleging diverse normen, beginselen of belangen schuilgaan, zijn kenmerkende eigenschappen voor normen die in de rechtsliteratuur als ‘open’ of ‘vage’ normen worden gekwalificeerd’, aldus Lindijer 2006, p.84.
Teuben 2004, p. 104.
Paragraaf 4.7.2 en verder.
Zie paragraaf 4.4.1. en verder.
Zie ook HR 3 april 1998, NJ 1998/571, inzake het liquidatietarief, toentertijd vastgesteld in overleg tussen de NVvR en de NOvA. De omstandigheid dat het huidige liquidatietarief is vastgesteld door vertegenwoordigers van de rechterlijke macht en de NOvA en goedgekeurd door het LOVC en LOVC-hoven leidt bij W.D.H. Asser (impliciet) niet tot de conclusie dat de kwalificatie van de regeling als niet vallend onder artikel 79 lid 1 onder b RO zou zijn gewijzigd: Asser 2011, p. 41.
Teuben stelt bij de bespreking van de betekenis van het Rolrichtlijnen-arrest overigens (ook) aan de orde dat het niet vanzelfsprekend is dat de kwalificatie van een rolreglement als recht in de zin 79 RO ook betekent dat dit voor materieelrechtelijke regelingen heeft te gelden. Teuben 2004, p. 114-116.
Over de status van de Beslagsyllabus in dit verband heeft de Hoge Raad zich tot op heden niet expliciet uitgelaten. Aan de hand van de door de Hoge Raad in het Rolrichtlijnen-arrest geformuleerde criteria kan voor de Beslagsyllabus echter het navolgende worden aangenomen: verondersteld mag worden dat de Beslagsyllabus zich naar inhoud en strekking leent om door de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast,1 dit gebeurt immers in de praktijk al. Ook wordt voldaan aan het vereiste van behoorlijke bekendmaking door publicatie op rechtspraak.nl. Op twee onderdelen ontstaan echter vraagpunten die betrekking hebben op de bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen en de daarmee verband houdende (voorafgaande) binding van rechters aan zo een regeling. Het eerste vraagpunt (in termen van de criteria van de Hoge Raad) is of de Beslagsyllabus de rechter op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging bindt. Hier stuit men op de omstandigheid dat de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging geen vastomlijnd begrip vormen en de Hoge Raad ook niet vermeldt wat hieronder in deze omstandigheden moet worden verstaan.2 Lindijer spreekt over het begrip ‘goede of behoorlijke procesorde’ in de zin van open of vage normen, waar meer normen, beginselen of belangen achter schuilgaan.3 Teuben neemt aan dat het hier in ieder geval om het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel zal gaan.4 Op de (voorafgaande) binding van rechters aan rechtersregelingen in het algemeen en de Beslagsyllabus in het bijzonder kom ik later terug bij de bespreking van het (juridische) bindingsleerstuk.5
Een tweede vraagpunt is of het vaststellen van de Beslagsyllabus door het LOVCK kan worden gezien als ‘door een orgaan van openbaar bestuur dat algemene regels vaststelt met het oog op de uitoefening van het eigen beleid’. Al eerder kwam aan de orde dat uit de wet geen bevoegdheid van het LOVCK tot het vaststellen van algemene regels ofwel een bevoegdheid tot het vaststellen van rechterlijk beleid kan worden afgeleid.6 Het Rolrichtlijnen-arrest, waarin het rolreglement van de Haagse rechtbank als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO werd gekwalificeerd, werd vastgesteld door de rechtbank en zag op de uitoefening van een rechterlijke bevoegdheid, namelijk het vaststellen van regels omtrent te volgen procedures (het invullen van beleidsruimte). Strikt genomen beschikt het LOVCK als orgaan niet over zo een rechterlijke bevoegdheid, met als consequentie dat dit gremium daarom niet bevoegd kan worden geacht om algemene regels vast te stellen die vervolgens (mede) om die reden door rechters zouden moeten worden gevolgd.7 Dit betekent dat de Beslagsyllabus reeds om die reden niet kan worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO.
Een aspect waarover het Rolrichtlijnen-arrest geen uitsluitsel geeft is de betekenis die moet worden gehecht aan het onderwerp van regelgeving: het Rolrichtlijnen-arrest heeft betrekking op een rolreglement en is daarmee formeelrechtelijk van aard. Het is niet vanzelfsprekend dat de Hoge Raad bedoeld heeft te bepalen dat een rechtersregeling die (overwegend) kwesties van materieelrechtelijke aard regelt, ook als ‘recht’ in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO zou moeten worden beschouwd. Teuben ziet hierin overigens geen belemmering, omdat vanuit het gezichtspunt van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging (welke in de visie van deze auteur een basis vormt voor de bevoegdheid van de rechter om rechtersregelingen vast te stellen), ook in dit geval aan de rechter een verplichting oplegt om (in de vorm van een rechtersregeling) tot een consistente invulling van beslissingsruimte te komen.8 Omdat de Beslagsyllabus overwegend betrekking heeft op procesrechtelijke onderwerpen meen ik dat het niet aannemelijk is dat om deze reden sprake zou zijn van een belemmering voor het aanvaarden van de Beslagsyllabus als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO.