Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.4
2.6.4 Tijdelijke bestuurders, commissarissen en beheerders van aandelen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367263:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2009/438 en 806, Croiset van Uchelen 2008, p. 206 en de noot van Josephus Jitta bij Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007,JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction). Vgl. Sluijters, ‘De aansprakelijkheid van een door de OK in het kader van een enquêteprocedure aangestelde bestuurder’, V&O 1999, p. 26 e.v. en Geerts Rechtspersonen, aant. 8.5 bij art. 2:356 BW.
Hof Amsterdam (OK) 19 april 2007, JOR 2007, 142 (Begemann), r.o. 3.1.
Kamerstukken TK 32887, nr. 3 (MvT), p. 39 en 40 en nr. 6 (Nota), p. 3, 4 en 31.
Hof Amsterdam (OK) 27 januari 2006, ARO 2006/34, r.o. 3.7 en 19 april 2007, JOR 2007, 142 m.nt. Blanco Fernandez, r.o. 3.2. Instemmend Croiset van Uchelen 2008, p. 218.
Hof Amsterdam (OK) 31 maart 2006, JOR 2006/181 met kritische noot Josephus Jitta.
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2013, JOR 2013/337 m.nt. Josephus Jitta (Novero).
Het lijkt logisch om aan te nemen dat de positie in de enquêteprocedure van tijdelijke bestuurders, commissarissen en beheerders niet verschilt van die van gewone bestuurders, commissarissen en aandeelhouders. Zoals in hoofdstuk 16 ter sprake zal komen, is de heersende leer in de literatuur1 en rechtspraak2 dat tijdelijke bestuurders en gewone bestuurders en commissarissen geen rechtens van elkaar te onderscheiden rechtsposities zijn. Anders gezegd, de wettelijke regels die gelden voor gewone bestuurders en commissarissen zijn rechtstreeks van toepassing op tijdelijke bestuurders en commissarissen, behoudens de evident afwijkende regels aangaande benoeming, schorsing en ontslag. Ook de wetgever lijkt van die opvatting uit te gaan, blijkens het door hem ingenomen standpunt omtrent de aansprakelijkheid en décharge van tijdelijke bestuurders en commissarissen.3 Dat zou ook moeten gelden voor het vervullen van de rol van de aandeelhouder door de beheerder, die vermogensrechtelijk gezien de eigenaar van de desbetreffende aandelen is. Het feit dat de beheerder deze aandelen niet voor zichzelf houdt, doet daar in beginsel niet aan af.
Waar het hier om gaat, is dat er mogelijk een verschil bestaat tussen enerzijds tijdelijke bestuurders, commissarissen en beheerders en anderzijds gewone bestuurders, commissarissen en aandeelhouders wat betreft de rol die zij in de enquêteprocedure kunnen spelen. Inzake Begemann oordeelde de ondernemingskamer namelijk dat voor tijdelijke bestuurders en commissarissen geen rol is weggelegd in het processuele debat tussen partijen.4 Inzake NIBO heeft de ondernemingskamer met zoveel woorden overwogen dat dit ook geldt voor beheerders.5
De gedachte achter deze oordelen van de ondernemingskamer is dat de ondernemingskamer naar haar oordeel exclusief bevoegd was om te oordelen over het functioneren van de door haar benoemde functionarissen. De ondernemingskamer kwam tot deze oordelen naar aanleiding van de wens van partijen om de desbetreffende bestuurder, respectievelijk beheerder aan de tand te voelen omtrent hun functioneren. De ondernemingskamer is daar duidelijk niet van gediend.
Deze rechtspraak lijkt te zijn verlaten. Zo traden een tijdelijk bestuurder en beheerder op als verzoekers in de procedure die leidde tot de Novero-beschikking6 van de ondernemingskamer.