Hof 's-Hertogenbosch, 20-10-2015, nr. HD 200.101.749, 01
ECLI:NL:GHSHE:2015:4163
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
20-10-2015
- Zaaknummer
HD 200.101.749_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2015:4163, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 20‑10‑2015; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3887
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1265
ECLI:NL:GHSHE:2014:3887, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 30‑09‑2014; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4163
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1265
ECLI:NL:GHSHE:2014:1265, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 06‑05‑2014; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3887
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4163
- Wetingang
art. 92 Burgerlijk Wetboek Boek 6
art. 453 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
GJ 2016/1 met annotatie van mr. R.P. Wijne
GZR-Updates.nl 2015-0430
GZR-Updates.nl 2015-0429
JA 2014/92
GJ 2014/83
GZR-Updates.nl 2014-0155
Uitspraak 20‑10‑2015
Inhoudsindicatie
Medische fout. Gebrekkige informatie. Letselschade. Verlies van een kans.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.101.749/01
arrest van 20 oktober 2015
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. D. Zwartjens te Utrecht,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 6 mei 2014 en 30 september 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 159969/07/1097 gewezen vonnissen van 30 september 2009 en 3 augustus 2011.
9. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 30 september 2014;
- -
het deskundigenbericht van 6 februari 2015 met bijlagen;
- -
de memorie na deskundigenbericht van [appellante] van 14 april 2015;
- -
de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [geïntimeerden] c.s. van 9 juni 2015 met een productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
10. De verdere beoordeling
10.1.
Het hof verwijst naar en volhardt bij het tussenarrest van 30 september 2014 en het tussenarrest van 6 mei 2014 dat daaraan vooraf ging.
10.1.1.
Het hof herhaalt kort waarom het gaat.Nadat [appellante] , toen anderhalf jaar oud, in de ochtend van 2 maart 1993 ziek aanvoelde, heeft haar vader twee maal in de ochtend gebeld met de huisarts, [geïntimeerde 2] , die verscheen omstreeks 12:00-12:30 uur. Zij heeft [appellante] uitgekleed en gezien en haar temperatuur opgenomen. Zij rapporteerde geen vlekjes (petechiën, later door partijen en deskundigen ook “purpura” genoemd; het hof zal hierna ook over “purpura” spreken). Rond 15:00 uur heeft de vader de temperatuur opgenomen; deze was licht gezakt, en heeft hij een urinemonster naar de praktijk gebracht. Na 17:00 uur heeft hij gebeld, maar kreeg toen het antwoordapparaat met de melding dat hij in dringende gevallen de vervanger moest bellen. Dat heeft hij omstreeks 22:30 tot 23:00 uur gedaan waarna vrijwel onmiddellijk de vervanger is gekomen die [appellante] meteen naar het Carolus ziekenhuis in Den Bosch heeft gebracht vanwaar zij omstreeks 04:00 uur naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht is gebracht. Er bleek sprake te zijn van een meningokokkensepsis met ernstig letsel tot gevolg.
10.1.2.
Fouten welke gemaakt zouden zijn bij het eerste huisartsbezoek (omstreeks 12:00-12:30 uur) zijn niet meer aan de orde; volgens de rechtbank was daarvan niet gebleken en tegen dat oordeel zijn geen grieven gericht.
10.1.3.
In hoger beroep – zie het eerste tussenarrest onder r.o. 4.7 – waren vooral de volgende verwijten aan de orde:
- 1.
[geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerden] (de opleider/begeleider van [geïntimeerde 2] ) hadden uiterlijk omstreeks 15:00 uur, althans aan het einde van de middag, de diagnose meningokokkensepsis moeten stellen
- 2.
zij hebben de vader onvoldoende geïnformeerd omtrent hoe te handelen na het sluiten van de praktijk
- 3.
zij hebben nagelaten de waarnemer te informeren omtrent de gezondheidssituatie van [appellante] .
10.1.4.
Het hof achtte het tweede en derde verwijt – welke verwijten samenhang vertonen – gegrond (r.o. 4.9 e.v. en r.o. 4.10), maar het eerste niet (r.o. 4.8).
10.1.5.
In verband daarmee is van belang wanneer voor het eerst de purpura zijn geconstateerd, en in het voetspoor daarvan wanneer de behandeling zou zijn ingezet als [geïntimeerden] c.s. vader [appellante] voldoende duidelijk hadden geïnstrueerd.Om redenen als in het tussenarrest verwoord, heeft het hof geoordeeld dat ervan uit moet worden gegaan dat bij een adequate voorlichting door [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerden] de behandeling niet eerst omstreeks 23:00, maar omstreeks 19:30 uur zou zijn aangevangen. Het hof heeft vervolgens vragen geformuleerd waarbij zulks als uitgangspunt is genomen.Het hof bespreekt het deskundigenrapport hierna, vanaf r.o. 10.6.
10.2.
Blijkens haar vraagstelling - dat wil zeggen: de vraagstelling van dhr. [partijdeskundige 1] , ingeschakeld door de advocaat van [appellante] , aan de deskundige; zie sub 9a van het rapport - alsmede blijkens de memorie na deskundigenbericht van [appellante] onder randnummers 2 en 3 wenst [appellante] het hof te bewegen om bij wege van voortschrijdend inzicht te oordelen dat het delay niet eerst vanaf omstreeks 19:30 uur, doch reeds vanaf omstreeks 12:00 uur, althans vanaf omstreeks 17:00 uur gerekend dient te worden. Het hof dient een en ander te beoordelen alvorens aan een bespreking van het deskundigenbericht te kunnen toekomen.
10.3.
Wat betreft de aanwezigheid en/of zichtbaarheid van purpura omstreeks 12:00 uur:
10.3.1.
[geïntimeerde 2] heeft de purpura niet genoteerd en verklaarde in haar schriftelijke verklaring van 31 december 1996 geen vlekjes op buik of borst te hebben gezien.Vader [appellante] had ter comparitie in eerste aanleg – veertien jaar na dato - verklaard dat hij niet met [geïntimeerde 2] over de vlekjes heeft gesproken, maar dat hij rond 12 uur twee vlekjes onder de navel en drie vlekjes op de borstkas had gezien, welke vlekjes hij nooit eerder had gezien.Het hof oordeelde dit alles in het tussenarrest niet voldoende.
10.3.2.
Er zijn in het geheel geen nadere gegevens bekend geworden die enig ander licht zouden kunnen werpen op de vraag of er reeds omstreeks het middaguur purpura zichtbaar waren.Overigens merkt het hof op, dat als die purpura dan inderdaad wel aanwezig waren geweest, dat mogelijk op een tekortkoming van [geïntimeerde 2] had gewezen, maar tegen het oordeel van de rechtbank dat een tekortkoming van [geïntimeerde 2] bij gelegenheid van het eerste bezoek niet was komen vast te staan, zijn geen grieven gericht. Honorering van dit standpunt van [appellante] zou met zich brengen dat [geïntimeerden] c.s. alsnog aansprakelijk zouden worden gehouden voor handelingen waarvan in rechte vast staat dat deze geen tekortkoming opleveren.
10.3.3.
Het hof oordeelde in r.o. 7.6 van het tweede tussenarrest dat van de aanwezigheid van vlekjes aan het einde van de middag niet kon worden uitgegaan. Omtrent de aanwezigheid van purpura omstreeks het middaguur had het hof zich niet expliciet uitgelaten, maar in het oordeel omtrent de niet-aanwezigheid van purpura aan het einde van de middag ligt besloten dat het hof van oordeel was dat er ook geen aanwijzingen waren voor de zichtbaarheid van purpura omstreeks het middaguur. Het hof ziet geen enkele aanleiding om terug te komen op dat oordeel en thans alsnog te oordelen dat rondom het middaguur reeds purpura zichtbaar waren.
10.4.
Wat betreft de aanwezigheid van purpura omstreeks 17:00 uur:
10.4.1.
De eerder aangezochte deskundige [partijdeskundige 2] wijst er in zijn eerste rapport op dat het Wilhelmina Kinderziekenhuis in zijn brief (een van zijn brieven van 16 maart 1993 en 8 september 1993) vermeldt dat er omstreeks 17:00 uur vlekjes zichtbaar waren, maar dat dit een anamnestisch gegeven moet zijn.
10.4.2.
De door het hof benoemde deskundige Hartwig stelt dat volgens de brief van de kinderartsen van het Carolus ziekenhuis de purpura zouden zijn ontstaan tegen de avond, hetgeen de deskundige heeft geïnterpreteerd als rond 17:00 uur. [appellante] sluit daar in haar memorie na deskundigenbericht bij aan. Als dat juist zou zijn zou [appellante] mogelijk – op zijn vroegst – tussen 17:30 en 18:00 uur in het ziekenhuis zijn gearriveerd, twee uur eerder dus dan waar het hof in het eerste tussenarrest van uit is gegaan.
10.4.3.
Het staat evenwel in het geheel niet vast dat die purpura reeds rond 17:00 uur zijn ontstaan. De mededeling van de kinderartsen dienaangaande moet immers, zoals deskundige [partijdeskundige 2] in zijn eerste rapport opmerkte, berust hebben op anamnestische gegevens. De door de kinderartsen gebezigde term “tegen de avond” moet afkomstig zijn geweest – hetzij direct, hetzij indirect, via de vervanger – van vader [appellante] . Wat hij destijds precies heeft gezegd en hoe dit in de brief terecht is gekomen aldus dat daar de term “tegen de avond” is gebezigd, staat geenszins vast.
10.4.4.
In het eerste tussenarrest heeft het hof, r.o. 4.13.3 halverwege, geoordeeld dat niet met (voldoende) zekerheid valt vast te stellen dat de vervanger die purpura reeds aan het begin van de avond zou hebben geconstateerd als hij eerder op die avond [appellante] zou hebben bezocht.In de eerste plaats dient onderscheid gemaakt te worden tussen het (voor het eerst) zichtbaar worden van de purpura, en het tijdstip waarop naar redelijke verwachting een arts – hetzij [geïntimeerde 2] of [geïntimeerden] zelf, hetzij een vervanger – die purpura zou hebben waargenomen.
10.4.5.
Uit de verklaring van [geïntimeerde 2] valt af te leiden dat de praktijk om 17:00 uur sloot. Vader [appellante] moet na 17:00 uur naar de praktijk hebben gebeld, want hij kreeg het antwoordapparaat aan de lijn. Uit zijn verdere gedrag in deze aangelegenheid blijkt dat hij telkens alert reageerde. Doch nadere concrete gegevens ontbreken.
10.4.6.
Zoals, althans ten dele, ook reeds in r.o. 4.13.3 van het tussenarrest tot uiting is gebracht, is een oordeel omtrent elk tijdstip:
- -
waarop de purpura konden worden waargenomen,
- -
waarop vader [appellante] deze zelf heeft waargenomen,
- -
waarop vader [appellante] – hadden [geïntimeerden] en [geïntimeerde 2] hem beter geïnstrueerd – naar de vervanger zou hebben gebeld,
en dientengevolge:
- waarop de vervanger zou zijn gekomen en de behandeling zou zijn aangevangen,
tot op zekere hoogte arbitrair. Een ding is daarbij zeker: toen de vervanger arriveerde waren de purpura evident; voor 17:00 waren zij dit nog niet.
10.4.7.
Tegen die achtergrond heeft het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het aannemelijk geacht - en voor de verdere beoordeling tot uitgangspunt genomen - dat de behandeling bij adequate voorlichting van vader [appellante] door [geïntimeerden] c.s. omtrent hoe te handelen als het slechter ging, omstreeks 19:30 uur zou zijn aangevangen (en vader [appellante] dus omstreeks 19:00 uur, vrij vroeg in de avond, de vervanger zou hebben gebeld). Het hof ziet in het door [appellante] nader gestelde geen aanleiding om van dit uitgangspunt terug te komen.
10.5.
Het hof handhaaft, kortom, als begintijdstip waarop het delay rechtens relevant wordt voor het bepalen van de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] c.s., het tijdstip van 19:30 uur.
10.6.
Het hof heeft bij zijn laatste tussenarrest dr. N.G. Hartwig benoemd tot deskundige, teneinde antwoord te geven op een aantal door het hof geformuleerde vragen. Deze heeft zijn antwoorden neergelegd in een rapport waarin hij onder meer verwijst naar het eerder door dr. [partijdeskundige 3] opgestelde rapport, dat door [appellante] was overgelegd bij akte van 27 mei 2014. Hartwig en [partijdeskundige 3] verwijzen beiden naar een thans ook door Hartwig meegezonden artikel in de Engelse taal, betreffende een Deens onderzoek.
10.6.1.
De eerste vraag welke de deskundige diende te beantwoorden hield in of kon worden gesteld dat [appellante] een kans op een beter behandelresultaat zou hebben gehad als de behandeling om 19:30 uur in plaats van 23:00 uur zou zijn ingezet. Strikt genomen lag het - bevestigende - antwoord op die vraag grotendeels reeds besloten in de eerdere rapportages en dit wordt in de samenvatting van het antwoord op de eerste vraag nog eens uitdrukkelijk door de deskundige bevestigd.Daarnaast hield de eerste vraag in met welke mate van waarschijnlijkheid [appellante] een kans op een beter behandelresultaat gehad zou hebben en hoe groot de kans daarop zou zijn geweest. Vraag 2 is een uitwerking daarvan.
10.6.2.
Zoals ook eerder in de procedure is vervolgens de kansberekening en de uitdrukking in percentages tussen partijen in geschil. De deskundige stelt, met de nodige voorbehouden, dat de kans op blijvende schade bij toediening van antibiotica omstreeks 19:30 uur ongeveer 30 % zou zijn geweest tegen 45 % bij toediening omstreeks 23:00 uur.
10.6.3.
[appellante] stelt, kort gezegd, dat de schade dus 50 % groter is geweest dan deze geweest zou zijn bij adequate behandeling en voorlichting door [geïntimeerden] c.s. Welke conclusies [appellante] aan die relatieve toename verbindt is niet geheel duidelijk.[geïntimeerden] c.s. stelt dat die relatieve toename van de kans bij de waardering van het aandeel van de schade dat voor rekening van de “veroorzaker” komt niet van belang is.Naar ’s hofs oordeel is niet de relatieve toename (dat wil zeggen: de toename van 30 naar 45 %, zijnde een relatieve toename van 50 %), doch de absolute toename (dat wil zeggen: de toename van 30 naar 45 %, zijnde 15 procentpunten) van het verlies van een kans doorslaggevend voor het deel van de schade dat voor vergoeding in aanmerking komt.Een andere visie zou ertoe kunnen leiden dat, bijvoorbeeld, in een situatie waarin de kans op het intreden van een gevolg 2 % bedraagt, en deze kans als gevolg van een fout wordt vergroot naar 4 % (dus een absolute toename van (slechts) 2 procentpunten maar een relatieve toename van 100 %) 100 % van de schade zou worden vergoed, zulks terwijl de kans nog steeds “slechts” 4 % bedroeg.
10.6.4.
[geïntimeerden] c.s. herhalen in hun antwoordmemorie na deskundigenbericht, zie onder meer randnummers 2.11 en 4.2, dat er niet van kan worden uitgegaan/onvoldoende is bewezen dat [appellante] betere kansen zou hebben gehad als de start van een antibiotische behandeling 3,5 uur eerder had kunnen aanvangen.Dat moge juist zijn in die zin dat er geen onomstotelijk (wetenschappelijk) bewijs is dat in dit concrete geval [appellante] er minder slecht aan toe zou zijn geweest als de behandeling 3,5 uur eerder had kunnen aanvangen. Zij kunnen zich daarop echter niet beroepen. Het is immers hun fout geweest die maakt dat nooit meer vastgesteld kan worden hoe het ziekteverloop zou zijn geweest zonder de door hen gemaakte fout. De daardoor ontstane onzekerheid komt voor hun risico. Dat leidt niet tot toepassing van de omkeringsregel, maar werkt wel door in de waardering van het bewijs, waar noodgedwongen enkel met aannemelijkheden en waarschijnlijkheden, doch niet met volstrekte zekerheden gewerkt kan worden.
10.6.5.
Partijen hebben bespiegelingen gewijd aan de wijze waarop kansen moeten worden berekend waarbij [appellante] stelt dat het gaat om een toename van de odds. In het artikel van Køster-Rasmussen e.a. (Journal of Infection [2008] 57, pag. 449-454, getiteld: “Antibiotic treatment delay and outcome in acute bacterial meningitis”) dat [partijdeskundige 3] aan zijn rapport (prod. 9 bij memorie d.d. 27 mei 2014 van [appellante] na tussenarrest) ten grondslag legt, en welk artikel ook door deskundige Hartwig mede aan zijn rapport ten grondslag wordt gelegd, schrijft Rasmussen: “In the first 12 h from admission, the odds for an unfavourable outcome increased 30 % with every hour, (…)” (pag. 453, l.k.).
10.6.6.
Hoe verhelderend ook als het erom gaat toe te lichten waar het verstrijken van de uren voor het slechter worden van de prognose toe leidt, in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad acht het hof de benadering vanuit het oogpunt van “odds”, waarbij de kans op het wel intreden van een gevolg wordt afgezet tegen de kans op het niet intreden van dat gevolg, niet geschikt als het gaat om de begroting van de schade.[appellante] heeft ook niet toegelicht hoe de berekening van de odds of de toename daarvan zouden doorwerken in een begroting van de schade.
10.6.7.
Uitgangspunt vormt de schade zoals die uiteindelijk wordt vast gesteld. Vanzelfsprekend zit hier een probleem, want niet alleen kan pas achteraf worden vastgesteld of er schade is ontstaan, maar ook blijkt pas achteraf welke schade is ontstaan en op welk geldbedrag deze gewaardeerd kan worden. Toch dient, bij gebreke van enig ander aanknopingspunt, terug geredeneerd te worden vanuit de schade zoals deze zich in concreto heeft gemanifesteerd, en vervolgens te worden bezien hoe groot - voordat de schade zich daadwerkelijk had gemanifesteerd! - de kansen waren dat de schade zich zou voordoen. Kans dient hierbij te worden verstaan als waarschijnlijkheid, uitgedrukt in een percentage van het totale aantal gevallen. Dat percentage kan vermenigvuldigd worden met de daadwerkelijke schade. Dat rekenkundige product kan “risico” worden genoemd.Die “risico’s” kunnen worden berekend voor de situatie dat er geen, en de situatie dat er wel een fout is gemaakt. Het verschil daartussen kan als de door de fout veroorzaakte schade worden aangemerkt.
10.6.8.
[partijdeskundige 3] komt in zijn rapport, ook al is dit gebaseerd op de oddsratio zoals die aan het rapport van Rasmussen ten grondslag ligt, uiteindelijk tot de begroting van kansen (in de zin van: in procenten uitgedrukte waarschijnlijkheden), welke wel een basis kunnen opleveren voor een schadebegroting en Hartwig sluit zich daarbij aan. Ook het hof sluit zich daarbij aan en herhaalt dat het daarbij niet kan gaan om een met wiskundige zekerheid vaststaande berekening, maar om een berekening welke zo goed mogelijk aansluit bij datgene wat thans, meer dan 22 jaar na dato, nog vastgesteld kan worden en waarbij aan de belangen van zowel slachtoffer als aansprakelijke personen zoveel mogelijk recht wordt gedaan.
10.6.9.
Het rapport van Hartwig leidt ertoe dat [geïntimeerden] c.s. aansprakelijk zijn voor 15 % van de schade zoals deze door [appellante] is geleden en zoals deze uiteindelijk zal worden vastgesteld.
10.7.
[appellante] heeft vergoeding van schade, op te maken bij staat gevorderd. Die vordering is toewijsbaar op de wijze zoals hierna in het dictum te vermelden. Zij heeft voorts voorschotten op de schadevergoeding gevorderd. Zij vordert afzonderlijke voorschotten in verband met de inkomensschade, en in verband met smartengeld. Naar ’s hofs oordeel kan met één bedrag worden volstaan. In totaal is aan voorschotten € 39.500,-- gevorderd. Voorkomen dient te worden dat enig bedrag aan voorschotten zou moeten worden terugbetaald als uiteindelijk een lager bedrag aan schadevergoeding zou worden vastgesteld. Bij een voorschot als gevorderd zou dat betekenen dat de hoogte van de totale schade (inclusief smartengeld) op een hoger bedrag dan € 263.333,33, van welk bedrag € 39.500,-- 15% is, zou moeten worden vastgesteld. Dat de schade op een dergelijk bedrag zal worden vastgesteld staat echter geenszins vast. Bij deze stand van zaken zal het hof het voorschot vaststellen op een bedrag groot € 25.000,--.
10.8.
[geïntimeerden] c.s. dienen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van beide instanties te worden verwezen. Immers, ook al zal het hof slechts 15 % en niet 100 % van de schade toekennen, de schade welke [appellante] heeft geleden is (deels) te wijten aan de fout van [geïntimeerden] c.s. en zij heeft een procedure moeten instellen om haar recht op vergoeding vastgesteld te krijgen.
10.9.
Wat de kosten van de deskundigen betreft:
10.10.
De rechtbank had bij vonnis van 28 mei 2008 prof. Dinant tot deskundige benoemd. De kosten (op dat moment niet begroot) zijn in debet gesteld. Bij vonnis van 13 januari 2010 is een onderzoek gelast door prof. Bonten en toen is een voorschot vastgesteld van € 4.000,--, te betalen door [geïntimeerden] c.s.Bij eindvonnis van 3 augustus 2011 overwoog de rechtbank dat de kosten van prof. Dinant begroot waren op € 4.000,-- en door [geïntimeerden] c.s. dienden te worden voldaan. Voor de kosten van prof. Bonten gold dat deze uiteindelijk € 3.500,-- hadden bedragen, zodat een bedrag van € 500,-- aan [geïntimeerden] c.s. was gerestitueerd. De rechtbank veroordeelde [geïntimeerden] c.s. in het dictum sub 3.2 tot betaling van € 4.000,-- voor de kosten van prof. Dinant.[geïntimeerden] c.s. hebben het voorschot voor het deskundigenonderzoek in hoger beroep voldaan.
10.11.
De kosten van de deskundigen kunnen worden beschouwd als kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en van de schade, als bedoeld in art. 6:92 lid 2 sub b BW. Nu [geïntimeerden] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade (bestaande in het verlies van een kans) dienen zij de- redelijk te achten – kosten voor hun rekening te nemen.
11. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het eindvonnis van 3 augustus 2011 ten aanzien van het petitum sub 3.2 en 3.3 en ten aanzien van de overwegingen sub 2.31 en 2.32 betreffende de kosten van de deskundigenonderzoeken, en vernietigt dat vonnis en de overige vonnissen voor het overige, en – in zoverre – opnieuw rechtdoende;
veroordeelt [geïntimeerde 2] en [geïntimeerden] hoofdelijk, aldus dat indien en voor zover de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellante] te betalen een bedrag ter grootte van 15 % van de door haar geleden schade, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en dient te worden vereffend volgens de wet;
veroordeelt [geïntimeerde 2] en [geïntimeerden] hoofdelijk, aldus dat indien en voor zover de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellante] bij wijze van voorschot te betalen een bedrag ter grootte van € 25.000,--, welk bedrag op de uiteindelijk vast te stellen schade in mindering zal worden gebracht;
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het geding, aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg begroot op € 970,85 aan vast recht en € 1.908,-- voor salaris advocaat, en in hoger beroep op € 291,-- aan vast recht en € 2.682,-- voor salaris advocaat;
verstaat dat het door [geïntimeerden] c.s. betaalde voorschot ten behoeve van de in hoger beroep benoemde deskundige voor hun rekening blijft;
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, H.A.W. Vermeulen en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 oktober 2015.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 30‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Medische fout. Gebrekkige informatie. Letselschade. Verlies van een kans.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.101.749/01
arrest van 30 september 2014
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. D. Zwartjens te Utrecht,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 mei 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 159969/07/1097 gewezen vonnissen van 30 september 2009 en 3 augustus 2011.
6. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 6 mei 2014;
- de memorie van [appellante] met twee producties van 27 mei 2014;
- de antwoordmemorie van [geïntimeerden] c.s. met drie producties van 8 juli 2014.
Daarna is arrest bepaald.
7. De verdere beoordeling
7.1.
Bij genoemd tussenarrest is de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich bij memorie uit te laten over aantal, deskundigheid en de persoon van de te benoemen deskundige (zie r.o. 4.19). Abusievelijk is in het dictum de zaak naar de rol verwezen voor memorie na deskundigenbericht, maar dit dictum is door partijen in bovenvermelde zin opgevat.
7.2.
Nadat door [geïntimeerden] c.s. de antwoordmemorie (met producties) was genomen, heeft de roladministratie een datum voor arrest bepaald. De advocaat van [appellante] heeft daartegen bij faxbericht van 14 juli 2014, overgelegd bij H16-formulier van 16 juli 2014, bezwaar gemaakt, omdat, kort samengevat, naar zijn mening deze rolbeslissing onjuist is en heeft daarop verzocht de zaak te verwijzen naar de rol voor partijberaad. Bovendien is erop gewezen dat [geïntimeerden] c.s. nog een productie heeft overgelegd, waarop [appellante] niet heeft kunnen reageren. Voor het geval de rolgriffier het verzoek zal honoreren, is een akte uitlating deskundige(benoeming) tevens houdende uitlating producties, tevens houdende productie bijgevoegd. Dit verzoek is door de rolgriffier op grond van artikel 2.14 van het (pilot)reglement geweigerd. Daarbij is aangetekend dat ervan kan worden uitgegaan, dat indien een partij niet in de gelegenheid is geweest inhoudelijk te reageren op de producties van de wederpartij, de behandelend kamer ofwel die producties buiten beschouwing zal laten, ofwel bij tussenarrest eerste bedoelde partij alsnog in de gelegenheid zal stellen bij akte of memorie na tussenarrest daarop te reageren.
Het hof is van oordeel dat laatstgenoemde situatie zich in dit geval voordoet en [appellante] zal derhalve alsnog in de gelegenheid worden gesteld te reageren op de door [geïntimeerden] c.s. overgelegde productie, zijnde het (partij)rapport van [partijdeskundige 1] , die op zijn beurt reageert op het (partij)rapport van dr. [partijdeskundige 2] van 25 mei 2014. Gelet op hetgeen het hof hierna overweegt, zal de eerstvolgende gelegenheid de memorie na deskundigenbericht zijn.
7.3.
Zoals uit de hiervoor weergegeven aanduiding van de – geweigerde – akte van [appellante] blijkt, heeft de advocaat van [appellante] daarin tevens een voorstel gedaan voor de te benoemen deskundige [partijdeskundige 3] . In haar memorie van 27 mei 2014 heeft [appellante] aangegeven dat voor wat betreft de te benoemen deskundige bijzondere expertise aanwezig lijkt te zijn in het Erasmus Sophia ziekenhuis te [plaats] , dat haar medisch adviseur navraag heeft gedaan welke kinderarts/infectioloog bereid is deze expertise te verrichten, maar nog in afwachting is van een antwoord. Nu [geïntimeerden] c.s. in de antwoordmemorie reageert op een voorstel van [appellante] om [partijdeskundige 3] te benoemen, zal het hof om pragmatische redenen bij de beoordeling hierna ervan uitgaan dat de naam van die deskundige reeds in de memorie van 25 mei 2014 door [appellante] is genoemd.
7.4.
In haar memorie verwijst [appellante] naar het oordeel van het hof dat de omkeringsregel niet van toepassing is en voegt daar vervolgens aan toe dat haar medisch adviseur erop heeft gewezen dat de vader van [appellante] tijdens de comparitie bij de rechtbank heeft verklaard rond het middaguur vlekjes te hebben gezien en dat hij zo ongerust was vanwege de futloosheid van [appellante] . Als de in te schakelen kinderarts/infectioloog daar eveneens gewicht aan toekent, dan zou het hof bij wege van voortschrijdend inzicht het delay kunnen uitbreiden naar meer uren en is het kansverlies van [appellante] hoger. In aansluiting daarop heeft de medisch adviseur vraag 3 aangepast. De door de medisch adviseur voorgestelde vraagstelling is als productie 10 bijgevoegd.
Tevens legt [appellante] in aanvulling op het eerder overgelegde artikel van Rasmussen (hof: productie 2 MvG) een brief/rapport van 25 mei 2014 over van de door de advocaat van [appellante] geraadpleegde dr. [partijdeskundige 2] (prod. 9). Daarin wordt geconcludeerd dat uitgaande van een delay van 3,5 uur de toename in kans op blijvend zwaar letsel gelijk is aan 0,53, maar wordt het op medische gronden heel waarschijnlijk geacht dat deze kans groter is voor kinderen omdat bij hen de hersenen nog volop in ontwikkeling zijn. In de memorie wordt de suggestie gedaan deze medisch-statistische vraag toe te voegen.
Als deskundige wordt [partijdeskundige 3] van het Sophia Kinderziekenhuis genoemd.
7.5.
[geïntimeerden] c.s. heeft bij brief van 19 juni 2014 (prod. 1) prof. dr. [partijdeskundige 1] (patholoog-klinisch epidemioloog en tevens jurist en hoogleraar Methodologie en aansprakelijkheid aan de EUR) verzocht in de onderhavige zaak een expertise te verrichten.
Daarbij is [partijdeskundige 1] gevraagd of 1) de inhoud van het artikel van Rasmussen bij de beoordeling van de gevolgen van het delay in dit geval van waarde kan zijn en 2) of de uitleg van [partijdeskundige 2] een methodologisch juiste is. [partijdeskundige 1] heeft beide vragen negatief beantwoord en zulks is in zijn rapport van 26 juni 2014 (prod. 2) nader toegelicht. Op grond daarvan concludeert [geïntimeerden] . c.s. onder verwijzing naar het artikel van Rasmussen dat niet is aan te nemen dat een verband bestaat met een verlies van een kans dat [appellante] beter af zou zijn geweest bij een eerdere start van de behandeling, laat staan dat kan worden bepaald hoe groot die kans zou zijn geweest.
In aansluiting daarop betoogt [geïntimeerden] c.s. dat een tweede deskundigenbericht overbodig is. Hij wijst er daarbij op dat ook prof. Bonten heeft aangegeven dat hij met geen zinnig woord iets kan zeggen over de vraag of [appellante] bij een eerdere start van de antibiotische behandeling kans zou hebben gehad op een beter behandelresultaat en, zo ja, hoe groot die kans zou zijn geweest. Onder verwijzing naar pagina 5, laatste alinea, van zijn deskundigenbericht stelt [geïntimeerden] c.s. dat het niet zo is dat prof. Bonten zelf hier niets zinnigs over kan zeggen, maar valt hier kennelijk in zijn algemeenheid niets zinnigs over te zeggen. Gelet op Bontens leerstoel is hij als microbioloog bijzonder gekwalificeerd op het gebied van bacteriële infectie en de uitgelezen persoon om uitspraken te doen over de effecten van antibiotische therapie.
Voor het geval wordt vastgehouden aan het voornemen om een deskundige te benoemen, kan [geïntimeerden] c.s. niet instemmen met de namens [appellante] voorgestelde infectioloog [partijdeskundige 3] aangezien van hem geen deskundige berichten bekend zijn en het dus de vraag is of hij voldoende in staat kan worden geacht in deze lastige problematiek een gemotiveerd oordeel te geven, zeker niet nu uit zijn lijst van publicaties blijkt dat hij zijn aandacht met name richt op de behandeling van chronische ziekten en niet op infectieziekten.
[geïntimeerden] c.s. stelt in dat geval voor dr. Hartwig, kinderarts-infectioloog, tot deskundige te benoemen. Hij was werkzaam in het ErasmusMC-Sophia te Rotterdam en is sinds kort verbonden aan het [gasthuis] Gasthuis in [plaats] ; hij is vaker door gerechtelijke instanties benoemd en is dus bekend met de richtlijn ter zake het opstellen van een deskundigenbericht.
[geïntimeerden] c.s. kan in grote lijnen instemmen met de vraagstelling zoals in r.o. 4.18 van het tussenarrest opgenomen, met dien verstande dat [geïntimeerden] c.s. verzoekt vraag 1 aan te vullen op de wijze zoals in de memorie vermeld. Daarnaast geeft [geïntimeerden] c.s. aan zich te kunnen vinden in de namens [appellante] voorgestelde vraag aan de deskundige een vergelijking te maken tussen de huidige klachten en beperkingen en de klachten en beperkingen, die ook aanwezig zouden zijn geweest indien er kansen op een beter behandelresultaat aanwezig zouden zijn, inclusief een prognose voor de toekomst.
7.6.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het hof begrijpt, verzoekt [appellante] het hof terug te komen op zijn oordeel dat de omkeringsregel niet van toepassing is. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding daarop terug te komen. Ten aanzien van de waarneming van de vlekjes door de vader van [appellante] verwijst het hof naar hetgeen in het tussenarrest in r.o. 4.13.3 is overwogen. De vader van [appellante] heeft inderdaad tijdens de comparitie in eerste aanleg verklaard omstreeks 12:00 uur ‘vlekjes’ bij [appellante] te hebben gezien, maar daarbij is van belang dat deze verklaring ruim veertien jaar na het gebeuren is afgelegd, terwijl [geïntimeerde 2] , die op de bewuste dag omstreeks 12:00 uur [appellante] heeft gezien, daarover niet heeft gerapporteerd. Bij gebreke van andere duidelijke aanwijzingen in het medisch dossier kan van de juistheid van de aanwezigheid van vlekjes bij [appellante] aan het einde van de middag op 2 maart 1993 niet worden uitgegaan.
Het hof neemt, mede gelet op hetgeen door [geïntimeerden] c.s. daarover is opgemerkt, de door [appellante] voorgestelde medisch-statistische vraag niet over. Uit de beide partijrapporten blijkt duidelijk dat partijen verschillen over de gevolgen van het medisch delay voor zover deze uit de beschikbare statistische gegevens kunnen worden afgeleid. Zoals reeds in het tussenarrest overwogen, heeft het hof juist op dit punt behoefte aan deskundige voorlichting. Het hof wenst dan ook het oordeel van de deskundige op dit punt af te wachten.
7.7.
Hieruit volgt reeds dat het hof het standpunt van [geïntimeerden] c.s. dat een tweede deskundigenbericht overbodig is, niet deelt. Anders dan [geïntimeerden] c.s. lijkt te suggereren, twijfelt het hof niet aan de deskundigheid van Bonten als arts-microbioloog. Gevraagd of een beter behandelresultaat mogelijk zou zijn geweest indien eerder met de behandeling was gestart en of schattenderwijs kan worden aangegeven hoe groot een dergelijke kans is en waaruit dat resultaat zou hebben bestaan, antwoordt Bonten inderdaad dat hij met geen zinnig woord iets kan zeggen over de kansen daarop, omdat de individuele variatie van zowel het ziektebeloop als van de effecten van de behandeling hierop groot zijn. Daaraan voorafgaand heeft Bonten geantwoord dat eerdere behandeling de kansen op overleving vergroten en de kansen op restafwijkingen verkleinen. Hij licht dit als volgt toe:
“Letsels van huid en weke-delen door onvoldoende doorbloeding ten tijde van de septische shock behoren tot de ernstige restafwijkingen. Eerdere antibiotische behandeling, ondersteuning van de bloeddruk en correctie van de gestoorde bloedstolling had mogelijk tot minder schade kunnen leiden. In dit geval zou het dan om kleinere defecten van huid en weke-delen gaan, waarvoor wellicht geen voetamputatie noodzakelijk was geweest.”
Uit dit antwoord van Bonten volgt in ieder geval dat de kans op een beter behandelresultaat aanwezig was en dat eerdere behandeling tot minder schade – bijvoorbeeld het achterwege blijven van de voetamputatie - had kunnen leiden. In de procedure in hoger beroep is, anders dan in eerste aanleg, komen vast te staan dat bij de beantwoording van de vraag naar de grootte van de kans ervan moet worden uitgegaan dat de behandeling van [appellante] niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn ingezet. Dit gegeven leidt er wellicht toe dat thans – wellicht - met een grotere mate van zekerheid iets kan worden gezegd, eventueel met het inschakelen van een deskundige op het gebied van medische statistiek, over de grootte van de kans op een beter behandelresultaat bij een eerder begin van de behandeling van [appellante] .
7.8.
De suggestie van [geïntimeerden] c.s. om vraag 1 aan te vullen door de deskundige uitdrukkelijk te vragen of daar iets over te zeggen valt, komt het hof zinvol voor. Het gaat evenwel te ver om te vragen ‘of met zekerheid kan worden gesteld’ dat [appellante] een kans op een beter behandelresultaat zou hebben gehad. Absolute zekerheid zal naar verwachting niet te geven zijn. Daarom wordt de deskundige gevraagd met welke mate van waarschijnlijkheid kan worden aangegeven dat indien de behandeling op 2 maart 1993 – hof: [geïntimeerden] c.s. gaat abusievelijk uit van 3 maart 1993 - niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn ingezet [appellante] een kans op een beter behandelresultaat zou hebben gehad en hoe groot die kans zou zijn geweest.
Ook de suggestie van [appellante] om bij vraag 2 de deskundige te vragen een vergelijking te maken tussen de klachten en afwijkingen die thans aanwezig zijn en de vermoedelijke klachten en verschijnselen die zouden zijn opgetreden bij een eerdere behandeling is zinvol en wordt daarom overgenomen. [geïntimeerden] c.s. heeft aangegeven zich daarin te kunnen vinden. Het hof neemt ook de suggestie van [geïntimeerden] c.s. over om in plaats van afwijkingen en/of verschijnselen de term beperkingen te gebruiken. Voor het overige handhaaft het hof de vraagstelling van het tussenarrest.
Gelet op het feit dat partijen van mening verschillen over de statistische interpretatie van de gevolgen van het medisch delay en zij zich beiden beroepen op door hen ingeschakelde deskundigen, komt het het hof geraden voor de deskundige te vragen te reageren op die partijrapportages van respectievelijk [partijdeskundige 2] en [partijdeskundige 1] .
7.9.
Partijen hebben niet eensluidend een voorstel gedaan voor de persoon van de te benoemen deskundige. [appellante] stelt [partijdeskundige 3] voor, volgens [appellante] werkzaam in het Sophia Kinderziekenhuis. [geïntimeerden] c.s. daarentegen maakt bezwaar tegen benoeming van [partijdeskundige 3] en stelt dr. Hartwig voor. Gelet op het feit dat dr. Hartwig tot voor kort werkzaam was in het Erasmus MC Sophia, alwaar volgens [appellante] de benodigde expertise aanwezig is, en vaststaat dat dr. Hartwig al vaker in rechte als deskundige is opgetreden, geeft het hof de voorkeur aan benoeming van dr. Hartwig. Desgevraagd heeft deze aangegeven daartoe bereid te zijn, zodat thans tot zijn benoeming kan worden overgegaan. Het hof heeft met de deskundige besproken dat indien hij de inschakeling van een statisticus nodig acht, hij daartoe kan overgaan.
7.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt de deskundige gevraagd in zijn rapport de volgende vragen te beantwoorden:
- 1.
Kunt u na bestudering van het medisch dossier van [appellante] gemotiveerd aangeven of en, zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat indien de behandeling op 2 maart 1993 niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn ingezet [appellante] een kans op een beter behandelresultaat zou hebben gehad en, zo ja, hoe groot die kans zou zijn geweest?
- 2.
Kunt u bij bevestigende beantwoording van vraag 1 ook aangeven in welk opzicht het resultaat van de behandeling beter c.q. minder nadelig voor [appellante] zou zijn geweest? Kunt u daarbij een vergelijking maken tussen de huidige klachten en beperkingen en de klachten en beperkingen, die ook aanwezig zouden zijn geweest, indien zich kansen op een beter behandelresultaat zouden hebben voorgedaan, inclusief een prognose voor de toekomst?
- 3.
Kunt u bij uw antwoorden op de vragen 1 en 2 (kort) reageren op het rapport van dr. [partijdeskundige 2] van 25 mei 2014 en het rapport van [partijdeskundige 1] van 26 juni 2014?
- 4.
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere beloop van deze zaak?
7.11.
Partijen en de deskundige worden voorts gewezen op het volgende.
Ingeval de deskundige nadere informatie nodig heeft, die geen deel uitmaakt van de processtukken, dan dient hij deze bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft, dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.
Zoals in het tussenarrest van 6 mei 2014 reeds in 4.18 is overwogen, gaat het hof ervan uit dat [appellante] haar volledige medisch dossier, zoals dat ook aan Bonten ter beschikking is gesteld, aan dr. Hartwig ter beschikking stelt, aangevuld met voor dit geschil relevante medische informatie.
Voor zover de deskundige daarnaast nog nadere medische informatie nodig heeft, gaat het hof ervan uit dat [appellante] de deskundige zal machtigen om relevante gegevens op te vragen bij artsen of instanties.
Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport.
Het hof wijst er voorts op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij.
Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door [appellante] , die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. [appellante] is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan [geïntimeerden] c.s. in afschrift of ter inzage te verstrekken. Dit lijdt echter ingeval [geïntimeerden] c.s. beschikt over een medisch adviseur in zoverre uitzondering dat tevens en tegelijkertijd aan de medisch adviseur van de [geïntimeerden] c.s. alle aan de deskundige verschafte medische gegevens in afschrift of ter inzage dienen te worden verstrekt. Aangenomen moet immers worden dat de medisch adviseur, ook ten opzichte van [geïntimeerden] c.s., de aldus verkregen medische informatie als hem onder zijn geheimhoudingsplicht toevertrouwd zal beschouwen en behandelen.
Indien [appellante] , die het genoemde blokkeringsrecht heeft, van dit recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde partij, indien de wederpartij het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert zij dit te doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.
Zoals in het arrest van 6 mei 2014 reeds is overwogen, wordt het voorschot van de deskundige ten laste van [geïntimeerden] c.s. gebracht.
7.12.
In afwachting van het deskundigenbericht wordt iedere verdere beoordeling aangehouden.
8. De uitspraak
Het hof:
8.1.
bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 7.10 van dit arrest geformuleerde vragen;
8.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
Dr. N.G. Hartwig
p/a [gasthuis] Gasthuis
Postbus [postbus]
[postcode] [plaats]
tel. [netnummer+telefoonnummer]
e-mail [emailadres]
8.3.
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;
bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
8.4.
bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;
verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;
wijst de deskundige en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 7.11 is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;
bepaalt dat de deskundige in zijn rapport aangeeft welke medische gegevens hij heeft ontvangen, waaronder ook die welke hij weliswaar heeft ontvangen maar niet aan zijn deskundig oordeel ten grondslag heeft gelegd;
bepaalt dat de deskundige in zijn rapport vermeldt of en zo ja op welke wijze hij heeft voldaan aan zijn verplichting om [appellante] in de gelegenheid te stellen mede te delen of zij van haar inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;
8.5.
bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.452,00 (inclusief btw), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;
bepaalt dat [geïntimeerden] c.s. laatstgenoemd bedrag binnen twee weken na heden zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;
verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;
8.6.
benoemt mr. H.A.W. Vermeulen tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;
8.7.
verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;
8.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg en H.A.W. Vermeulen en M.J.H.A. Venner-Lijten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2014.
Uitspraak 06‑05‑2014
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid huisartsen – huisarts in opleiding (HAIO) en huisartsenopleider – voor medisch delay. Huisartsen valt niet te verwijten dat zij op 2 maart 1993 rond 15.00 uur dan wel aan het eind van de middag de diagnose meningokokkensepsis niet hebben gesteld, maar wel dat zij de ouders onvoldoende hebben geïnformeerd over gang van zaken na sluiting de praktijk alsmede hoe te handelen indien de medische situatie van hun 1,5 jaar oude dochtertje Fatima zou verslechteren en vanwege onvoldoende overdracht aan waarnemend huisarts. Met deze tekortkomingen staat het csqn-verband met het verlies van een kans op een beter behandelresultaat nog niet vast. Voor het bewijs daarvan is aannemelijkheid voldoende. Dat bewijs is geleverd, met als resultaat dat het hof ervan uitgaat dat in situatie zonder tekortkomingen de behandeling van Fatima niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn aangevangen. Derhalve zijn huisartsen aansprakelijk voor de door hun tekortkomingen veroorzaakte schade. Daarmee staat nog niet vast of en zo ja, hoe groot, de kans op een beter behandelresultaat zou zijn geweest. Daarvoor is een deskundigenbericht nodig.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.101.749/01
arrest van 6 mei 2014
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,
tegen
1. [geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. D. Zwartjens te Utrecht,
op het bij exploot van dagvaarding van 28 oktober 2011 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 19 september 2007, 28 november 2007 (mondeling), 30 januari 2008, 28 mei 2008, 30 september 2009, 13 januari 2010 en 3 augustus 2011 tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden.Appellante zal hierna, waar het gaat om haar processuele stellingname dan wel waar het gaat om haar huidige of recente toestand, als “[familienaam appellante]” worden aangeduid, en waar het gaat om de gebeurtenissen destijds als “[roepnaam appellante]”. Geïntimeerden zullen, voor zover het hun processuele stellingname betreft, als “[geïntimeerden c.s.]” worden aangeduid en voor het overige met hun achternamen.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 159969/07/1097)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met vijf producties;
- de memorie van antwoord;
- de akte in het geding brengen productie(s) van [familienaam appellante] met één productie;
- de antwoordakte van [geïntimeerden c.s.];
- de bij brief van 12 februari 2014 door [familienaam appellante] toegezonden producties zeven en acht, die bij pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd; aan de pleitnota van [familienaam appellante] is een kleurenkopie van het eerder als productie twee bij memorie van grieven overgelegde artikel van Rasmussen c.s., gepubliceerd in Journal of Infection (2008) 57, p. 449-454, gehecht.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
4. De beoordeling
4.1.
In de overwegingen 2.1 t/m 2.18 van het tussenvonnis van 30 januari 2008 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feitenvaststelling is in hoger beroep niet bestreden, zodat deze ook in hoger beroep uitgangspunt is.
Voorts staan nog andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken vast.
Daarom volgt hierna een wat uitgebreider overzicht van de relevante feiten. Voor de leesbaarheid worden ook enkele niet tussen partijen vaststaande feiten vermeld; dit wordt ter bestemde plaatse aangeduid.
4.2.1.
[roepnaam appellante] is op [geboortedatum] 1991 geboren. Vanaf eind februari 1993 was [roepnaam appellante], het was destijds Ramadan, wat hangerig. Zij was toen anderhalf jaar oud. In de nacht van 1 op 2 maart 1993 viel het haar vader (hierna: “de vader”) op dat zij anders dan de avonden daarvoor niet wakker werd toen de familie na zonsondergang ging eten. In de morgen van 2 maart 1993 is de vader om 8.00 uur opgestaan om [roepnaam appellante] melk te geven, maar zij had geen eetlust en moest braken. Daarna heeft de vader [roepnaam appellante] naar beneden gedragen waar zij nogmaals moest braken.
4.2.2.
Rond 9.00 uur heeft de vader telefonisch contact opgenomen met de praktijk van zijn huisarts [geïntimeerde 1], omdat [roepnaam appellante] op hem een zieke indruk maakte en warm aanvoelde. Hij wilde dat [roepnaam appellante] door de huisarts zou worden gezien, ofwel thuis, ofwel in de praktijk. Onduidelijk is welke afspraak er op dat moment is gemaakt, maar rond 9.15 uur heeft de vader nogmaals naar de praktijk gebeld omdat hij erg ongerust was. Op de vraag hoe hoog de koorts was, heeft hij geantwoord dat hij deze schatte op 39º C, maar dat hij geen thermometer in huis had. In de telefoonnotitie van de praktijkassistente is vermeld:
“temp 39 + overgeven 1x
hoesten”.
De vader zou naar aanleiding van zijn melding worden teruggebeld door de praktijk.
4.2.3.
In de loop van de ochtend nam zijn ongerustheid verder toe. [roepnaam appellante] bleef maar slapen en voelde heel warm aan. Toen de vader rond 12.00 uur niets van de praktijk had vernomen, hebben hij en zijn echtgenote [roepnaam appellante] aangekleed om met haar naar het ziekenhuis te gaan. Op het moment dat de vader naar zijn auto wilde lopen om deze alvast te starten – zijn echtgenote stond reeds met [roepnaam appellante] in de armen in de deuropening – kwam mevrouw [geïntimeerde 2], bij de woning aan. [geïntimeerde 2] was vanaf 1 september 1992 in de praktijk van [geïntimeerde 1] werkzaam als huisarts in opleiding (HAIO).
Daarop zijn zij allen naar binnen gegaan en is [roepnaam appellante] in de huiskamer op de bank gelegd. Daar is zij uitgekleed en heeft [geïntimeerde 2] haar onderzocht. Zij maakte op haar een zieke indruk. Volgens de stellingen van de vader (die de procedure in eerste aanleg namens de toen nog minderjarige [roepnaam appellante] voerde) had [roepnaam appellante] op dat moment vlekjes op haar huid (twee onder haar navel en drie op haar borstkas met een doorsnede van ongeveer een halve centimeter) die zij voorheen niet had, maar hij heeft toen niet met [geïntimeerde 2] over die vlekjes gesproken. [geïntimeerde 2] heeft rectaal de temperatuur van [roepnaam appellante] opgenomen, die op dat moment 40,7º C bedroeg. Zij heeft daarop een recept uitgeschreven voor neusdruppels, zetpillen en een zakje om urine in op te vangen. Verder adviseerde zij de vader een thermometer te kopen. Zij vroeg hem om, zodra [roepnaam appellante] zou hebben geplast, de urine naar de praktijk te brengen voor onderzoek. Voorts sprak zij met de vader af dat zij de volgende ochtend opnieuw langs zou komen om naar [roepnaam appellante] te kijken. Naar aanleiding van het verzoek van de vader om [roepnaam appellante] te laten opnemen in een ziekenhuis, heeft [geïntimeerde 2] aangegeven dat zij daar op dat moment geen aanleiding voor zag. Zij ging ervan uit dat [roepnaam appellante] een virusinfectie had.
4.2.4.
De vader is vervolgens naar de apotheek gegaan om de voorgeschreven zaken te halen. Rond 15.00 uur heeft hij de temperatuur van [roepnaam appellante] opgenomen, die toen 40º C was. Daarna is hij naar de praktijk gegaan om de urine van [roepnaam appellante] af te geven. Hij heeft toen gesproken met [geïntimeerde 2]. Volgens [geïntimeerde 2] heeft hij haar toen gezegd dat de koorts iets was gezakt. Nadat [geïntimeerde 2] aangaf dat zij op dat moment verder niets voor hem kon doen, is de vader weer naar huis gegaan. Eenmaal thuis heeft hij [roepnaam appellante] nogmaals de voorgeschreven medicijnen gegeven.
4.2.5.
Uit het op de praktijk uitgevoerde urineonderzoek bleek dat het eiwit- en nitrietgehalte positief waren. Aan het eind van de middag heeft tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] rond 16.30 uur in het kader van de opleiding van [geïntimeerde 2] een nabespreking c.q. leergesprek plaatsgevonden. Toen is gesproken over [roepnaam appellante], maar noch de mededelingen van [geïntimeerde 2] noch de uitslag van de urinetest hebben [geïntimeerde 1] aanleiding gegeven het door [geïntimeerde 2] reeds ingezette beleid – de voor de volgende ochtend gemaakte afspraak voor een huisbezoek – aan te passen.
4.2.6.
Na 17.00 uur heeft de vader opnieuw geprobeerd de praktijk van [geïntimeerde 1] te bellen omdat [roepnaam appellante] nog steeds erg warm aanvoelde, suf was en bewegingsloos op de bank lag. Daar stond het antwoordapparaat aan en werd voor dringende gevallen verwezen naar de dienstdoende waarnemer.
4.2.7.
Tussen 22.30 en 23.00 uur heeft de vader waarnemend huisarts [waarnemend huisarts] telefonisch gesproken, die direct naar de woning van de familie [familienaam] is gekomen. Volgens de vader hadden op dat moment de vlekjes die [roepnaam appellante] eerder die dag reeds had al een doorsnede van ongeveer één centimeter. Dokter [waarnemend huisarts] heeft toen direct telefonisch contact opgenomen met het Carolus Ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch, waarna hij [roepnaam appellante] en haar ouders daar in zijn auto rechtstreeks naar toe heeft gebracht. Rond 4.00 die nacht is [roepnaam appellante] overgebracht naar het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht omdat haar toestand verslechterde. Inmiddels was duidelijk dat zich bij [roepnaam appellante] een meningokokkensepsis had ontwikkeld en moest haar linkervoet gedeeltelijk worden geamputeerd. Thans draagt [familienaam appellante] aan die voet een voetprothese. Ook is er ondanks langdurige (plastisch-)chirurgische behandelingen sprake van ernstige huidbeschadigingen ten gevolge van necrose (het afsterven van weefsel) aan de rechtervoet, littekenvorming op haar rechterbeen en op rug en schouders en is de staat van haar gebit slecht.
4.2.8.
Bij brief van 29 april 1994 heeft de toenmalig raadsman van [roepnaam appellante] [geïntimeerde 1] - en later ook [geïntimeerde 2] – aansprakelijk gesteld voor de schade die [roepnaam appellante] heeft geleden als gevolg van het niet tijdig stellen van de juiste diagnose. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben erkend dat vaststaat dat de gevolgen van de door [roepnaam appellante] doorgemaakte ziekte ernstig zijn, maar hebben ontkend dat hun daarvan een verwijt te maken valt.
4.2.9.
Bij brief van 31 december 1996 heeft [geïntimeerde 2] antwoord gegeven op de haar door mr. [medisch adviseur van VVAA Schadeverzekeringen NV], medisch adviseur van VVAA Schadeverzekeringen NV - de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde 1] – gestelde vragen. Zij heeft daarin het onder meer het volgende geschreven:
“Mijn eerste contact met de familie [familienaam] was een visite tussen de middag op 2 maart 1993. (…) De exacte tijd van de visite weet ik niet meer, maar het zal +/- 12.00-12.30 uur geweest zijn. (…) De temperatuur was inderdaad 40.7 gr. C en [roepnaam appellante] zag er ziek uit. Ik heb haar helemaal laten uitkleden, om haar goed na te kijken. Dit uitkleden gebeurde in de woonkamer. Ik heb [roepnaam appellante] nagekeken, terwijl zij op de bank in de woonkamer lag en niet in bed. Ik heb bij haar op dat moment noch op de buik, noch op de borst bultjes of vlekjes gezien. Aangezien ik een viraal infect vermoedde en bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen vond, leek het mij toen niet nodig [roepnaam appellante] naar het ZH te verwijzen. (…) Met de vader heb ik wel afgesproken , dat hij paracetemol supp. zou geven, de plas zou opvangen en ’s middags (niet rond sluitingstijd, maar eerder) naar de praktijk zou komen. Dan kon ik de urine bekijken en meteen horen hoe het met [roepnaam appellante] was gegaan. (…)
Er is ’s middags rond 15.00 uur contact geweest met dhr. [vader van appellante]. (…) Hij kwam toen naar de praktijk om de urine te brengen en te vertellen hoe het met [roepnaam appellante] was gegaan. Dit contact heb ik mogelijk niet op de groene kaart vermeld. (…) Hij vertelde mij toen, dat de koorts iets was gezakt en dat het ietsje beter ging. Ik heb toen met hem afgesproken, dat ik de volgende dag weer bij haar langs zou komen (visite). Of ik hem heb gewezen op het feit, dat hij na 17.00 uur in dringende gevallen de waarnemer kan bellen weet ik niet meer. (…)
Voor zover ik weet is dr. [waarnemend huisarts] iets na 17.00 uur geweest bij de fam. [familienaam appellante] en niet pas tussen 22.30 en 23.00 uur. Dit hoorden wij de volgende morgen.”
4.2.10.
[geïntimeerden c.s.] en de vader zijn overeengekomen in verband met het hen verdeelde houdende geschil een deskundige te raadplegen en zij hebben aan prof. dr. [partijdeskundige 1.] (hierna: [partijdeskundige 1.]) een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd. [partijdeskundige 1.] heeft deze vragen bij brief van 7 december 1998 als volgt beantwoord:
“(Vraag 1. Is het op 2 maart 1993 [N.B. [partijdeskundige 1.] maakt in zijn weergave van deze vraag per abuis gewag van de datum van 3 maart 1993; hof] door de HAIO uitgevoerde onderzoek, de diagnose en behandeling conform hetgeen van een redelijk vakgenoot mag worden verwacht, mede gelet op de onderzoeksbevindingen, zoals die blijken uit de patiëntenkaart?)
Antwoord:
De HAIO heeft na telefonische berichtgeving van de praktijkassistente direct een visite afgelegd. Ze heeft een volledig lichamelijk onderzoek verricht. Enkele huidplekjes zouden volgens de vader wel aanwezig zijn geweest en volgens de HAIO niet geconstateerd zijn. Nu ook bij het urine onderzoek te 15.00 uur de nitriet en eiwit reactie positief was en de koorts niet verdwenen was (over de hoogte hiervan is volgens de HAIO toen niet gesproken) had mi na het leergesprek met de opleider een 2e visite of anders een overdracht van de casus aan de dienstdoende waarnemer moeten plaatsvinden.
Samenvattend: het niet stellen van de diagnose is niet verwijtbaar het vervolg beleid was niet voldoende.
(Vraag 2. Hadden de onderzoeksbevindingen bij de HAIO het vermoeden moeten doen rijzen van een zich ontwikkelende meningococcensepsis?)
Antwoord. Neen.
Toelichting: Het stellen/niet stellen cq vermoeden van de diagnose meningococcensepsis is sterk afhankelijk van het tijdstip van onderzoek. Het ziektebeeld heeft tijd nodig om typische symptomen te vertonen, die de arts tot een (vermoedelijke) diagnose kunnen brengen. Uit de beschikbare gegevens is niet op te maken op welk tijdstip de diagnose gesteld had kunnen worden. In de brief van het Wilhelmina ziekenhuis staat dat er (hof: om) ongeveer 17.00 (uur) huidvlekjes waren, maar dit moet een anamnestisch gegeven zijn.
(Vraag 3. Indien U vraag 1 ontkennend of vraag 2 bevestigend hebt beantwoord, welke gevolgen hebben het delay van enkele uren (tussen circa 12.30 en het moment waarop de waarnemer werd benaderd) op het beloop gehad?)
Antwoord
Volgens mij blijkt uit de brief van het Wilhelmina ziekenhuis en de verklaring van de vader dat de waarnemer te 23.00 uur gewaarschuwd is. Opname tijdstip in het Carolus-Liduina ziekenhuis zou hierover helderheid kunnen geven.
In deze 11 uur kan dit ziektebeeld ernstig of zelfs dodelijk verlopen. Hoe eerder een patiënt in het ziekenhuis is des te beter is de kans op (gedeeltelijke) genezing. Het aanslaan van de ziekenhuis behandeling is afhankelijk van de duur en de ernst van de bij het syndroom horende shock en afsluiting van de bloedvaten.
Het moment waarop de eerste vlekjes zijn ontstaan is uit de stukken niet eenduidig af te leiden. Er is mij geen literatuur bekend over de gemiddelde duur die verloopt tussen het ontstaan van de eerste vlekjes en het stellen van de diagnose meningococcen sepsis. Het kan een periode van enkele uren zijn.
(4 Hebt u nog opmerkingen die voor de casus van belang zijn?)
Antwoord:
Uit literatuur en eigen ervaring is bekend dat bij kinderen met hoge koorts en lusteloosheid het ontwikkelen van meningococcen infectie een schrikbeeld is. Het tijdstip van onderzoek/heronderzoek is zeer belangrijk voor het kunnen stellen van de diagnose. In deze casus is het gevoerde beleid mede een verantwoordelijkheid van de opleider als de huisarts van [roepnaam appellante].”
4.2.11.
Bij brief van 19 januari 2000 heeft [partijdeskundige 1.] nog een aantal aanvullende vragen beantwoord. In deze brief heeft [partijdeskundige 1.] onder meer het volgende opgemerkt:
“Er is geen aparte notitie over wel of niet aanwezig zijn van nekstijfheid waarvan het bestaan kan wijzen op meningitis. Het is echter geen regel dat huisartsen de afwezigheid van nekstijfheid vermelden. Het onderzoek van oren en longen is bij bestaande nekstijfheid lastig. Ook het uitkleden van het kindje hetgeen plaats gevonden heeft geeft dan vaak signalen van nekstijfheid. (…) op de patiënten kaart is genoteerd, koorts en lusteloosheid.
Deze gegevens maken het bij een kind van deze leeftijd gewenst een waarnemer op de hoogte van de casus te stellen. Het ontbreken van andere gevonden afwijkingen is geen argument om dit niet te doen. Een waarnemer kan dan bij een nieuw verzoek tot consultatie tot een betere advisering komen. Een tweede visite had bij voortduren van de koorts en lusteloosheid zeker moeten plaats vinden op de volgende dag. Bovendien bleek de ingeleverde urine afwijkende onderzoeksresultaten op te leveren. Een positieve eiwit en nitriet reactie (aangeven met plus teken) kunnen o.a. wijzen op een urineweginfectie waarvoor dan een behandeling nodig is.”
4.2.12.
Op 9 februari 2001 heeft prof. dr. [partijdeskundige 2.] (hierna: [partijdeskundige 2.]), hoogleraar huisartsgeneeskunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, op verzoek van (de medisch adviseur van) de vader een rapport uitgebracht.
4.3.1.
Bij dagvaarding van 25 mei 2007 heeft de vader, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige [roepnaam appellante], [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in rechte betrokken en gevorderd dat zij, kort gezegd, worden veroordeeld tot betaling van alle materiële en immateriële schade van [roepnaam appellante] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot betaling van een voorschot van € 25.000,00 op de materiële schade en een voorschot van € 14.500,00 op de immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden en met veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de kosten van het geding. De vader heeft daartoe gesteld dat [geïntimeerden c.s.] niet hebben gehandeld zoals van redelijk bekwame en redelijk handelende huisartsen verwacht mag worden. Meer in het bijzonder heeft hij zijn vorderingen gegrond op a) het missen van de juiste diagnose, b) het na het huisbezoek gevoerde vervolgbeleid en c) de overdracht aan de waarnemer.
4.3.2.
[geïntimeerden c.s.] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist en daartoe aangevoerd dat zij hebben gehandeld als van redelijk bekwaam en redelijk handelend huisartsen mocht worden verwacht en voorts dat niet kan worden aangenomen dat een visite in de loop van de middag van 2 maart 1993 tot een ander behandelresultaat zou hebben geleid.
4.3.3.
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 september 2007 een comparitie gelast, die op 28 november 2007 is gehouden.
Bij vonnis van 30 januari 2008 heeft de rechtbank mede op grond van het rapport van [partijdeskundige 1.], kort gezegd, geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat ten tijde van het lichamelijk onderzoek van [roepnaam appellante] tijdens de visite reeds afwijkingen aanwezig waren die [geïntimeerde 2] tot de diagnose meningokokkensepsis dan wel tot een andere handelwijze dan door haar gevolgd hadden moeten leiden, zodat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] dienaangaande niet heeft gehandeld zoals destijds van een redelijk bekwaam en redelijk huisarts in opleiding mocht worden verwacht.
Tegen dit oordeel zijn door [familienaam appellante] geen grieven gericht, zodat de vraag of en in hoeverre bij gelegenheid van die visite fouten zouden zijn gemaakt niet meer aan de orde is.
Ter beantwoording van de vraag of [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] ten aanzien van het vervolgbeleid en de overdracht aan de waarnemer als redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts en huisartsopleider hebben gehandeld, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 30 januari 2008 geoordeeld dat een deskundigenonderzoek nodig is. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten en bij vonnis van 28 mei 2008 is prof. Dr. G.J. Dinant, hoogleraar huisartsgeneeskunde te [plaats], tot deskundige benoemd.
4.3.4.
Nadat Dinant op 10 november 2008 zijn rapport had uitgebracht, heeft de rechtbank in het vonnis van 30 september 2009 op basis van diens bevindingen geoordeeld, dat:
i. i) er in de loop van de bewuste middag geen aanwijzingen bestonden op grond waarvan [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] aan het bestaan van meningeale sepsis hadden moeten denken (r.o. 2.5; slot);
ii) het [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] in strikte zin niet is aan te rekenen dat niet dezelfde dag nog is gestart met een behandeling met antibiotica (r.o. 2.10).
Vervolgens overweegt de rechtbank dat de vraag resteert of [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] meer zorg hadden moeten betrachten aan het einde van de middag en op grond van de door de rechtbank genoemde omstandigheden, het rapport van Dinant en het rapport van [partijdeskundige 1.] komt de rechtbank in r.o. 2.21 tot het oordeel dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] jegens [roepnaam appellante] niet de zorg van een goed hulpverlener in acht hebben genomen doordat zij
iii) de vader na de uitslag van het urineonderzoek niet op de hoogte hebben gesteld van de gang van zaken na sluiting van de praktijk;
iv) de vader toen niet hebben geïnstrueerd hoe te handelen wanneer de situatie van [roepnaam appellante] zou verslechteren en waarop hij dan specifiek zouden moeten letten en
v) hebben nagelaten de waarnemer op de hoogte te stellen van de situatie van [roepnaam appellante].
[geïntimeerden c.s.] zijn volgens de rechtbank voor de gevolgen van deze tekortkomingen in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst ten behoeve van [roepnaam appellante] aansprakelijk.
Voor de vraag welke gevolgen dat zijn en of, en zo ja in hoeverre, deze in causaal verband staan tot hun handelwijze, acht de rechtbank benoeming van een andere medicus, een infectioloog, nodig.
4.3.5.
Na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten, is bij vonnis van 13 januari 2010 prof. Dr. M.J.M. Bonten, arts-microbioloog, als deskundige benoemd. In zijn rapport van 30 november 2010 heeft Bonten voor zover van belang de hem gestelde vragen als volgt beantwoord:
(Vraag 1: Kunt u na bestudering van het medisch dossier aangeven op welk tijdstip de diagnose meningokokkensepsis is gesteld, dan wel door (aanvullend) onderzoek is bevestigd, en welke medicatie met ingang van welk tijdstip aan [roepnaam appellante] is toegediend?)
“Samenvattend concludeer ik dat de klinische diagnose meni[n]gokokkensepsis om 22.30-23.00 is gesteld en vanaf dat moment heeft adekwate behandeling plaatsgevonden. Deze klinische diagnose zal pas een dag later (bij aangetoonde groei van de meni[n]gokokken bacterie in het bloed) microbiologisch bevestigd zijn.”
(Vraag 3: Kunt u, uitgaande van de informatie over de medische situatie van [roepnaam appellante] die in de loop van de dag bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] was binnengekomen in combinatie met het stadium waarin de meningokokkensepsis zich had ontwikkeld op het moment dat de behandeling daarvan werd gestart aangegeven (mede aan de hand van uw antwoord op vraag 2) vanaf welk tijdstip onderzoek van [roepnaam appellante] door een huisarts zou hebben kunnen leiden tot de diagnose meningitis of sepsis, dan wel vanaf welk tijdstip voor de aanwezigheid daarvan zodanig ernstige vermoedens zouden hebben kunnen bestaan dat [roepnaam appellante] naar het ziekenhuis zou zijn doorgestuurd voor verder onderzoek?
“Dr. [waarnemend huisarts] heeft als eerste meningeale prikkelingsverschijnselen vastgesteld en waarschijnlijk was dat symptoom op dat moment al langer aanwezig. Hoe lang, valt met geen mogelijkheid vast te stellen. Echter, met elk eerder onderzoek was dit alarmsymptoom wellicht eerder opgemerkt. Of er om 17.00 uur tekenen van meningeale prikkeling en/of zichtbare huidafwijkingen waren is onduidelijk. Het is bekend dat symptomen van meningitis en sepsis bij de fulminante vorm van bacteriële meningitis, vooral wanneer veroorzaakt dor meningokokken, binnen enkele uren kunnen ontstaan (NTvG 2001; 145:211).”
(Vraag 4: Indien u bij de vorige vraag hebt aangegeven dat u de diagnose op een eerder tijdstip (dan zich in werkelijkheid heeft voorgedaan) mogelijk acht, kunt u dan aangeven of een beter behandelresultaat mogelijk zou zijn geweest indien vanaf dat eerdere tijdstip met de behandeling van meningokokkensepsis zou zijn gestart?)
“Ja, dat zou mogelijk zijn. In retrospectie kan gesteld worden dat eerdere start van de behandeling, bijvoorbeeld om 17.00 uur of nog eerder, een beter behandelresultaat gegeven zou hebben. Echter, de antwoorden op vraag 1 t/m 3 maken ook duidelijk dat het zeer moeilijk vast te stellen is of er op die tijdstippen aanwijzingen waren om een gerede verdenking op een ernstige bacteriële infectie te hebben.”
(Vraag 5: Indien u bij de vorige vraag hebt aangegeven dat een beter behandelresultaat mogelijk zou zijn geweest indien op een eerder tijdstip met de behandeling was gestart, kunt u dan schattenderwijs aangeven hoe groot u een dergelijke kans acht en waaruit dat betere behandelresultaat zou hebben bestaan?).
“Eerdere behandeling kan de kansen op overleving vergroten en de kansen op restafwijkingen verkleinen. Letsels van huid en weke-delen door onvoldoende doorbloeding ten tijde van de septische shock behoren tot ernstige restafwijkingen. Eerdere antibiotische behandeling, ondersteuning van de bloeddruk en correctie van de gestoorde bloedstolling had mogelijk tot minder schade kunnen leiden. In dat geval zou het dan om kleinere defecten van huid en weke-delen gaan, waarvoor wellicht geen voorvoetamputatie noodzakelijk was geweest. Ik kan echter met geen zinnig woord iets zeggen over de kansen daarop, want de individuele variatie van zowel het ziektebeloop als van de effecten van behandeling hierop zijn groot.”
4.3.6.
In het eindvonnis van 3 augustus 2011 heeft de rechtbank op grond van het rapport van Bonten, op wiens bevindingen noch [familienaam appellante] noch [geïntimeerden c.s.] inhoudelijke kritiek hebben geleverd, geoordeeld dat de vraag naar de kans op een beter behandelresultaat bij een eerdere ontdekking van de ziekte niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden beantwoord. Nu het zeer wel mogelijk is dat de ziekte, ook indien de behandeling daarvan eerder had kunnen worden ingezet, een zelfde beloop had gehad en tot dezelfde schade had geleid, is het bestaan van (proportioneel) causaal verband tussen de fout van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en de schade van [roepnaam appellante] niet in rechte komen vast te staan, aldus de rechtbank (r.o. 2.26 en 2.27). De vorderingen van [familienaam appellante] zijn daarop afgewezen.
4.4.
In de appeldagvaarding heeft [familienaam appellante] vernietiging gevorderd van alle door de rechtbank gewezen vonnissen. Uit de memorie van grieven blijkt evenwel dat [familienaam appellante] alleen grieven richt tegen het tussenvonnis van 30 september 2009 en het eindvonnis van 3 augustus 2011. Het hof leidt daaruit af dat hoger beroep is beperkt tot deze twee vonnissen.
4.5.
Grief I bevat de klacht dat de rechtbank heeft nagelaten de omkeringsregel toe te passen bij de beoordeling van de causaliteitsvraag nadat de rechtbank wel een kunstfout had aangenomen. Volgens grief II heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten de schade voor de volle 100% althans ruim toe te rekenen nu de aansprakelijkheid ergo primaire causaliteit werd aangenomen. Met grief III wordt de rechtbank verweten geen aanleiding te hebben gezien enig percentage kansverlies of risicoverhoging te duiden en wordt er voorts over geklaagd dat de rechtbank geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [familienaam appellante] tot benoeming van een kinderarts/infectioloog. Grief IV houdt in dat de rechtbank ten onrechte geen tekortkoming c.q. aansprakelijkheid heeft aangenomen op of na 15.00 uur op 2 maart 1993.
4.6.
Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of [geïntimeerden c.s.] aansprakelijk zijn op grond van een tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst van [familienaam appellante]. Weliswaar richt [familienaam appellante] begrijpelijkerwijs enkel een grief tegen het oordeel van de rechtbank dat aan het eind van de middag geen sprake was van een tekortkoming van [geïntimeerden c.s.] , maar als een van de grieven van [familienaam appellante] tegen de afwijzing van de schade door de rechtbank slaagt, dan dient in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep alsnog te worden onderzocht of sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerden c.s.]
tekortkoming [geïntimeerden c.s.]
4.7.
In hoger beroep verwijt [familienaam appellante] [geïntimeerde 2] niet langer dat zij op 2 maart 1993 tijdens het huisbezoek het stellen van de diagnose meningitis heeft gemist.
Thans resteren, kort samengevat, de volgende verwijten:
I [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] hadden uiterlijk om ca. 15.00 uur althans aan het eind van die middag de diagnose meningokokkensepsis moeten stellen (zie ook grief IV);
II [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] hebben de vader onvoldoende geïnformeerd over de gang van zaken na sluiting van de praktijk alsmede hem onvoldoende geïnstrueerd hoe te handelen indien de situatie van [roepnaam appellante] zou verslechteren (dit strookt met het verwijt zoals de rechtbank dat omschreef in het tussenvonnis van 30 september 2009, zoals hiervoor weergegeven in r.o. 4.3.4 onder iii en iv);
III [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] hebben nagelaten de waarnemer te informeren omtrent de gezondheidssituatie van [roepnaam appellante] (idem, onder v).
Voorts stelt [familienaam appellante] dat [geïntimeerden c.s.] verwijtbaar hebben gehandeld doordat de verslaglegging van de opleidingsbespreking aan het eind van de dag niet adequaat is en de patiëntenkaart ook te summier is.
Nog daargelaten dat dit verwijt door de rechtbank is verworpen en [familienaam appellante] dit oordeel niet met een grief heeft bestreden, heeft [familienaam appellante] ook in hoger beroep nagelaten aan de gevolgen van dit verwijt consequenties te verbinden. Om die reden gaat ook het hof aan dit verwijt voorbij.
Ad I: het stellen diagnose om ca 15.00 uur dan wel in de loop van de middag van 2 maart 1993 (grief IV)
4.8.
Op dit verwijt hebben de vragen 1 t/m 3 aan Dinant betrekking. [familienaam appellante] heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep deugdelijke en zwaarwegende bezwaren tegen het rapport van Dinant aangevoerd. Het hof gaat derhalve net als de rechtbank bij de beoordeling van de bevindingen en conclusies van Dinant uit.
4.8.1.
In de toelichting op grief IV verwijst [familienaam appellante] naar een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege uit 2008 en stelt zij op grond daarvan dat het ‘niet-pluisgevoel’ tot de medische standaard behoort. Dit niet-pluisgevoel deed zich ook bij [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] voor, aldus [familienaam appellante], althans had in de loop van de middag moeten ontstaan (pleitnota blad 3 halverwege). Aangezien er duidelijke aanwijzingen waren voor het ontstaan van het niet-pluisgevoel: de uitslag van het urineonderzoek, het opleidersgesprek, het niet-normaalgevoel van de ouders en het eigen niet-pluisgevoel van de huisartsen, had dit gevoel [geïntimeerden c.s.] in beweging moeten brengen. [familienaam appellante] concludeert op grond van deze omstandigheden dat de diagnose meningokokkensepsis overwogen had moeten worden en dat dientengevolge meteen gestart had moeten worden met het toedienen van antibiotica althans verwijzing had moeten volgen voor specialistische adequate hulp.
4.8.2.
Dinant gaat in zijn rapport uitvoerig in op het ‘niet-pluisgevoel’ van de huisarts.
Allereerst merkt hij in dat verband op dat uit Vlaams onderzoek, dat ook representatief is voor de Nederlandse situatie, blijkt dat de gemiddelde huisarts niet vaker dan ongeveer eens per tien jaar een kind ziet met meningitis of sepsis, waaronder ook meningokokkensepsis valt. Verder blijkt uit dit onderzoek dat meningeale prikkeling (zoals nekstijfheid) en de andere ‘klassieke’ symptomen van meningitis en sepsis, zoals petechiën (puntbloedingen van de huid), braken en bewustzijnsverlies (sufheid) een zeer beperkte voorspellende waarde hebben voor de aanwezigheid van meningitis en sepsis. De aanwezigheid van deze symptomen leidt vaker niet dan wel tot de diagnose, terwijl afwezigheid van de klassieke symptomen de diagnose niet uitsluit. Daarom maken huisartsen bij de beoordeling of bij kinderen sprake is van een ernstige infectieziekte, zoals meningitis of sepsis, niet alleen gebruik van genoemde de klassieke symptomen, maar tenminste zo veel van hun indruk ‘hier klopt iets niet’ c.q. het ‘niet-pluisgevoel’. Dinant wijst er voorts op dat bij ouders van een ziek kind sprake kan zijn van een vergelijkbaar gevoel: ‘de ziekte is anders’ of ‘hier klopt iets niet’. Uit onderzoek blijkt dat deze gevoelens krachtige voorspellers zijn van genoemde ernstige infectieziekten bij kinderen. Daarom zal de huisarts in zijn diagnostiek van een kind met een mogelijke infectie naast de klassieke symptomen zijn ‘niet-pluisgevoel’ en het ‘hier klopt iets niet’ gevoel van de ouders altijd laten meespelen, overigens veelal zonder dit expliciet benoemen of te noteren in het dossier, aldus Dinant.
4.8.3.
Volgens Dinant is op basis van de stukken niet te beoordelen of bij [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] sprake was van een ‘niet-pluisgevoel’ en levert het daarnaar vragen zoveel jaren later onvoldoende betrouwbare antwoorden op. Anders dan [familienaam appellante] stelt, kan er daarom in deze procedure niet van worden uitgegaan – omdat dit ook achteraf niet meer (betrouwbaar) is vast te stellen – dat bij [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] sprake is geweest van een ‘niet-pluisgevoel’. Het hof is om die reden net als de rechtbank van oordeel dat er in de loop van die bewuste middag geen, althans onvoldoende, aanwijzingen bestonden op grond waarvan [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] aan het bestaan van een meningeale sepsis hadden moeten denken.
Ten aanzien van het verwijt van [familienaam appellante] dat er bij [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] een “niet pluis gevoel” had behoren te ontstaan geldt dat, naar het hof uit de toelichting van de deskundigen begrijpt, zulks tegen het karakter van zo’n niet pluis-gevoel in gaat. Indien er indicatoren zijn voor enige ernstige aandoening dient, afhankelijk van de medische standaarden en protocollen, op basis daarvan te worden gehandeld; een niet-pluis gevoel is dan niet aan de orde. Bij een niet-pluis gevoel gaat het evenwel juist om een situatie waarin de arts, veelal op basis van zijn ervaring en “Fingerspitzengefühl”, ondanks de afwezigheid van positieve indicatoren bij zichzelf denkt: en toch klopt het niet! Juist bij gebreke van de aanwezigheid van positieve indicatoren kan dan niet gezegd worden dat zo’n niet-pluis gevoel “had behoren te ontstaan”.
4.8.4.
[familienaam appellante] meent voorts dat de slechte communicatie tussen [geïntimeerden c.s.] en de vader een belangrijke oorzaak is geweest van de medische fouten. Zo reageren zorgverleners vaak niet of onvoldoende op patiënten die menen dat er iets niet klopt. In dat verband stelt [familienaam appellante] dat een huisarts bij de behandeling van een allochtoon kind met koorts tijd dient te nemen en rekening dient te houden met de achtergrond van de ouders en mogelijke communicatieproblemen.
Voor zover [familienaam appellante] hiermee bedoelt dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] in de middag rond 15.00 uur en/of tijdens het leergesprek onvoldoende aandacht hebben besteed aan het hiervoor genoemde ‘er klopt iets niet gevoel’ van haar ouders , passeert het hof deze stelling als onvoldoende onderbouwd. [familienaam appellante] stelt enkel in zijn algemeenheid dat zorgverleners onvoldoende reageren op een dergelijk signaal, maar laat na concrete aanknopingspunten te geven op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat daarvan in dit geval ook sprake van is geweest.
Voor zover [familienaam appellante] in dit verband [geïntimeerden c.s.] verwijt dat zij de vader onvoldoende hebben geïnstrueerd hoe te handelen na sluiting van de praktijk, wordt dit hierna in het kader van de verwijten II en III beoordeeld.
4.8.5.
[familienaam appellante] verwijt [geïntimeerden c.s.] voorts dat zij niet hebben gehandeld conform de in 1993 geldende NHG-standaard ‘kinderen met koorts’. Dit standpunt vindt evenwel geen steun in het rapport van Dinant. Dinant geeft daarin, kort samengevat, aan dat het gelet op het toestandsbeeld van [roepnaam appellante] – hoge koorts bij algemeen ziek zijn waarvoor op dat moment geen aanwijsbare oorzaak (focus) was gevonden – een verstandig besluit was van [geïntimeerde 2] om dezelfde dag een urineonderzoek te verrichten alsmede dat op grond van de uitslag van dat onderzoek de diagnose “ten minste een urineweginfectie” gesteld had mogen worden. Dinant concludeert verder dat het [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] op grond van de op dat moment geldende NHG-Standaard kinderen met koorts in strikte zin niet is aan te rekenen dat niet dezelfde dag werd gestart met een behandeling met antibiotica. Deze richtlijn uit 1992 schreef immers anders dan de herziening uit 2005 niet voor om blind een behandeling met antibiotica in te zetten. Dit betekent dat [geïntimeerden c.s.] op dit punt geen verwijt valt te maken.
4.8.6.
Dit alles leidt ertoe dat [geïntimeerden c.s.] niet kan worden verweten dat zij op 2 maart 1993 rond 15.00 uur dan wel aan het eind van de middag de diagnose meningokokkensepsis niet hebben gesteld. Grief IV faalt mitsdien.
ad II onvoldoende instructie van de ouders van [roepnaam appellante]
4.9.
Dit aan [geïntimeerden c.s.] gemaakte verwijt heeft de rechtbank met name op grond van het rapport Dinant beoordeeld. Het hof is van oordeel dat de door [geïntimeerden c.s.] in eerste aanleg tegen diens bevindingen en conclusies aangevoerde bezwaren onvoldoende deugdelijk en zwaarwegend zijn en voorts door de rechtbank op juiste gronden zijn weerlegd.
Het hof gaat derhalve ook bij de beoordeling van dit verwijt van het rapport van Dinant uit en overweegt als volgt.
4.9.1.
Vraag 4, inhoudende of de [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] de ouders hadden moeten informeren omtrent de overdracht van de dienst in de avond en/of omtrent de vraag wanneer er voor hen aanleiding bestond om wederom contact met een arts op te nemen, beantwoordt Dinant als volgt:
“De Standaard (hof: NHG-Standaard Kinderen met koorts) beschrijft voorts welke voorlichting en adviezen ouders kunnen worden gegeven. Een van de adviezen luidt als volgt: “Ouders worden geïnstrueerd (opnieuw) contact op te nemen met de arts als het kind zieker wordt, met symptomen van braken, diarhee, dyspnoe (kort van adem), sufheid of slecht drinken.” In de processtukken lees ik bij monde van [familienaam appellante]: “Mij werd toen meegedeeld dat de dokter na 17.00 uur niets meer voor mij zou kunnen doen en zij gaf mij verder geen advies.” [geïntimeerde 2] stelt hier tegenover: “Of ik hem heb gewezen op het feit dat hij na 17.00 uur in dringende gevallen de waarnemer kon bellen weet ik niet meer”. Zelfs al zou dat laatste wel hebben plaatsgevonden, dan nog acht ik deze instructie onvoldoende overeenkomend met wat de NHG-Standaard aanbeveelt (zie hierboven). Immers, er mag niet van ouders (tenzij het artsen of verpleegkundigen betreft) worden verwacht dat zij het begrip “dringende gevallen” kunnen interpreteren. Het advies “in dringende gevallen” kan tevens het ongewenste effect hebben dat ouders het waarschuwen van een arts uitstellen teneinde die persoon niet onnodig lastig te vallen. Voorts moet worden bedacht dat ouders van een ziek kind altijd bezorgd en vaak angstig zijn en derhalve concrete, begrijpelijke en toepasbare adviezen van de behandelend arts horen te krijgen. (…)
Samenvattend is mijn antwoord op beide deelvragen ja. Het informeren aangaande de overdracht heeft impliciet plaatsgevonden. Het instrueren van de ouders aangaande wanneer wederom contact op te nemen met een (dienstdoende) arts is echter onzorgvuldig gebeurd, althans voor zover ik uit de processtukken kan opmaken.”
4.9.2.
Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. Daarmee staat vast dat [geïntimeerden c.s.] de ouders van [roepnaam appellante], althans in ieder geval haar vader, onvoldoende hebben geïnstrueerd hoe te handelen indien de situatie van [roepnaam appellante] zou verslechteren en hoe in dat geval te handelen na sluiting van de praktijk. Dit geldt in dit geval eens te meer aangezien de ouders van [roepnaam appellante] de Nederlandse taal niet goed machtig waren, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
ad verwijt III: de overdracht aan de waarnemer
4.10.
Dinant is over de overdracht aan de waarnemer niet expliciet bevraagd. In dat verband is wel van belang wat hij in zijn rapport opmerkt bij de beantwoording van vraag 2 (p. 5): “Echter, een urineweginfectie met koorts bij een kind is een ernstige aandoening die nader onderzoek en/of verwijzing rechtvaardigt.”
Daarnaast neemt het hof bij de beoordeling van dit verwijt het rapport van de door partijen gezamenlijk ingeschakelde deskundige [partijdeskundige 1.] in aanmerking. Deze heeft in aanvulling op zijn rapport van 7 december 1998 bij brief van 19 januari 2000 geschreven (zie r.o. 4.2.11):
“ (…) op de patiënten kaart is genoteerd, koorts en lusteloosheid.
Deze gegevens maken het bij een kind van deze leeftijd gewenst een waarnemer op de hoogte van de casus te stellen. Het ontbreken van andere gevonden afwijkingen is geen argument om dit niet te doen. Een waarnemer kan dan bij een nieuw verzoek tot consultatie tot een betere advisering komen.”
Het hof concludeert op grond hiervan evenals de rechtbank dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ten aanzien van de overdracht aan de waarnemend huisarts niet hebben gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van redelijk bekwame en redelijk handelende huisartsen mag worden verwacht.
tussenconclusie: tekortkomingen staan vast
4.11.
Dit betekent dat ook in hoger beroep vaststaat dat [geïntimeerden c.s.] jegens [roepnaam appellante] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst doordat zij a) de ouders van [roepnaam appellante], althans haar vader, onvoldoende hebben geïnstrueerd hoe te handelen indien de situatie van [roepnaam appellante] zou verslechteren en hoe in dat geval te handelen na sluiting van de praktijk en b) de waarnemend huisarts niet op de hoogte hebben gesteld van de gezondheidssituatie van [roepnaam appellante]. Niet in discussie is, dat deze tekortkomingen toerekenbaar zijn.
Thans moet derhalve worden beoordeeld of sprake is van causaal verband, in de zin van condicio sine qua non verband, tussen deze tekortkomingen en de schade van [roepnaam appellante]. Wat de schade van [roepnaam appellante] betreft, gaat het om verlies van een kans. Is [roepnaam appellante] door de tekortkomingen een kans op een beter behandelresultaat is onthouden?
causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband)
4.12.
Volgens grief I komt [familienaam appellante] een beroep toe op de zogenaamde omkeringsregel.
Deze grief faalt. [geïntimeerden c.s.] hebben immers gehandeld in strijd met de algemene norm van (de voorganger van) artikel 7:453 BW en daarop is de omkeringsregel niet van toepassing (HR 19 maart 2004, NJ 2004, 307 en HR 9 april 2004, NJ 2004, 308). Dit betekent dat op [familienaam appellante] de bewijslast rust van het causaal verband tussen de tekortkomingen van [geïntimeerden c.s.] en het (gestelde) verlies van een kans op een beter behandelresultaat.
4.13.
Met de enkele tekortkomingen van [geïntimeerden c.s.] staat - anders dan bijvoorbeeld in die gevallen waarin een advocaat heeft verzuimd hoger beroep in te stellen – nog niet vast dat [roepnaam appellante] een kans op een beter behandelresultaat is onthouden. Daartoe dienen in dit geval de volgende vragen te worden beantwoord:
Is het aannemelijk dat de vader, indien hij door [geïntimeerden c.s.] juist zou zijn geïnstrueerd ten aanzien van de door hem (gegeven de omstandigheid dat de praktijk gesloten was) te ondernemen acties bij verslechtering van de situatie van [roepnaam appellante], op 2 maart 1993 eerder dan rond 22.30 uur de waarnemend huisarts zou hebben gebeld en zo ja: hoe laat zou hij dat dan waarschijnlijk hebben gedaan?
Indien de vader de waarnemend huisarts op 2 maart 1993 eerder dan rond 22.30 uur zou hebben gebeld, zou deze in dat geval ook direct een huisbezoek hebben afgelegd?
Indien ook dit antwoord bevestigend luidt: zou de waarnemend huisarts in dat geval met [roepnaam appellante] direct in zijn eigen auto naar het ziekenhuis zijn gereden c.q. [roepnaam appellante] naar het ziekenhuis hebben verwezen?
Gelet op de omstandigheid dat [familienaam appellante] dient te bewijzen hoe haar situatie zou zijn geweest indien [geïntimeerden c.s.] juist zouden hebben gehandeld, is het hof van oordeel dat in dit geval aan het door [familienaam appellante] te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld. Het is immers aan de tekortkomingen van [geïntimeerden c.s.] te wijten dat [familienaam appellante] de mogelijkheid is ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. Daarom is aannemelijkheid hoe in de situatie zonder tekortkoming door haar vader en de waarnemend huisarts zou zijn gehandeld voldoende.
4.13.1.
Ten aanzien van de vraag of de vader van [roepnaam appellante] op 2 maart 1993 de waarnemend huisarts eerder zou hebben gebeld, overweegt het hof als volgt.
Vaststaat dat de vader van [roepnaam appellante] zich de hele dag ongerust maakte over haar situatie. Om 9.00 uur heeft hij gebeld naar de praktijk van [geïntimeerde 1] en, kennelijk nog niet gerust gesteld door hetgeen hem telefonisch was meegedeeld, heeft hij om 9.15 uur wederom naar de praktijk gebeld. Vaststaat voorts dat in de loop van de ochtend zijn ongerustheid verder toe nam en dat hij toen hij om 12.00 uur nog niets gehoord van de praktijk, samen met zijn echtgenote [roepnaam appellante] heeft aangekleed om met haar naar het ziekenhuis te gaan, maar net op dat moment kwam [geïntimeerde 2] bij de woning van de familie [familienaam] aan. Tevens staat vast dat de vader nadat hij rond 15.00 uur bij de praktijk was geweest om de urine van [roepnaam appellante] af te geven, hij later weer naar de praktijk heeft gebeld omdat [roepnaam appellante] nog steeds warm aanvoelde, suf was en bewegingsloos op de bank lag. Het hof begrijpt dat dit telefoontje na 17.00 uur c.q. aan het begin van de avond heeft plaatsgevonden. Op grond van deze omstandigheden acht het hof het alleszins aannemelijk dat de vader van [roepnaam appellante] indien [geïntimeerde 2] en/of [geïntimeerde 1] hem hadden uitgelegd dat hij indien de situatie van [roepnaam appellante] verslechterde de waarnemend huisarts moest bellen, op die dag kort na 17.00 uur c.q. aan het begin van de avond de waarnemend huisarts, dr. [waarnemend huisarts] zou hebben gebeld. Het hof is zich ervan bewust dat hier nog een marge van 1 à 2 uur tussen zit.
4.13.2.
Het hof acht het voorts aannemelijk dat [waarnemend huisarts] indien hij op zijn beurt door [geïntimeerden c.s.] zou zijn geïnformeerd over de situatie van [roepnaam appellante] – een jong kind van anderhalf jaar, al enige dagen koorts, om vier uur nog 40 graden C , lusteloos, positief resultaat urineonderzoek – hij mede gelet op de destijds geldende NHG-standaard kinderen met koorts aan het begin van de avond [roepnaam appellante] thuis zou hebben bezocht en onderzocht.
4.13.3.
Bij het antwoord op de derde vraag is van belang welke symptomen [waarnemend huisarts] op dat moment bij [roepnaam appellante] zou hebben waargenomen. In het rapport van Bonten – tegen welk rapport door [geïntimeerden c.s.] geen en door [familienaam appellante] geen deugdelijk en zwaarwegende bezwaren zijn aangevoerd zodat het hof bij de beoordeling van dit rapport uitgaat - staat dat [waarnemend huisarts] in een handgeschreven bericht van 2 april 1993, dat overigens in deze procedure niet is overgelegd, “meningeale prikkelingsverschijnselen” beschrijft. Bonten leidt voorts uit de stukken af dat dit contact om 22.30 uur heeft plaatsgevonden. Bij opname om 23.00 uur in het Carolus Ziekenhuis concludeert Bonten dat er op dat moment een grote klinische verdenking op meningokokkensepsis bestaat. Bij pleidooi is door [familienaam appellante] naar voren gebracht dat in de door het Carolus Ziekenhuis bij de opname afgenomen anamnese is vermeld dat sprake is van ‘vlekjes’. Van de kant van [geïntimeerden c.s.] is naar het oordeel van het hof terecht opgemerkt dat gelet op de omstandigheid dat het om een spoedopname ging niet van de juistheid van dit, kennelijk van de vader van [roepnaam appellante] afkomstige, gegeven kan worden uitgegaan. Het hof merkt op dat in het rapport van [partijdeskundige 1.] is vermeld dat in een brief van het Wilhelmina ziekenhuis staat dat er om ongeveer 17.00 uur huidvlekjes waren, maar dat, nu [partijdeskundige 1.] zelf daaraan toevoegt dat dit een anamnestisch gegeven moet zijn, evenmin van de juistheid van dit gegeven kan worden uitgegaan. Derhalve valt niet met zekerheid vast te stellen dat [waarnemend huisarts] de petechiën, vlekjes, al bij een aan het begin van de avond afgelegde visite zou hebben geconstateerd.
Dat doet er evenwel niet aan af dat op grond van het rapport van Bonten voldoende aannemelijk is dat de gezondheidssituatie van [roepnaam appellante] op dat moment zodanig was dat [waarnemend huisarts] indien hij door [geïntimeerden c.s.] beter zou zijn geïnformeerd zou hebben gehandeld zoals hij om 22.30 uur heeft gehandeld. Bonten schrijft in zijn rapport namelijk dat de meningeale prikkelingsverschijnselen, die door [waarnemend huisarts] op 2 maart 1993 als eerste om 22.30 uur zijn vastgesteld, op dat moment waarschijnlijk al langer aanwezig waren en dat met elk eerder onderzoek dit alarmsymptoom was opgemerkt. Ook al voegt Bonten daaraan toe dat onduidelijk is of tekenen van meningeale prikkeling en/of zichtbare huidafwijkingen om 17.00 uur aanwezig waren, op grond van dit rapport bestaat de geenszins te verwaarlozen kans dat deze alarmsymptomen al aan het begin van de avond – om de gedachten te bepalen: omstreeks 18.00 of 19.00 uur - aanwezig waren dan wel dat de situatie van [roepnaam appellante] op dat moment tezamen met de informatie die door [geïntimeerde 1] was verstrekt ofwel voor [waarnemend huisarts] een directe en duidelijke indicatie zou hebben gevormd dat [roepnaam appellante] moest worden ingestuurd, ofwel bij hem tot het eerder genoemde ‘niet-pluisgevoel’ zou hebben geleid. Het hof acht dan ook voldoende aannemelijk dat [waarnemend huisarts] aan het begin van de avond met [roepnaam appellante] naar het ziekenhuis zou zijn gereden althans zo zou hebben gehandeld dat ervan kan worden uitgegaan dat de behandeling van [roepnaam appellante] om 19.00 tot 20.00 uur die avond zou zijn begonnen. Voor de verdere beoordeling gaat het hof uit van de weliswaar tot op zekere hoogte arbitrair vastgestelde, doch voldoende aannemelijke hypothese dat met een behandeling omstreeks 19.30 uur, dus 3,5 uur eerder dan daadwerkelijk is geschied, met de behandeling zou zijn aangevangen.
4.13.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat is voldaan aan het vereiste van causaal verband tussen de tekortkomingen van [geïntimeerden c.s.] en de schade van [roepnaam appellante]. Dit betekent dat [geïntimeerden c.s.] aansprakelijk zijn voor de door hun tekortkomingen veroorzaakte schade van [roepnaam appellante].
omvang van de schade
4.14.
Daarmee staat evenwel nog niet vast of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkomingen van [geïntimeerden c.s.] achterwege zouden zijn gebleven, de kans op een beter behandelresultaat zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd. Daarop is de leer van de kansschade van toepassing (HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7491).
4.15.
Toegespitst op dit geval is de vraag of en zo ja, hoe groot de kans op een beter behandelresultaat zou zijn geweest indien de behandeling van [roepnaam appellante] op 2 maart 1993 niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn gestart.
De rechtbank heeft de schade van [roepnaam appellante] afgewezen omdat, zoals hiervoor is weergegeven, zij van oordeel was dat op grond van het rapport Bonten de vraag naar de kans op een beter behandelresultaat bij een eerdere ontdekking van de ziekte niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden beantwoord (r.o. 2.26 van het vonnis van 3 augustus 2011). Grief III, en naar het hof begrijpt ook grief II, richt zich tegen dit oordeel.
In dit verband heeft [familienaam appellante] een artikel over “Antibiotic treatment delay and outcome in acute bacterial meningitis” van Rasmussen e.a. overgelegd. De advocaat van [familienaam appellante] heeft bij pleidooi in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade verwezen naar een – niet overgelegd - rapport van een door hem ingeschakelde statistisch deskundige en heeft de resultaten van dit onderzoek vervolgens besproken en kort toegelicht. Op grond van dit rapport alsmede op grond van recente jurisprudentie van de Hoge Raad bepleit [familienaam appellante] het aannemen van een volledige (100%) vergoedingsplicht dan wel een ander percentage.
De advocaat van [geïntimeerden c.s.] heeft in reactie daarop allereerst opgemerkt dat [familienaam appellante] nu bij de berekening van het kansverlies een andere route volgt en daarmee een nieuwe grief c.q. een nieuwe stelling opwerpt. Daartegen maakt [geïntimeerden c.s.] bezwaar; ingeval het hof daar anders over denkt, wensen zij graag in de gelegenheid te worden gesteld in een akte/memorie daarop alsnog te reageren. [geïntimeerden c.s.] stellen voorts dat het artikel van Rasmussen c.s. in dit geval niet van toepassing is, omdat dit artikel gaat over de gevolgen van het niet-tijdig stellen van de diagnose bij volwassenen. In casu gaat het over een jong kind gaat en het is bekend dat de mortaliteit bij kinderen lager ligt. Wat betreft het kansverlies verwijzen [geïntimeerden c.s.] naar het rapport van Bonten, waaruit volgt dat in dit geval de schade niet kan worden uitgedrukt in een verlies van een kans.
4.16.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof ziet de bespreking c.q. toelichting van de advocaat van [familienaam appellante] over de wijze waarop het verlies van een kans op een beter behandelresultaat zou moeten worden berekend niet als een nieuwe grief of nieuwe stelling, maar als een nadere uitwerking van een bij memorie van grieven ingenomen standpunt. Genoemd artikel van Rasmussen c.s., waarop de door [familienaam appellante]
ingeschakelde deskundige voortbouwt, is namelijk bij diezelfde memorie reeds overgelegd. Nu dus geen sprake is van strijd met de zogenaamde ‘twee conclusieregel’ is deze nadere uitwerking c.q. onderbouwing geoorloofd. Het hof is het evenwel met [geïntimeerden c.s.] eens dat nu het een statistisch-technisch en dus niet-juridisch betoog betreft, van [geïntimeerden c.s.] niet kon worden verwacht daarop bij pleidooi direct te reageren. Het hof stelt [geïntimeerden c.s.] daarom in de gelegenheid dat alsnog bij de nog te nemen memorie – zie hierna - te doen. [familienaam appellante] dient daaraan voorafgaand het rapport van de door haar ingeschakelde statisticus bij memorie in het geding te brengen. Het hof gaat ervan uit dat (de advocaat van) [familienaam appellante] dit rapport tevens direct na ontvangst van het arrest aan (de advocaat van) [geïntimeerden c.s.] toezendt.
4.17.
Het hof merkt om proceseconomische redenen ten aanzien van de vaststelling van de omvang van de schade van [familienaam appellante] thans reeds het volgende op.
Aangezien in dit geval onzeker is of en in hoeverre in de hypothetische situatie een beter behandelresultaat zou zijn bereikt, dient de rechter het toewijsbare bedrag aan schade te schatten aan de hand van de goede en kwade kansen (zie het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van 21 december 2012). Nu het hier in wezen gaat om een beoordeling van medische – goede en kwade – kansen gaat, acht het hof voorlichting door een (medisch) deskundige nodig. Deze kan beter dan het hof inschatten of [roepnaam appellante] kans zou hebben gehad op een beter behandelresultaat en zo ja, hoe groot die kans zou zijn geweest.
Dat Bonten in zijn rapport heeft aangegeven dat hij daar met geen zinnig woord iets over kan zeggen, wil nog niet, althans niet zonder meer, zeggen dat daar niets over te zeggen valt. Het is immers zeer de vraag of Bonten vanuit zijn deskundigheid als arts-microbioloog in staat is deze vraag te beantwoorden. Het ligt wellicht meer voor de hand deze vraag te stellen aan een kinderarts-infectioloog, zoals [familienaam appellante] heeft voorgesteld. Ook is voorstelbaar deze vraag te stellen aan een statisticus of een medicus die tevens statistisch onderlegd is dan wel enige affiniteit heeft met – medische - statistiek.
4.18.
Het hof is voornemens de deskundige(n) de volgende vragen ter beantwoording voor te leggen:
Kunt u na bestudering van het medisch dossier van [familienaam appellante] gemotiveerd aangeven hoe groot de kans op een beter behandelresultaat zou zijn geweest indien de behandeling op 3 maart 1993 niet om 23.00 uur maar om 19.30 uur zou zijn ingezet?
En kunt u bij bevestigende beantwoording ook aangeven in welk opzicht het resultaat van de behandeling beter c.q. minder nadelig voor [familienaam appellante] zou zijn geweest?
Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
Het hof gaat ervan uit dat [familienaam appellante] haar volledige medisch dossier aan de deskundige ter beschikking zal stellen, zoals dat ook aan Bonten ter beschikking is gesteld, aangevuld met voor dit geschil relevante recente medische informatie. Het hof verstaat dat [geïntimeerden c.s.] datzelfde zullen doen, behoudens voor zover [familienaam appellante] daartegen bezwaar maakt.
Het hof merkt reeds op dat, nu de aansprakelijkheid vaststaat, het voorschot ten laste van [geïntimeerden c.s.] zal worden gebracht.
4.19.
Partijen kunnen zich bij memorie uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend – over de persoon van de te benoemen deskundige alsmede over de vraagstelling aan de deskundige. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.
[familienaam appellante] dient bij deze memorie ook het (partij)rapport van de door haar ingeschakelde deskundige over te leggen.
4.20.
Iedere verdere beoordeling wordt aangehouden.
5. De uitspraak
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 27 mei 2014 voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [familienaam appellante];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, H.A.W. Vermeulen en W.A. van Veen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 mei 2014.