Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/1.2.2.1
1.2.2.1 Procesrechtelijke mechanismen: het 'voorshandse' bewijsoordeel
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353480:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een fraaie bespreking van het verschil tussen de omkering van de bewijslast (die voor de oorspronkelijk niet stellende partij het 'tegendeelbewijs' met zich brengt) en het voorshandse bewijsoordeel als constructie om er tot op tegenbewijs van uit te gaan dat het bewijs geleverd is Visser 1997, p. 73 e.v. Vgl. ook A-G Hartkamp (nr. 8) in zijn conclusie voor HR 7 april 2000, NJ 2001, 32, m.nt. DA. Asser drukt het in zijn annotatie onder bedoeld arrest krachtig uit, waar hij stelt: 'Er was van afwijking van de hoofdregel van art. 177 Rv geen sprake. De stelling van [eiser] werd voor waar gehouden en zij was ontheven van het op haar ingevolge de hoofdregel van art. 177 Rv drukkende bewijsrisi-co, behoudens tegenbewijs van [gedaagde].' Vgl. ook HR 12 januari 2007, NJ 2007, 371, m.nt. MMM.
Asser 2004, nr. 46.
HR 4 juni 1976, NJ 1977, 417, m.nt. WHH: 'de klacht dat het hof aldus heeft beslist zonder [x] tot tegenbewijs toe te laten, faalt, nu blijkens 's Hofs bovenvermelde vaststelling [x] zodanig tegenbewijs niet heeft aangeboden'. Zie voor een verzekeringsrechtelijke zaak HR 11 april 1986, NJ 1987, 433(Ennia/Bodde), m.nt. WHH.
Zie HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413, m.nt. HJS, HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 899, m.nt. HJS, HR 10 december 1999, NJ 2000, 637, HR 24 maart 2000, NJ 2000, 342, HR 6 april 2001, NJ 2002, 383, m.nt. HJS, HR 30 januari 2004, NJ 2004, 197 en HR 11 juni 2004, LJN AO6212.
HR 11 juni 2004, LJN AO6212.
Aldus HR 12 september 2003, NJ 2005, 268 (m.nt. DA onder NJ 2005, 270): 'In een situatie als de onderhavige, waarin de rechter in eerste aanleg bepaalde door de ene partij gestelde feiten en omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht en de andere partij heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs en die andere partij met het oog op deze bewijslevering een aantal getuigen heeft doen horen, mag van laatstgenoemde partij worden verwacht dat zij, indien zij vervolgens in hoger beroep een bewijsaanbod doet met de bedoeling aanvullend tegenbewijs te leveren, dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen. 's Hofs in de bestreden overweging vervatte oordeel dat een door de verzekerde daarnaast gedaan algemeen aanbod tot het leveren van (aanvullend) tegenbewijs bij gebreke van enige toelichting daarop mag worden gepasseerd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.' Zie ook HR 14 november 1997, NJ 1998, 657, m.nt. WMK. De omstandigheden zullen hierbij steeds bepalend zijn: wanneer door een der partijen aan de hand van een groot aantal producties een hoeveelheid nieuwe gegevens te berde is gebracht, die aanleiding konden zijn voor nadere vragen, hoeft het aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet te worden gespecificeerd, aldus HR 24 maart 2000, NJ 2000, 452 in een verzekeringsrechtelijke kwestie.
Zie ook Asser 2004, nr. 30.
Giesen 2001, p. 68.
NJ 1990, 561, m.nt. PAS.
Asser noemt het hierboven door mij besproken arrest in de paragraaf die gaat over 'jurisprudentiële vermoedens' (Asser 2004, nr. 43). Hoewel juist is dat de bewijsregel zoals deze door de Hoge Raad is geformuleerd, ontwikkeld is in de rechtspraak (en daarmee de term 'jurisprudentieel' op zijn plaats lijkt), leidt het mijns inziens tot verwarring wanneer bedoeld arrest onder de jurisprudentiële vermoedens wordt 'geclassificeerd'. Dat is voornamelijk omdat de term vermoeden zich slecht laat rijmen met de omkering van de bewijslast. De Hoge Raad heeft het vermoeden in die zin ook niet aangewend, maar oordeelde dat 'de strekking' van het ontslagbeschermingsartikel 'bij wijze van ongeschreven bijzondere regel in de zin van art. 150, slotzinsnede' met zich brengt dat een uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv moet worden aanvaard voor die gevallen waarin 'vaststaat dat de werkneemster in elk geval kort na de opzegging zwanger was en de bewijslast nog uitsluitend de vraag betreft of deze zwangerschap reeds tijdens de opzegging bestond'. De werkneemster hoeft alleen te bewijzen dat zij kort na de opzegging zwanger was; het bewijsrisico dat dat niet zo was, komt vervolgens op de werkgever te rusten. Zie in die zin ook Asser 1992 (in de versie uit 2004 laat Asser zich hier niet langer over uit), nr. 19: de werkgever moet bewijzen dat de werkneemster ten tijde van het ontslag niet zwanger was. Daar komt nog bij dat ik het gebruik van de term 'jurisprudentieel' vermoeden verwarrend vind omdat bij de 'omkeringsregel' (zie hierna onder 1.2.2.3) - die eveneens geschaard wordt onder het jurisprudentieel vermoeden - het bewijsrisico juist wel bij de oorspronkelijk daarmee belaste partij blijft. Dat past ook bij het gebruik van de terminologie 'vermoeden'. Ik zou er dan ook voor willen pleiten om de aanduiding 'jurispruden-tieel' vermoeden uitsluitend te gebruiken in die gevallen van (rechterlijk) vermoeden, die staan tegenover het wettelijk vermoeden en die geen omkering met zich brengen.
Zie Asser 2004, nr. 30.
Visser 1997, p. 75 e.v. geeft ook een aantal praktische verschillen tussen de omkering en de voorshandse bewijsconstructie.
Zoals eerder aangegeven kan de rechter, wanneer de feiten en omstandigheden in hun onderling verband bezien daartoe aanleiding geven, 'voorshands uitgaan van de juistheid' van de stellingen van de partij die bewijs moet leveren: de oorspronkelijk stellende partij heeft dan, naar het oordeel van de rechter, haar stellingen bewezen behoudens door de wederpartij te leveren tegenbewijs. De rechter geeft daarmee een voorlopige waardering van de bewijsmiddelen, welke waardering anders kan blijken te zijn wanneer tegenbewijs wordt geleverd. Op de wederpartij rust daarmee nadrukkelijk niet het bewijsrisico; dat is gebleven bij de oorspronkelijk daarmee belaste partij.1 'Slechts' is er een bewijsvoeringslast op de wederpartij komen te rusten. Het lijkt goed op deze plaats in te gaan op de vraag welke invulling aan dit tegenbewijs gegeven dient te worden.
Tegenbewijs tegen het voorshandse bewijsoordeel
Tegenbewijs tegen het 'feitelijke' voorshandse bewijsoordeel hoeft niet te bestaan in het bewijs van het tegendeel ('tegendeelbewijs') van wat de rechter voorshands als bewezen had aangenomen. Voldoende voor het slagen van het tegenbewijs is dat het bewijs, dat (voorshands) geleverd was door de partij op wie de bewijslast rust, erdoor wordt ontzenuwd, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 2 mei 2003.2 Of, in de woorden van Asser: strikt genomen is al voldoende dat door de tegenbewijslevering zoveel twijfel wordt gezaaid dat die vaststelling onhoudbaar wordt.3
Tegenbewijs dient in het algemeen te worden aangeboden; ondanks dat de wet in art. 151 lid 2 Rv aangeeft dat tegenbewijs vrijstaat, hoeft de rechter het niet ambtshalve toe te laten.4 Uit het eigen karakter van het tegenbewijs volgt dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet hoeft te worden gespecificeerd: door het eerder door de wederpartij geleverde bewijs is al duidelijk wat met het tegenbewijs beoogd wordt te bewijzen of ontkrachten.5 De achtergrond van deze jurisprudentie heeft Langemeijer heel mooi verwoord in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad van11 juni 2004:
'2.5. De Hoge Raad heeft meermalen beslist dat het aanbod om tegenbewijs te leveren niet behoeft te worden gespecificeerd. Deze jurisprudentie houdt verband met de regel van art. 178 lid 2 (oud) Rv, thans art. 151 lid 2 Rv, dat tegenbewijs vrij staat tenzij de wet het uitsluit, en met de regel van art. 194 (oud) Rv, thans art. 168 Rv, dat het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs van rechtswege vrijstaat en wordt gehouden op de dag die de rechter daartoe bepaalt. Voor deze jurisprudentie is m.i. ook een verklaring te geven. Het is bij een schriftelijke procesgang niet goed doenlijk de eis te stellen dat een aanbod van tegenbewijs nader wordt gespecificeerd: een procespartij kan immers van tevoren niet weten wat de rechter voorshands bewezen zal achten. Vindt een mondelinge behandeling plaats, dan heeft de rechter het gemakkelijker omdat hij aan een procespartij de vraag kan voorleggen of zij tegenbewijs kan en wil aanbieden en zo ja, welk tegenbewijs. Wanneer de rechter een bewijsopdracht heeft geformuleerd en (in hoger beroep) ter discussie staat of het nodige bewijs is geleverd, kan zich de situatie voordoen dat het precieze bewijsthema inmiddels voor partijen zó duidelijk is geworden dat een algemeen geformuleerd bewijsaanbod niet langer volstaat.'6
Hogere eisen mogen slechts worden gesteld in de situatie waarin de rechter in eerste aanleg bepaalde door de ene partij gestelde feiten en omstandigheden voorshands bewezen heeft geacht en de andere partij heeft toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Wanneer die andere partij met het oog op deze bewijslevering een aantal getuigen heeft doen horen, mag van laatstgenoemde partij worden verwacht dat zij, indien zij vervolgens in hoger beroep een bewijsaanbod doet met de bedoeling aanvullend tegenbewijs te leveren, dit bewijsaanbod nader toelicht, bijvoorbeeld door te specificeren dat en waarom zij (bepaalde) getuigen (opnieuw) wil doen horen. Een algemeen aanbod tot het leveren van (aanvullend) tegenbewijs mag bij gebreke van enige toelichting daarop worden gepasseerd.7
Geen verschuiving van het bewijsrisico
De opdracht aan de wederpartij om tegenbewijs te leveren dient nadrukkelijk niet gezien te worden als een omkering van het bewijsrisico, nu bij het 'uitgaan van de juistheid tot op tegenbewijs' het bewijsrisico blijft rusten op de partij wiens stellingen voorshands als juist aangenomen werden. Op het moment dat de wederpartij slaagt in het leveren van het tegenbewijs zal dit risico zich dan ook alsnog realiseren.8 Uitsluitend is er dus - in de terminologie van Giesen - sprake van een verschuiving van de bewijsvoerings-last: wanneer de juistheid van de stelling (en daarmee de voorlopige bewijswaardering) later ontkracht wordt (door middel van tegenbewijs), komt een non liquet ten laste van de partij die het bewijsrisico draagt (en droeg).9 En tegelijkertijd: zolang de juistheid niet ontkracht fs, ligt het risico bij degene die met het tegenbewijs belast is.
Het hiervoor onder 1.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 maart 199010 geeft een casus die gebruikt kan worden om het belang van de gekozen vorm van afwijking van de hoofdregel inzichtelijk kan maken. De zaak draait om (het bewijs van) de vraag of een ontslagen werkneemster zwanger was op het tijdstip van de opzegging en zij zich mitsdien kon beroepen op de ontslagbescherming uit art. 1639h lid 4 BW (oud, thans 7:670 lid 2 BW). De Hoge Raad heeft met recht de strekking van genoemd artikel vooropgesteld en als volgt overwogen:
'Voorop moet worden gesteld dat ingevolge art. 1639h lid 4 eerste zin, een ontslag ''gedurende de zwangerschap'' van de werkneemster nietig is. Blijkens de parlementaire geschiedenis is de strekking van deze regel de arbeidsrechtelijke positie van de werkneemster te versterken en een wettelijke waarborg te geven dat de werkneemster niet tijdens haar zwangerschap haar arbeidsplaats verliest. (... ) In beginsel zal, in overeenstemming met het bepaalde in art. 177 Rv, op de werkneemster de bewijslast rusten dat zij op het tijdstip van de opzegging zwanger was. De boven weergegeven strekking van art. 1639h lid 4 brengt evenwel mee dat - bij wijze van ongeschreven bijzondere regel in de zin van art. 177, slot-zinsnede - een afwijking van voormelde hoofdregel moet worden aanvaard, wanneer vaststaat dat de werkneemster in elk geval kort na de opzegging zwanger was en de bewijslast nog uitsluitend de vraag betreft of deze zwangerschap reeds tijdens de opzegging bestond. Deze laatste vraag zal immers bij de huidige stand van de wetenschap in het algemeen niet met zekerheid zijn te beantwoorden, terwijl het met de bescherming die art. 1639h lid 4 aan de werkneemster beoogt te bieden, niet zou stroken het daaruit voortvloeiende bewijsrisico geheel voor haar rekening te laten. Dit brengt mee dat de bewijslast op de werkgever moet worden gelegd, wanneer er een reële mogelijkheid bestaat dat de zwangerschap die zich later heeft geopenbaard, op het tijdstip van de opzegging reeds bestond. Deze mogelijkheid zal met name moeten worden aangenomen, wanneer, door middel van de gebruikelijke globale wijze van berekening tijdens de zwangerschap van de vermoedelijke bevallingsdatum, door terugrekening vanaf die datum een vermoedelijke dag van het begin van de zwangerschap wordt verkregen, die voor de dag van die opzegging blijkt te liggen. Daaraan doet niet af dat deze berekening bij de huidige stand van de wetenschap slechts kan uitgaan van de opgave van de werkneemster zelf van de eerste dag van haar laatste menstruatie en dat die berekening voorts berust op de veronderstelling van een regelmatige cyclus van vier weken en een zwangerschap van veertig weken. In het kader van de voormelde bewijslastverdeling mogen deze gegevens immers als uitgangspunt worden gebezigd, zolang er geen reden is om in het gegeven geval aan de juistheid daarvan te twijfelen.'
Door aldus te oordelen heeft de Hoge Raad een bewijsregel ontwikkeld die in wezen is gebaseerd op het vermoeden van zwangerschap: wanneer vaststaat dat de werkneemster kort na de opzegging zwanger was, wordt - bij gebreke van enige in de wet op dit punt opgenomen fictie - de vermoedelijke dag van het begin van de zwangerschap verkregen aan de hand van de door de werkneemster verstrekt opgave van de eerste dag van de laatste menstruatie. Onder de noemer van art. 150 Rv is daarmee de bewijslast die mogelijk speelt in het kader van de beoordeling van de vraag of een opzegging in strijd is met het ontslagverbod bij zwangerschap, bij de werkgever gelegd: de werkgever dient, wanneer hij dat stelt, ook te bewijzen dat de werkneemster ten tijde van het ontslag niet zwanger was.11
In het individuele geval ('deze zwangere dame in deze zaak') had de rechter mijns inziens ook kunnen werken met het voorshandse bewijsoor-deel. Immers, en evenzeer met in het achterhoofd de strekking van de regel tot ontslagbescherming, had de rechter in de gebruikelijke globale berekening van het begin van de zwangerschap op grond van door de werkneemster verstrekte gegevens voorshands, tot op tegenbewijs, evenzeer kunnen uitgaan van de juistheid van de stellingen van de zwangere dame.
Waarom nu op deze plaats deze extra exercitie, nu de Hoge Raad toch bewust ervoor gekozen heeft om onder de noemer van de 'ongeschreven bijzondere regel' de bewijslast om te keren? Dat is omdat het voorbeeld wanneer deze tweede, mogelijke invulling hier gegeven wordt, mooi inzicht kan geven in het verschil in gevolg van de beide alternatieven. Op het moment immers dat een bewijsrisico-omkering plaatsvindt (zoals de Hoge Raad dat doet), worden aan dit bewijs de gewone 'harde' eisen gesteld en komt het bewijsrisico - samen met de bewijsvoeringslast - te liggen bij de werkgever. Op het moment dat gewerkt zou worden met een voorshands bewijsoordeel, rust de bewijsvoeringslast op de werkgever, maar blijft het bewijsrisico rusten bij de ontslagen werkneemster. Het enkele zaaien van twijfel is dan - zoals hiervoor is aangegeven - al voldoende voor het laten slagen van dit tegenbewijs. Onder omstandigheden kan niet uitgesloten worden dat zich voor de ontslagen werkneemster dan alsnog het bewijsrisico zou realiseren (bijvoorbeeld indien de bevalling uiteindelijk duidelijk later dan de oorspronkelijke bevallingsdatum plaatshad, zeker als de baby desondanks premature kenmerken heeft).
Het verschil tussen de omkering van het bewijsrisico en het 'tot op tegenbewijs uitgaan van de juistheid van de stellingen' toont zich ook nog op andere terreinen. Wanneer sprake is van omkering van het bewijsrisico wordt gederogeerd aan de gewone regel van bewijslastverdeling. De beslissing in het concrete proces dat daarvan sprake is, is een rechtsbeslissing die uiteindelijk in beginsel vatbaar is voor materiële toetsing in cassatie. Wordt voorshands het feitencomplex dat door de ene partij is gesteld voor waar aangenomen en op grond daarvan de wederpartij met bewijs belast, dan worden de gewone regels van de bewijslastverdeling juist niet doorbroken en is de beslissing van de rechter feitelijk, zodat zij in cassatie (praktisch) niet kan worden getoetst.12 Daarnaast heeft het al dan niet overgaan van het bewijsrisico gevolgen voor de situatie waarin een partij als getuige wordt gehoord. De beperking van de bewijskracht van de partijgetuigenverklaring geldt ex art. 164 lid 2 Rv immers alleen voor feiten waarvoor die partij het bewijsrisico draagt. Meer concreet houdt zulks in dat bij de zuivere omkering van de bewijslast de beperking van de bewijskracht die een partijgetuigenverklaring heeft, 'mee over gaat', waar deze bij de voorshandse bewijsconstructie bij de oorspronkelijk met het bewijs belaste partij blijft.13