De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.8:3.8 Conclusie en afronding herkomst planschadeadviseur
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.8
3.8 Conclusie en afronding herkomst planschadeadviseur
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701973:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De deelvraag die in dit hoofdstuk centraal stond is of de huidige – ogenschijnlijk belangrijke en bijzondere – positie van de schadedeskundigen historisch verklaarbaar is en, indien dat het geval is, hoe die verklaring dan luidt.
Voor de planschadeadviseur luidt het antwoord op die vraag bevestigend. De verklaring daarvoor vindt haar oorsprong in de gemeentelijke schadevergoedingspraktijk die tot stand kwam vanwege het ontbreken van een schadevergoedingsbepaling in de Woningwet 1901. Gemeenten volgden elkaar in snel tempo op met het vaststellen van een schadevergoedingsverordening. Die gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen waren van meet af aan doordrenkt van deskundigenadvisering. Aan deskundigen was namelijk de taak opgedragen om de schade te begroten en daarover een advies aan (toen nog) de gemeenteraad uit te brengen.
Met de WRO kwam er voor het eerst een wettelijke schadevergoedingsbepaling (art. 49 WRO). Desalniettemin oordeelde de Kroon dat een gemeentelijke procedureverordening over het algemeen noodzakelijk was om schadeverzoeken adequaat af te kunnen handelen. De gemeentelijke verordeningen leken veel op de huidige procedureverordeningen planschade. Zo moest, buiten evidente gevallen, steeds een adviescommissie worden ingeschakeld. Veel schade werd er op grond van art. 49 WRO evenwel niet vergoed. De wettekst bood daarvoor weinig ruimte; dikwijls manifesteerde de schade zich niet rechtstreeks door de bepalingen van een bestemmingsplan, maar door andere ruimtelijke besluiten. Bij de wetswijziging van 1985 werd art. 49 WRO dan ook breder ingestoken. De wetswijziging vereiste geen (directe) veranderingen met betrekking tot de procedurele kant van de gemeentelijke schadevergoedingspraktijk, al was er een toenemende trend zichtbaar om de SAOZ als vaste adviseur te benoemen. Over tijd begon de steeds riantere schadevergoedingspraktijk de wetgever een doorn in het oog te worden. Met een nieuw opgetuigde regeling (Wro en Bro), waarbij werd aangeknoopt bij het égalité-beginsel, stelde hij paal en perk aan de volledige schadevergoeding. Voor een uitgebreide beschrijving van het systeem van Wro en Bro – alsmede de rol die deskundigenadvisering daarin speelt – verwijs ik naar § 2.3.3.