Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/9.2.3.3
9.2.3.3 Uitleg van de verbintenis en het recht op nakoming
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS378798:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 341. Ook in de Duitse en Franse literatuur wordt dit als een vraag van uitleg beschouwd, vgl. Müko/Westermann 2008, § 439, nr. 11; Roth 2006, p. 2955; Wéry 1993, nr. 125, p. 168; en Laithier 2004, nr. 64, p. 91-92.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-P), nr. 158 en nr. 314. Zo ook Asser/Hijma 2007 (5-I), nr. 397.
Hartmann 2007, § 888, nr. 3.
Ook Kornet bepleit in haar dissertatie de introductie van de hypothetische partijwil bij uitlegvraagstukken voor het Nederlandse recht, zie Kornet 2006, p. 415-422. Van Bijnen heeft in het kader van de invulling van de aanvullende redelijkheid en billijkheid eveneens steun gezocht bij de hypothetische partijwil, door Van Bijnen hypothetische standaard genoemd, zie Van Bijnen 2005, p. 281 e.v.
Lorenz 2005a, p. 1894, zie ook Lorenz 2007, p. 4; en Canaris 2003, p. 835. Ook in het Anglo-Saksische recht zoekt de rechter aansluiting bij de hypothetische partijwil indien hij overweegt een van de verbintenis afwijkende 'order for specific performance' te geven, zie Sharpe 1992, nr. 11.10 en 11.60.
BGH 7 juni 2006, NJW 2006, p. 2841.
Kritisch is bijvoorbeeld Hartkamp 2006, p. 470, die zich afvraagt hoe de rechter kan weten wat partijen hadden gewild. Löwenstein zag ook bezwaren in de fictie van de hypothetische partijwil. Zijn voorstel, dat de rechter bij de uitleg van de overeenkomst de contractsnorm naar zijn strekking dient uit te leggen, komt mij echter voor als slechts een cosmetische oplossing, zie Löwensteyn 1967, p. 18-22. Ook verschillende Duitse auteurs hebben vraagtekens geplaatst bij de hypothetische partijwil, zie Roth 2006, p. 2955-2956; en Katzenstein 2005a, p. 188.
Vgl. Debily 2002, nr. 317, p. 327-329.
Vgl. Palandt/Putzo 2005, § 439, nr. 15; en Glöckner 2007, p. 656.
Vgl. Roujou de Boubée 1974, p. 149 e.v.
Canaris 2003, p. 835.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 156; en BGH 7 juni 2006, NJW 2006, p. 2841: 'Der Gesetzgeber ist davon ausgegangen, das die Schaffung des (…) Nacherfüllungsanspruchs des Käufers unabhängig davon, ob ein Stückkauf oder ein Gattungskauf vorliegt, sowohl den Interessen des Käufers als auch denen des Verkäufers entspricht, und hat die Möglichkeit der Nacherfüllung durch die Lieferung einer mangelfreien Sache bewusst auch für den Fall eine Stückkaufs vorgesehen.' Zie ook Donou 2006, p. 69.
Roth 2006, p. 2955-2956; Oechsler 2004, p. 1829; en Reinicke & Tiedtke 2004, p. 166-167, nr. 424.
BT-Drucks 14/6040, p. 209.
Donou 2006, p. 66-67; Canaris 2003, p. 835; en Derleder 2005, p. 2482.
Ackermann 2002, p. 383.
Wessels 2003, nr. 38, p. 51; en Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 426, p. 167.
Vgl. Jacobs 2003, p. 379, die de individualisering niet ziet als een specifieke keuze voor de uitgekozen stoel, maar als een uiting van de keuze voor één van de stoelen die de verkoper voorradig heeft. Zo ook Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 425, p. 167; en Bitter & Meidt 2001, p. 2119.
Palandt/Putzo 2005, § 439, nr. 15. Vgl. Lorenz & Riehm 2002, nr. 506: ` Wer etwa das letzte gerade vorhandene Exemplar einer Ware, die aber regelmäßig nachgeliefert wird, in einem Kaufhaus kauft, wird tatsächlich einen Gattungskauf vereinbaren. Freilich kann sich aus den Umständen ergeben, daß der Verkäufer etwa wegen Geschäftsaufgabe oder eines Modellwechsels nur noch vorhandene Restposten verkauft (Ausverkauf) und gerade nicht mehr verpflicht sein will, im Falle eines Mangels Ersatzware zu besorgen (...).' Vgl. in dezelfde zin Parl. Gesch. Boek 7, p. 137-138.
Anw.komm./BAdenbender 2005, § 439, nr. 22; OLG Braunschweig 4 februari 2003, NJW 2003, p. 1054 overwoog: `Allein aus dem Umstand, dass die Bekl. womöglich kein Fahrzeug mehr im Bestand hat, das den vertragsgemäβen Ausstattungsumfang aufweist, folgt noch kein Unmöglichkeit i.S. von § 275 I BGB.' Zie ook Kornet 2006, p. 137-142 en 183-184. Dit geldt volgens Derleder ook voor een niet-professionele verkoper, zie Derleder 2005, p. 2482.
Vgl. Bali 2004, p. 220. Zo ook Krans 1999, p. 305.
Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 426, p. 167. Vgl. ook Jacobs 2003, p. 379.
Ook de Duitse wetgever en de richtlijn consumentenkoop sluiten vervanging in het kader van nakoming van een tweedehands zaak niet geheel uit, zie BT-Drucks 14/6040, p. 232 en overweging 16 van de richtlijn consumentenkoop. Het Oberlandesgericht Braunschweig heeft een vordering tot vervanging toegewezen bij de niet-deugdelijke nakoming van een verbintenis tot levering van een via internet gekochte Seat Ibiza met 10 kilometer op de teller. Volgens de informatie zou de auto een ABS-systeem met vier airbags hebben, maar de auto bleek slechts uitgerust met twee airbags, en zonder ABS-systeem, zie OLG Braunschweig 4 februari 2003, NJW 2003, p. 1053. Terughoudend over de mogelijkheid om vervanging te vorderen van tweedehands muziekinstrumenten en tweedehands auto's zijn Guest & Ellinger 2006, nr. 12-082, p. 648, omdat deze producten door de koper vaak vooraf worden getest
Bitter & Meidt 2001, p. 2120.
Staudinger/Matusche-Beckmann 2004, § 439, nr. 31; Canaris 2003, p. 831-838; en Pammler 2003, p. 19931994.
Twigg-Flesner & Bradgate 2000, par. 5.
Indien een schuldeiser een prestatie verlangt die afwijkt van de oorspronkelijke speciesverbintenis, moet door uitleg worden vastgesteld of de gevorderde gedraging als nakoming van de verbintenis kan worden aangemerkt.1
Deze uitlegvraag heeft geen betrekking op de (bekendere) uitlegvraag of een schuldenaar al dan niet aan zijn contractuele verplichtingen heeft voldaan. Die vraag is reeds ontkennend beantwoord als de hier centraal staande vraag opkomt. Het gaat hier om het recht van de schuldeiser om in het kader van zijn recht op nakoming vervanging te vorderen van de toegezegde speciesprestatie.
De inhoud van de verbintenis bepaalt het toepassingsbereik van het recht op nakoming. Hoe kan de inhoud van de verbintenis worden vastgesteld?
Nakoming is mogelijk, indien de prestatie die de schuldenaar niet-nakomt feitelijk vervangbaar is. Hartkamp en Sieburgh schrijven:2
Onder 'een voor vervanging vatbare zaak' (art. 7:21 lid 1 onder c, DB) moet in dit verband worden verstaan een zaak die feitelijk vervangbaar is, derhalve niet slechts de zaak die het voorwerp is van een soort-verbintenis, doch ook een zaak die naar haar aard vervangbaar is door een identieke zaak doch door partijen (...) individueel is aangeduid.
Wanneer is een prestatie feitelijk vervangbaar?
Deze vraag is niet makkelijk te beantwoorden. Hartmann schrijft hierover:3
Die Abgrenzung zwischen einer vertretbaren und einer unvertretbaren Handlung ist schwierig und umstritten.
Voor de beantwoording van deze vraag kan de toets van de hypothetische partijwil wellicht enig houvast bieden.4 De uitlegger dient zich in dit kader af te vragen of partijen hadden ingestemd met een vervangende prestatie als zij tijdens de contractonderhandelingen hadden voorzien dat de prestatie niet kon worden uitgevoerd. In Duitsland heeft onder meer Lorenz de toets van de hypothetische partijwil verdedigd bij de beantwoording van vraag of de schuldeiser in het kader van een vordering tot nakoming vervanging kan vorderen, indien de schuldenaar niet in staat is een specieszaak te leveren:5
Maßgebend ist damit, ob der Kaufgegenstand nach dem durch Auslegung zu ermittelnden Parteiwillen, gegenfalls nach dem hypothetischen Parteiwillen, durch einen anderen Gegenstand austauschbar sein soll.
Ook het Bundesgerichtshof maakt gebruik van de denkconstructie van de hypothetische partijwil:6
Ob eine Ersatzlieferung in Betracht kommt, ist nach dem durch Auslegung zu ermittelnden Willen der Vertragsparteien bei Vertragsschluss zu beurteilen (…). Möglich ist die Ersatzlieferung nach der Vorstellung der Parteien dann, wenn die Kaufsache im Falle ihrer Mangelhaftigkeit durch eine gleichartige und gleichwertige ersetzt werden kann.
Het is achteraf uiteraard moeilijk te construeren wat partijen zouden hebben gewild als zij hadden voorzien dat de afgesproken prestatie niet kan worden verricht.7 Een zekere objectivering is dan ook nodig.8 Deze objectivering krijgt vorm door de vraag te stellen of de vervangende prestatie gelijksoortig en gelijkwaardig is aan de oorspronkelijke prestatie.9 Is dat het geval, dan is het aannemelijk dat partijen een vervangende prestatie als nakoming zouden hebben geaccepteerd.10 Canaris schrijft over de gelijksoortigheid van de prestatie:11
Das Erfordenis der Gleichartigkeit trägt dem Prinzip der Vertragsfreiheit als einer Erscheinungsform der Privatautonomie Rechnung, wonach jede Partei den Gegenstand des Vertrages nach ihrem Belieben bestimmen kann, modifiziert jedoch diesen Grundsatz durch die Hinzufügung eines objektiv-normativen Elements, indem von vernünftigen und redlichen Parteien ausgegangen wird; das findet seine Legitimation darin, daß der Vertrag bereits abgeschlossen und in Vollzug gesetzt worden ist.
Van gelijksoortigheid en gelijkwaardigheid van prestaties is geen sprake als de schuldeiser door het ontvangen van een vervangende prestatie in een betere positie komt te verkeren dan waartoe nakoming had geleid. De schuldenaar kan zich op zijn beurt niet van nakoming bevrijden als de vervangende prestatie de schuldeiser niet in een met nakoming vergelijkbare positie brengt (art. 6:45).
Uiteindelijk is dus niet de objectieve kwalificatie van een prestatie als een species- of genuszaak, maar de (hypothetische) partijwil bepalend voor de mogelijkheid vervanging te vorderen.12
Indien partijen specifieke eigenschappen van een zaak overeenkomen, kan de schuldeiser in het kader van nakoming in beginsel geen vervangende prestatie vorderen.13 Als iemand bijvoorbeeld een Corneille koopt, die later een vervalsing blijkt te zijn, kan hij in het kader van zijn recht op nakoming geen vervanging vorderen, omdat het schilderij niet vervangbaar is.14 Een aantal Duitse auteurs heeft betoogd, dat dit wel eens anders zou kunnen zijn als de koper het schilderij enkel als prestigeobject voor zijn kantoor heeft gekocht en de verkoper op de hoogte is van de vervalsing. Indien de verkoper een originele Corneille bezit die qua grote en waarde - daar is het de koper alleen om te doen - overeenstemt met het gekochte schilderij, zou de koper in het kader van zijn recht op nakoming volgens deze auteurs wellicht vervanging kunnen vorderen.15
Zodra een te leveren specieszaak minder specifieke eigenschappen bezit, leent de zaak zich beter voor vervanging.16 Dit is bijvoorbeeld het geval bij geïndividualiseerde genuszaken, zoals een nieuwe auto,17 of een IKEA-stoel.18 De koper kan in beginsel vervanging vorderen, mits de verkoper over vervangende zaken beschikt,19 dan wel de beschikking daarover kan verkrijgen.20
Een koper van een zaak met meer unieke kenmerken, bijvoorbeeld een tweedehands auto, zal in beginsel geen vervangende prestatie kunnen vorderen. Een vervangende auto is geen gelijkwaardig alternatief, omdat deze een ander bouwjaar, kilometerstand en staat van onderhoud zal hebben dan de gekochte auto.21 Reinicke en Tiedtke schrijven in dit verband:22
Sowohl dem Verkäufer als auch dem Käufer wird es i.d.R. auf ein ganz bestimmtes Fahrzeug ankommen, weil entweder der Verkäufer nur ein Fahrzeug anbietet oder der Käufer anderseits, falls der Verkäufer mehrere verkaufen will, sich bewusst für ein ganz bestimmtes Fahrzeug entschieden hat. Ist das der Fall, dann liegt eine Stückschuld mot der Maßgabe vor, dans ein Nachlieferungsanspruch ausgeschlossen ist.
De koper van de tweedehands auto die van de verkoper een vervangende auto wenst omdat de verkoper de toegezegde auto niet kan leveren, zal dit via een vordering tot schadevergoeding in natura moeten bewerkstelligen. Bij een tweedehands zaak zou ik de mogelijkheid van vervanging in het kader van nakoming echter niet categorisch willen uitsluiten.23 Het is denkbaar dat vervanging overeenstemt met de hypothetische partijwil als partijen onverschillig zijn over welke tweedehands zaak dient te worden geleverd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer twee garagebedrijven contracteren over de koop van tweedehands auto's. Bitter en Meidt schrijven hierover:24
Kauft beispielsweise ein Kfz-Händler bei einem anderen ein oder mehrere Wagen aus einem großen Bestand an Gebrauchtwagen, kann sein Leistungsinteresse bei fehlender Individualiserung ggf. auch durch die Lieferung eines anderen gleichwertigen Gebrauchtwagens zu befriedigen sein, weil es ihm nicht auf die speziellen Wagen ankam, sondern es nur generell Kfz zum Weiterverkauf erwerben wollte.
De vervangbaarheid van de zaak lijkt hier de overwegende reden voor toewijzing van de vordering tot nakoming.25 Ook de Engelse juristen Twigg-Flesner en Bradgate sluiten een veroordeling tot vervanging bij tweedehandszaken niet op voorhand uit:26
It seems to us that even in the case of second hand goods replacement will not always be impossible. Minor differences in the individual characteristics of second hand goods will often be inconsequential, and ought not to lead to the conclusion that replacement of second hand goods is always impossible. Suppose, for instance, that the consumer contracts to buy a second hand car of a particular make, model and specification. The car proves defective. If the dealer has another car of the same make, model and specification, should we conclude that replacement of the first by the second is impossible merely because the second car has done 500 more, or fewer, miles? The difference in mileage may have little or no impact on the market values of the two cars. It may be reasonable to say that the consumer cannot demand that the dealer acquire a replacement car to substitute for the defective one, or that the consumer should not be entitled to demand replacement where the difference in mileage is so great as significantly to affect the value of the car, but these are no reasons to conclude that replacement is impossible in all cases of sales of second hand goods.
Ook bij geïndividualiseerde verbintenissen is de mogelijkheid van vervanging in het kader van nakoming dus niet geheel uitgesloten.