Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.42.
HR, 21-01-2025, nr. 22/04926
ECLI:NL:HR:2025:84
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2025
- Zaaknummer
22/04926
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:84, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1200
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2018:5582
ECLI:NL:PHR:2024:1200, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:84
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0026
Uitspraak 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed, art. 8.2.a WVW 1994. Dubbel verstek. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.a Sv. Is cassatieberoep tijdig ingesteld? 2. Betekening dagvaarding in hoger beroep, in cassatie overgelegde stukken ten grondslag gelegd aan betekeningsklacht. Is dagvaarding in h.b. in persoon uitgereikt aan verdachte, nu handtekening op akte niet overeenkomt met die op paspoort van verdachte? Ad 1. en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is beroep ontvankelijk en is middel terecht voorgesteld. CAG: Bij stukken bevindt zich akte van uitreiking, gehecht aan dagvaarding van verdachte om te verschijnen op tz. in h.b., welke inhoudt dat dagvaarding is uitgereikt aan verdachte in persoon. Deze akte is onder “handtekening voor ontvangst” voorzien van handtekening. Namens verdachte is in cassatie gesteld dat dagvaarding in h.b. niet in persoon aan verdachte is uitgereikt maar aan ander. Steller van middel wijst in dit verband o.m. op kopie van paspoort van verdachte, waarop handtekening van verdachte is geplaatst, en verklaring van moeder van verdachte, waarin zij stelt dat handtekening op akte van uitreiking van haar afkomstig is en dat zij is vergeten om stuk aan haar dochter te geven. Handtekening op paspoort van verdachte wijkt af van handtekening die op akte van uitreiking is geplaatst. Gelet daarop is het aannemelijk dat het niet verdachte is geweest die heeft getekend voor ontvangst van dagvaarding in h.b. en dat deze derhalve niet in persoon is uitgereikt aan verdachte. Dit brengt mee dat cassatieberoep tijdig is ingesteld en dat middel slaagt. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04926
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 maart 2018, nummer 20-002540-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.O. Zandt, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en van het eerste cassatiemiddel
Het cassatieberoep is tijdig ingesteld, zodat het beroep ontvankelijk is. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.5. Daaruit volgt ook dat het cassatiemiddel – dat klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend (uitgereikt) – terecht is voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Is de akte van uitreiking behorende bij de appeldagvaarding door de verdachte ondertekend? Plv. AG meent dat de handtekening op de akte van uitreiking niet overeenkomt met de handtekening op het paspoort van de verdachte. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04926
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.O. Zandt, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft verzuimd om de oproep voor de zitting van 14 maart 2018 nietig te verklaren. Zou het middel falen, dan is de consequentie daarvan dat de verdachte in het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep en het eerste middel hangen aldus met elkaar samen. Om die reden zal ik deze gezamenlijk bespreken.
De ontvankelijkheid van het cassatieberoep en het eerste middel
2.1
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich de akte van uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van het hof op 14 maart 2018, welke inhoudt dat de dagvaarding op 17 februari 2018 is uitgereikt aan de verdachte in persoon. Deze akte is onder 'Handtekening voor ontvangst' voorzien van een handtekening.
2.2
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 maart 2018 is de verdachte niet verschenen. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat het hof verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, met bevel tot voortzetting van de behandeling van de zaak. Het hof heeft vervolgens bij arrest van 28 maart 2018 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2.3
Namens de verdachte is in cassatie gesteld dat de oproeping voor de terechtzitting van 14 maart 2018 niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt, maar aan een ander. De steller van het middel wijst er in dat verband op dat in het dossier een aantal documenten zit waarop de handtekening van de verdachte is geplaatst en dat deze handtekeningen grote gelijkenis vertonen en duidelijk van één en dezelfde persoon (ik begrijp: de verdachte) afkomstig zijn. De handtekening op de akte van uitreiking van 17 februari 2018 is volgens de steller van het middel evident afkomstig van een ander. Ten bewijze van de juistheid van deze stelling zijn bij de schriftuur diverse bijlagen gevoegd, te weten (i) een door de verdachte ondertekend verzoek om uitstel van de politierechterzitting van 27 juli 2017; (ii) een verklaring vermissing rijbewijs van de verdachte, ondertekend door de verdachte op 30 juni 2017; (iii) een akte instellen hoger beroep, welke op 10 augustus 2017 is ondertekend door de verdachte; (iv) een kopie van het paspoort van de verdachte dat op 10 juni 2013 is uitgegeven en waarop een handtekening van de verdachte is geplaatst en (v) een verklaring van de [betrokkene] , de moeder van de verdachte, waarin zij stelt dat de handtekening op de akte van uitreiking, behorend bij de dagvaarding in hoger beroep, van haar afkomstig is en dat zij is vergeten om het stuk aan haar dochter te geven.
2.4
Vooropgesteld moet worden dat aan een cassatieklacht over de betekening van een dagvaarding of oproeping slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van eerst in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.1.
2.5
Als zodanig kan in elk geval de namens de verdachte in cassatie overgelegde kopie van het paspoort (document iv) worden aangemerkt.2.De handtekening op het paspoort van de verdachte wijkt, zo meen ik, af van de handtekening die op de akte van uitreiking is geplaatst.3.Gelet daarop acht ik het aannemelijk dat het niet de verdachte is geweest die op 17 februari 2018 heeft getekend voor ontvangst van de dagvaarding in hoger beroep en dat deze derhalve niet in persoon is uitgereikt aan de verdachte. Dit brengt mee dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld en dat het eerste middel slaagt.
Het tweede middel
2.6
Het tweede middel bevat de klacht dat in strijd met art. 48 Sv de raadsman van de verdachte niet voor de terechtzitting in hoger beroep is opgeroepen, noch dat het hof daarnaar onderzoek heeft gedaan.
2.7
Omdat het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking.
Afronding
3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑11‑2024
De handtekening op dit document vertoont sterke gelijkenis met de handtekening op de akte rechtsmiddel (document iii). Deze handtekeningen verschillen dan weer met de handtekeningen op de documenten i en ii, die wel onderling op elkaar lijken. Het verschil tussen beide sets handtekeningen zou kunnen zijn dat in de eerste steeds “ [verdachte] ” wordt geschreven en in de tweede alleen een “ [verdachte] ”.
Vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3713; HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2745 en HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8787. De handtekening op de akte uitreiking wijkt ook af van de in de vorige noot vermelde tweede set handtekeningen.