Procestaal: Engels.
HvJ EU, 06-03-2018, nr. C-579/16 P
ECLI:EU:C:2018:159
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-03-2018
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Tizzano, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, J. L. da Cruz Vilaça, C. G. Fernlund, C. Vajda, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, E. Jarašiūnas, S. Rodin, F. Biltgen
- Zaaknummer
C-579/16 P
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Commissie/FIH Holding en FIH Erhversbank
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:159, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑03‑2018
ECLI:EU:C:2017:911, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑11‑2017
Uitspraak 06‑03‑2018
K. Lenaerts, A. Tizzano, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, J. L. da Cruz Vilaça, C. G. Fernlund, C. Vajda, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, E. Jarašiūnas, S. Rodin, F. Biltgen
Partij(en)
In zaak C-579/16 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 november 2016,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, L. Flynn en K. Blanck-Putz als gemachtigden,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
FIH Holding A/S, gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
FIH Erhvervsbank A/S, gevestigd te Kopenhagen,
vertegenwoordigd door O. Koktvedgaard, advokat,
verzoeksters in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, J. L. da Cruz Vilaça, C. G. Fernlund en C. Vajda, kamerpresidenten, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev (rapporteur), C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, E. Jarašiūnas, S. Rodin en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 september 2017,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2017,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening vordert de Europese Commissie vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 september 2016, FIH Holding en FIH Erhvervsbank/Commissie (T-386/14, EU:T:2016:474; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het Gerecht besluit 2014/884/EU van de Commissie van 11 maart 2014 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (12/C) ten behoeve van de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC (PB 2014, L 357, blz. 89; hierna: ‘litigieus besluit’) nietig heeft verklaard.
Voorgeschiedenis van het geding
2
FIH Erhvervsbank A/S (hierna: ‘FIH’) is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die overeenkomstig het Deense bankenrecht is opgericht en onder het toezicht van de Deense bankautoriteiten staat. FIH en haar dochterondernemingen zijn volledig in handen van FIH Holding A/S.
3
FIH, dat werd getroffen door de wereldwijde financiële crisis die losbarstte in 2007, kon in 2009 gebruikmaken van twee soorten maatregelen. Ten eerste kreeg zij in juni 2009 een hybride tier 1-kapitaalinjectie van 1,9 miljard Deense kroon (DKK) (ongeveer 255 miljoen EUR) krachtens de lov om statstligt indskud i kreditinstitutter (wet inzake door de staat gefinancierde kapitaalinjecties) van 3 februari 2009 en het op grond van deze wet vastgestelde besluit. Ten tweede verleende het Koninkrijk Denemarken in juli 2009 FIH een staatsgarantie voor een bedrag van 50 miljard DKK (ongeveer 6,71 miljard EUR) krachtens de lov om finansiel stabilitet (wet inzake financiële stabiliteit) van 10 oktober 2008, zoals gewijzigd bij wet nr. 68 van 3 februari 2009 (hierna samen: ‘maatregelen uit 2009’). FIH benutte deze garantie volledig om obligaties uit te geven.
4
Beide genoemde wetten waren door de Commissie bij beschikking C(2009) 776 definitief van 3 februari 2009 betreffende staatssteunregeling N31a/2009 — Denemarken goedgekeurd als met de interne markt verenigbare steunregelingen.
5
Op 31 december 2011 bedroegen de door FIH uitgegeven en door de Deense Staat gegarandeerde obligaties 41,7 miljard DKK (ongeveer 5,59 miljard EUR), dat wil zeggen 49,94 % van het balanstotaal van FIH. Deze obligaties vervielen in 2012 en 2013.
6
Tussen 2009 en 2011 verlaagde het ratingagentschap Moody's de rating van FIH van A2 naar B1 met een negatieve outlook.
7
Met name vanwege deze ratingverlaging en de omstandigheid dat de vervaldatum van de door FIH uitgegeven en door de Deense Staat gegarandeerde obligaties dichterbij kwam, bleek in 2011 duidelijk dat FIH in 2012 of 2013 liquiditeitsproblemen zou krijgen, met als mogelijk gevolg verlies van haar bankvergunning en dus haar faillissement.
8
Tegen deze achtergrond meldde het Koninkrijk Denemarken op 6 maart 2012 bij de Commissie een pakket maatregelen (hierna: ‘aan de orde zijnde maatregelen’) aan, waaronder om te beginnen de oprichting van een nieuwe dochteronderneming van FIH Holding, NewCo, waaraan de meest problematische activa van FIH, voornamelijk vastgoedkredieten en derivaten met een nominale waarde van bijna 17,1 miljard DKK (ongeveer 2,3 miljard EUR), zouden worden overgedragen om het balanstotaal van FIH te verminderen.
9
Voorts zou de Financial Stability Company (hierna: ‘FSC’), een door de Deense autoriteiten in het kader van de wereldwijde financiële crisis opgerichte publiekrechtelijke entiteit, de aandelen van NewCo voor een bedrag van 2 miljard DKK (ongeveer 268 miljoen EUR) overnemen, zodat NewCo binnen vier jaar kon worden geliquideerd. FSC zou NewCo tijdens haar liquidatie financieren en herkapitaliseren indien dit noodzakelijk zou blijken te zijn.
10
Ten slotte zou FIH in ruil voor die maatregelen de door de Deense autoriteiten in 2009 verrichte kapitaalinjectie van 1,9 miljard DKK (ongeveer 255 miljoen EUR) terugbetalen, waardoor FSC NewCo zou kunnen overnemen zonder gebruik te maken van het eigen vermogen.
11
FIH zou tevens een eerste lening verstrekken aan NewCo voor een bedrag van 1,65 miljard DKK (ongeveer 221 miljoen EUR), welke lening bedoeld was om de verwachte verliezen van NewCo te absorberen en slechts moest worden terugbetaald indien de sanering van de aan NewCo overgedragen vastgoedkredieten en derivaten meer zou opbrengen dan 2 miljard DKK (ongeveer 268 miljoen EUR).
12
Daarnaast zou FIH aan NewCo een tweede lening verstrekken van circa 13,45 miljard DKK (ongeveer 1,8 miljard EUR). De looptijd van deze lening zou eindigen op het moment dat de in 2009 door de Deense Staat gegarandeerde obligaties van FIH zouden vervallen; de door FIH ontvangen aflossingen van de lening zouden worden gebruikt voor het aflossen van haar door de Deense Staat gegarandeerde obligaties.
13
Wat FIH Holding betreft, werd besloten dat zij een onbeperkte verliesgarantie zou verstrekken aan FSC, zodat FSC bij de ontbinding van NewCo, die oorspronkelijk was gepland voor 2016, alle verliezen die zij mogelijk had geleden door de overname en liquidatie van NewCo zou kunnen terugvorderen.
14
Bij besluit C(2012) 4427 final van 29 juni 2012 betreffende staatssteunregeling SA.34445 (12/C) (ex 2012/N) — Denemarken leidde de Commissie een formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de aangemelde maatregelen in op de grond dat naar haar oordeel sprake was van staatssteun ten gunste van FIH en FIH Holding (hierna: ‘FIH-groep’) en NewCo. Ter wille van de financiële stabiliteit keurde zij de maatregelen evenwel goed voor een periode van zes maanden of, voor het geval dat het Koninkrijk Denemarken tijdens deze periode een herstructureringsplan zou overleggen, in afwachting dat zij een definitief besluit op dit punt zou treffen.
15
Op 2 juli 2012 betaalde FIH de in 2009 met publieke middelen verrichte hybride tier 1-kapitaalinjectie terug aan het Koninkrijk Denemarken.
16
Op 4 januari 2013 diende het Koninkrijk Denemarken een plan voor de herstructurering van FIH in. De definitieve versie van het plan werd op 24 juni 2013 ingediend.
17
Tijdens de administratieve procedure betoogde het Koninkrijk Denemarken met name dat de aan de orde zijnde maatregelen geen staatssteun waren, aangezien de transacties tussen FSC en de FIH-groep conform de marktvoorwaarden plaatsvonden en deze groep alle transactie- en liquidatiekosten met betrekking tot NewCo zou betalen. Het Koninkrijk Denemarken voerde ook aan dat met het herstructureringsplan het risico dat het vanwege de maatregelen uit 2009 liep, fors was verminderd.
18
Op 3 oktober 2013 stelde het Koninkrijk Denemarken een pakket verbintenissen voor, waarvan de definitieve versie dateert van 3 februari 2014, teneinde de twijfels die de Commissie tijdens de onderzoeksprocedure had geuit, weg te nemen.
19
Op 12 maart 2014 bracht de Commissie het litigieuze besluit ter kennis van het Koninkrijk Denemarken. In dit besluit merkte de Commissie de aan de orde zijnde maatregelen aan als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en verklaarde zij deze maatregelen krachtens artikel 107, lid 3, onder b), VWEU verenigbaar met de interne markt, gelet op het herstructureringsplan en de door het Koninkrijk Denemarken gedane toezeggingen.
20
In het eerste deel van haar beoordeling, dat ziet op de vraag of sprake is van staatssteun, is de Commissie nagegaan of de aan de orde zijnde maatregelen de FIH-groep een economisch voordeel verschaften. Hiertoe heeft de Commissie deze maatregelen getoetst aan het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in een markteconomie (hierna: ‘beginsel van de particuliere marktdeelnemer’). Volgens het litigieuze besluit komt dit in casu erop neer dat in wezen wordt nagegaan of een particuliere investeerder in een markteconomie op het tijdstip waarop het besluit werd genomen om overheidsmiddelen ter beschikking te stellen, op dezelfde voorwaarden als een publieke investeerder deel had genomen aan een bepaalde transactie (hierna: ‘criterium van de particuliere investeerder’).
21
Aan het eind van haar in de punten 84 tot en met 98 van het litigieuze besluit verrichte beoordeling is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de aan de orde zijnde maatregelen, met name vanwege de ontoereikende vergoeding in ruil voor de financiële middelen die de Deense Staat beschikbaar had gesteld, niet in overeenstemming waren met het beginsel van de particuliere marktdeelnemer en dus een voordeel hadden verschaft aan de FIH-groep. Volgens de berekeningen van de Commissie beliep het steunbedrag ongeveer 2,25 miljard DKK (circa 300 miljoen EUR).
22
Uit de genoemde punten volgt dat de Commissie weliswaar heeft verwezen naar de maatregelen uit 2009, met name in de punten 88 en 98 van dat besluit, maar de economische rationaliteit van de aan de orde zijnde maatregelen heeft beoordeeld zonder rekening te houden met de eventuele kosten die de Deense Staat bij het uitblijven van die maatregelen zou hebben gehad vanwege de risico's die voor deze lidstaat voortvloeiden uit de maatregelen uit 2009.
23
Wat de verenigbaarheid van de steun met de interne markt betreft, heeft de Commissie de aan de orde zijnde maatregelen getoetst aan haar mededeling betreffende de behandeling van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in de communautaire banksector (PB 2009, C 72, blz. 1) en haar mededeling betreffende de toepassing vanaf 1 januari 2012 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB 2011, C 356, blz. 7).
24
Gelet op het ingediende herstructureringsplan en de door het Koninkrijk Denemarken gedane toezeggingen, die aan de orde komen in de punten 56 tot en met 62 van het litigieuze besluit en worden vermeld in de bijlage bij dat besluit, heeft de Commissie geconcludeerd dat de betrokken steun verenigbaar was. Bij die toezeggingen was met name sprake van aanvullende betalingen van FIH aan FSC en terugtrekking van FIH uit bepaalde bedrijfssegmenten, waaronder vastgoedfinanciering, private equity en vermogensbeheer voor particulieren.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
25
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 mei 2014 heeft de FIH-groep een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
26
Ter ondersteuning van haar beroep heeft de FIH-groep drie middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 107, lid 1, VWEU doordat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer niet correct was toegepast. Het tweede middel zag op fouten bij de berekening van het bedrag van de staatssteun. Het derde middel was gebaseerd op niet-nakoming van de motiveringsplicht door de Commissie.
27
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel van het beroep gegrond verklaard en op basis daarvan geoordeeld dat het tweede middel niet hoefde te worden onderzocht. Het heeft tevens het derde middel van het beroep ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft dan ook het litigieuze besluit in zijn geheel nietig verklaard en de Commissie verwezen in de kosten.
Conclusies van partijen
28
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen, en
- —
primair, het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren en de FIH-groep te verwijzen in de kosten van beide procedures, of
- —
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak omtrent het tweede middel van het beroep alsmede de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
29
De FIH-groep verzoekt het Hof:
- —
primair, de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten van beide procedures, of
- —
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak omtrent het tweede middel van het beroep alsmede de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Hogere voorziening
30
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert de Commissie één middel aan, namelijk dat het Gerecht bij de beoordeling van het eerste middel van het beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat de uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU betreft.
Argumenten van partijen
31
Met haar enige middel betoogt de Commissie dat het Gerecht bij de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij ter beoordeling van de vraag of de aan de orde zijnde maatregelen staatssteun vormden in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, de door de Deense Staat bij het nemen van die maatregelen gehanteerde handelwijze niet met het gedrag van een particuliere investeerder, maar met dat van een particuliere schuldeiser in een markteconomie (hierna: ‘criterium van de particuliere schuldeiser’) had moeten vergelijken en rekening had moeten houden met de financiële risico's die deze lidstaat liep vanwege de maatregelen uit 2009.
32
De Commissie voert aan dat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer is gebaseerd op de neutraliteit van het Unierecht ten aanzien van de regeling van het eigendomsrecht. Hieruit volgt dat door publieke lichamen verrichte transacties overeenkomstig de rechtspraak geen voordeel verschaffen aan de tegenpartij bij de transactie en om die reden geen staatssteun opleveren wanneer zij onder normale marktvoorwaarden worden uitgevoerd. Heeft het publieke lichaam zich echter niet gedragen zoals een particuliere marktdeelnemer in een soortgelijke situatie zou hebben gedaan, dan wordt de begunstigde onderneming geacht een economisch voordeel te hebben genoten, aldus de Commissie.
33
De Commissie voegt hieraan toe dat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer geldt los van alle overwegingen die uitsluitend zien op de rol van de staat als overheid. Bij de toepassing van dit beginsel kan volgens de Commissie dan ook geen rekening worden gehouden met verplichtingen die voortvloeien uit de rol die de staat heeft als overheid.
34
Gesteld wordt dat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer dus niet slechts een ‘criterium van economische rationaliteit’ is, zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft aangegeven, maar ertoe strekt te bepalen of een bepaalde transactie vanuit het perspectief van een particuliere marktdeelnemer economisch rationeel is.
35
In de onderhavige zaak betoogt de Commissie dat uit de kosten die de Deense Staat in 2012 zou hebben gehad als gevolg van de maatregelen uit 2009, alleen de verplichtingen bleken die op deze lidstaat rustten als overheid, aangezien deze kosten rechtstreeks voortvloeiden uit de staatssteun die besloten lag in die maatregelen ten behoeve van FIH. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 62 tot en met 69 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie bij de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in het litigieuze besluit ten onrechte geen rekening had gehouden met de kosten die de Deense Staat zou hebben gehad als deze lidstaat de aan de orde zijnde maatregelen niet had genomen, en die samenhingen met de risico's die de Deense Staat liep vanwege de maatregelen uit 2009.
36
De FIH-groep stelt in de eerste plaats dat de Commissie te ver gaat in haar beoordeling door te betogen dat bij de toetsing of een lidstaat als een particuliere marktdeelnemer heeft gehandeld, nooit rekening kan worden gehouden met de economische risicopositie van de lidstaat als gevolg van de eerdere verlening van staatssteun.
37
Aangevoerd wordt dat de vraag die bij de aan de orde zijnde maatregelen centraal staat, met name is of de Deense Staat met deze maatregelen doelstellingen van algemeen belang nastreefde, en dus handelde als overheid, dan wel een economisch doel voor ogen had dat een in een vergelijkbare situatie verkerende rationele particuliere schuldeiser had kunnen nastreven.
38
Volgens de FIH-groep staat vast dat de Deense Staat zijn economische belangen heeft willen beschermen en dat een in dezelfde situatie verkerende particuliere schuldeiser die niet zou hebben geprobeerd een wanordelijk faillissement te voorkomen, het risico zou hebben gelopen aanzienlijke verliezen te lijden. De aan de orde zijnde maatregelen hebben er immers toe geleid dat de risico's die de Deense Staat eerder liep fors zijn afgenomen, zodat niets rechtvaardigt dat de staatssteunbepalingen in de weg staan aan een rationele herschikking van de risico's voor de lidstaat en daarmee aan goed beheer van publieke middelen, aldus de FIH-groep.
39
Zoals het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, zou een dergelijke uitkomst gelet op het doel van de regels inzake controle op staatssteun onlogisch zijn en leiden tot discriminatie van publieke schuldeisers, hetgeen in strijd zou zijn met het neutraliteitsbeginsel van artikel 345 VWEU.
40
In de tweede plaats betoogt de FIH-groep dat uit het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), volgt dat de wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling van een steunmaatregel moet worden beoordeeld in het licht van de wijze waarop een particuliere schuldeiser zich, rekening houdend met het risico dat geen of slechts gedeeltelijke terugbetaling plaatsvindt, zou hebben gedragen. Volgens de FIH-groep moet de Commissie nagaan of bij een dergelijke wijziging al dan niet sprake is van een additioneel voordeel voor de ontvanger van de steun die eerder was verleend. De Commissie kan zich dus niet op de enkele grond dat de eerdere maatregel van de lidstaat staatssteun opleverde, onttrekken aan haar verplichting om te onderzoeken of de aan de orde zijnde maatregelen economisch rationeel zijn en hierbij rekening te houden met de omstandigheid dat de risico's die de Deense Staat eerder liep zijn afgenomen, aldus de FIH-groep.
41
In de derde plaats stelt de FIH-groep zich op het standpunt dat het arrest van 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie (C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682), niet relevant is daar het Hof er in punt 62 van dat arrest op heeft gewezen dat de feitelijke en juridische omstandigheden van de zaak waarin dat arrest is gewezen, wezenlijk verschillen van die welke hebben geleid tot het arrest van het Gerecht van 2 maart 2012, Nederland/Commissie (T-29/10 en T-33/10, EU:T:2012:98), welk arrest is bevestigd bij het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213).
42
Volgens de FIH-groep geldt dit ook voor de arresten van 14 september 1994, Spanje/Commissie (C-278/92-C-280/92, EU:C:1994:325), en 28 januari 2003, Duitsland/Commissie (C-334/99, EU:C:2003:55), aangezien de omstandigheden in die zaken zowel feitelijk als rechtens heel anders lagen dan in de onderhavige zaak.
Beoordeling door het Hof
43
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een maatregel slechts als ‘staatssteun’ in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een selectief voordeel verschaffen. In de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie met name arresten van 21 december 2016, Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, EU:C:2016:981, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 mei 2017, Fondul Proprietatea, C-150/16, EU:C:2017:388, punt 13).
44
Aangezien het enige middel van de hogere voorziening uitsluitend betrekking heeft op de derde voorwaarde, moet worden opgemerkt dat het tevens vaste rechtspraak van het Hof is dat maatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen, of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen verkrijgen, als staatssteun worden beschouwd (arresten van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post, C-399/08 P, EU:C:2010:481, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2017, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania, C-74/16, EU:C:2017:496, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Gelet op het in artikel 107, lid 1, VWEU neergelegde doel om onvervalste mededinging te creëren (zie in die zin arrest van 11 september 2008, Duitsland e.a./Kronofrance, C-75/05 P en C-80/05 P, EU:C:2008:482, punt 66), ook tussen publieke en private ondernemingen, kan het begrip ‘steunmaatregel’ in de zin van deze bepaling dan ook geen betrekking hebben op een ten behoeve van een onderneming genomen maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd, wanneer de onderneming onder met normale marktvoorwaarden overeenkomende omstandigheden hetzelfde voordeel had kunnen genieten. De beoordeling van de voorwaarden waaronder een dergelijk voordeel is verstrekt, gebeurt dus in beginsel aan de hand van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer (zie in die zin arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punt 78, en 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C-300/16 P, EU:C:2017:706, punten 21 en 22).
46
Voorts is het beginsel van de particuliere marktdeelnemer een van de aspecten waarmee de Commissie rekening moet houden om vast te stellen of er sprake is van steun en vormt het dus geen uitzondering die enkel geldt op verzoek van een lidstaat, wanneer is vastgesteld dat de bestanddelen van het begrip ‘staatssteun’ als bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU aanwezig zijn (arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punt 103; 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep, C-224/12 P, EU:C:2014:213, punt 32, en 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C-300/16 P, EU:C:2017:706, punt 23).
47
Wanneer blijkt dat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer toepasselijk kan zijn, moet de Commissie de betrokken lidstaat dus vragen haar alle relevante informatie te verstrekken op basis waarvan zij kan uitmaken of is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van dat beginsel (zie in die zin arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punt 104; 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep, C-224/12 P, EU:C:2014:213, punt 33, en 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C-300/16 P, EU:C:2017:706, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48
Dienaangaande heeft het Hof aangegeven dat wanneer een lidstaat een onderneming een economisch voordeel toekent in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, en niet als overheid, de toepasselijkheid van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer niet afhangt van de vorm waarin dit voordeel ter beschikking is gesteld aan de onderneming of van de aard van de gebruikte middelen, waarbij sprake kan zijn van uitoefening van overheidsbevoegdheden (zie in die zin arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punten 81 en 91–93).
49
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de toepasselijkheid van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer op een wijziging van de voorwaarden voor de terugkoop van effecten van een onderneming niet wordt ondergraven door het feit dat de verwerving van effecten waardoor de staat belegger in de onderneming is geworden, is gefinancierd door het verstrekken van staatssteun aan die onderneming (zie in die zin arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep, C-224/12 P, EU:C:2014:213, punt 34).
50
In casu heeft de Commissie in het litigieuze besluit het beginsel van de particuliere marktdeelnemer toegepast bij de beoordeling van de aan de orde zijnde maatregelen. Verder stelt geen van de partijen ter discussie dat dit beginsel moet worden toegepast ter beoordeling of met die maatregelen de FIH-groep voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU.
51
De onderhavige hogere voorziening betreft evenwel de vraag of de Commissie gebruik had moeten maken van het criterium van de particuliere schuldeiser, en niet dat van de particuliere investeerder, en daarbij al dan niet rekening had moeten houden met de risico's die de Deense Staat liep vanwege de maatregelen uit 2009.
52
Vastgesteld moet worden dat wanneer het beginsel van de particuliere marktdeelnemer van toepassing is, het specifieke criterium dat in een bepaald geval moet worden gebruikt, met name dient te worden vastgesteld aan de hand van de aard van de door de betrokken lidstaat voorgenomen transactie. Tot de criteria die mogelijk worden toegepast, behoren het criterium van de particuliere investeerder en het criterium van de particuliere schuldeiser.
53
Vast staat dat het bij de aan de orde zijnde maatregelen onder meer ging om door FSC gedane beleggingen in NewCo en dat het Koninkrijk Denemarken in de administratieve procedure heeft gesteld dat die beleggingen marktconform waren. Het Koninkrijk Denemarken heeft ook betoogd dat de aan de orde zijnde maatregelen leidden tot vermindering van het risico dat het vanwege de maatregelen uit 2009 liep, en dus neerkwamen op beheer van de vorderingen die het op FIH had.
54
Geoordeeld moet dan ook worden dat zowel het criterium van de particuliere investeerder, dat door de Commissie is gehanteerd, als het criterium van de particuliere schuldeiser, dat wordt voorgestaan door de FIH-groep en door het Gerecht in het bestreden arrest relevant is geacht voor de beoordeling van de aan de orde zijnde maatregelen, in aanmerking kwam.
55
Voorts is het vaste rechtspraak dat ter beoordeling van de vraag of dezelfde maatregel onder normale marktomstandigheden zou zijn genomen door een particuliere marktdeelnemer die zich in een situatie bevindt die zo dicht mogelijk die van de staat benadert, alleen rekening dient te worden gehouden met de voordelen en verplichtingen die de staat heeft in zijn hoedanigheid van particuliere marktdeelnemer, en niet met die welke voortvloeien uit zijn hoedanigheid van overheid (zie in die zin arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682, punt 52).
56
Bij de beoordeling of een overheidsmaatregel economisch rationeel is, zoals het beginsel van de particuliere marktdeelnemer voorschrijft, heeft het Hof dan ook de kosten die voor de staat voortvloeien uit het ontslag van werknemers, werkloosheidsuitkeringen en steun voor de herstructurering van de textielindustrie (zie in die zin arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-278/92-C-280/92, EU:C:1994:325, punt 22), alsmede overheidsgaranties en vorderingen van de staat, voor zover zij staatssteun opleveren (zie in die zin arresten van 28 januari 2003, Duitsland/Commissie, C-334/99, EU:C:2003:55, punten 138 en 140, en 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682, punten 55, 56 en 61), buiten beschouwing gelaten.
57
Wat met name het laatste geval betreft, heeft het Hof erop gewezen dat aangezien een lidstaat met de toekenning van steun per definitie andere doelstellingen nastreeft dan de rentabiliteit van de aan ondernemingen ter beschikking gestelde middelen, moet worden vastgesteld dat deze middelen door de staat in beginsel worden toegekend onder uitoefening van zijn overheidsprerogatieven (zie in die zin arrest van 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682, punt 56).
58
Hieruit volgt dat de risico's die de staat loopt en die voortvloeien uit staatssteun die eerder is verleend, met zijn overheidsrol samenhangen en dus geen aspect zijn dat een particuliere marktdeelnemer onder normale marktomstandigheden zou hebben meegenomen in zijn economische berekeningen (zie in die zin arrest van 28 januari 2003, Duitsland/Commissie, C-334/99, EU:C:2003:55, punten 138 en 140).
59
Deze overweging geldt met name voor de verplichtingen die voor de staat voortvloeien uit leningen en garanties die eerder aan een onderneming zijn verstrekt en staatssteun opleveren. Worden die verplichtingen in aanmerking genomen bij de beoordeling van overheidsmaatregelen ten behoeve van die onderneming, dan kan dit er immers aan in de weg staan dat die maatregelen, ook al is er evenmin sprake van normale marktomstandigheden, als staatssteun worden aangemerkt, en wel op de enkele grond dat zij vanuit economisch oogpunt voordeliger uitpakken voor de staat dan wanneer zij niet zouden zijn genomen. Dit zou het in punt 45 van het onderhavige arrest genoemde doel om onvervalste mededinging te creëren ondermijnen.
60
In casu zijn de twee in 2009 aangenomen wetten op grond waarvan de Deense Staat de maatregelen uit 2009 heeft genomen, zoals het Gerecht in de punten 2 en 3 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, door de Commissie bij beschikking C(2009) 776 definitief goedgekeurd als met de interne markt verenigbare steunregelingen. Uit de punten 47, 53 en 55 van die beschikking blijkt dat de Commissie, net als de Deense regering zelf, van oordeel was dat de in die twee wetten voorgenomen maatregelen staatssteun opleverden, aangezien een particuliere investeerder niet zou hebben besloten in vergelijkbare mate en onder soortgelijke voorwaarden over te gaan tot de desbetreffende kapitaalverhogingen en garantstellingen.
61
Verder blijkt nergens uit het bestreden arrest of het litigieuze besluit dat de Deense Staat met de maatregelen uit 2009 in elk geval ten dele een rentabiliteitsdoelstelling beoogde. Bovendien blijkt niet dat in de administratieve of de gerechtelijke procedure van de onderhavige zaak een dergelijke doelstelling is aangevoerd, ter onderbouwing waarvan objectieve en controleerbare gegevens zijn verstrekt. Geoordeeld moet dan ook worden dat nergens uit de stukken blijkt dat de maatregelen uit 2009 geen staatssteun waren, al was het maar gedeeltelijk.
62
Hieruit volgt dat de Commissie bij de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in casu terecht geen rekening heeft gehouden met de risico's die samenhingen met de staatssteun die middels de maatregelen uit 2009 aan FIH was verleend. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 69 en 71 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat de Commissie door haar handelwijze het beginsel van de particuliere marktdeelnemer onjuist had toegepast in het litigieuze besluit.
63
Het Gerecht heeft immers aldus ten onrechte van de Commissie verlangd dat zij de economische rationaliteit van de aan de orde zijnde maatregelen zou toetsen vanuit het perspectief van de staat als overheid die voorheen, met de maatregelen uit 2009, aan FIH staatssteun had verleend waarvan hij de financiële gevolgen in de hand wilde houden, en niet vanuit het perspectief van een particuliere marktdeelnemer in een vergelijkbare situatie.
64
Aan deze vaststellingen wordt niet afgedaan door het betoog van de FIH-groep met betrekking tot in de eerste plaats de punten 34 tot en met 37 van het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), in de tweede plaats de arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF (C-124/10 P, EU:C:2012:318), en 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie (C-73/11 P, EU:C:2013:32), en in de derde plaats goed beheer van publieke middelen.
65
Wat immers in de eerste plaats het betoog betreft dat is gebaseerd op de volgens de FIH-groep bestaande overeenkomsten tussen de feitelijke en juridische omstandigheden van de onderhavige zaak en die welke hebben geleid tot het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), moet worden opgemerkt dat het in hogere voorziening aangevoerde middel waarop de door de FIH-groep genoemde punten van dat arrest betrekking hebben, zag op de vraag of het beginsel van de particuliere marktdeelnemer, dat de Commissie buiten beschouwing had gelaten, toepasselijk was en niet, zoals in de onderhavige zaak, op de toepassing van dit beginsel op de betrokken maatregelen. Het Hof heeft in de punten 34 en 37 van dat arrest in wezen geoordeeld dat de toepasselijkheid van dat criterium op een overheidsmaatregel in beginsel niet bij voorbaat kan worden uitgesloten, uitsluitend omdat er mogelijk verbanden bestaan tussen het litigieuze handelen van de staat en de uitoefening van overheidsbevoegdheden in de vorm van eerdere steunverlening.
66
Uit de punten 35 en 36 van het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), komt inderdaad naar voren dat de Commissie in die zaak op basis van het gedrag van een hypothetische particuliere investeerder had moeten nagaan of de door de Nederlandse Staat voorgenomen wijzigingen van de voorwaarden voor de terugbetaling van de eerder met staatssteun verrichte kapitaalinbreng economisch rationeel waren.
67
Zoals de advocaat-generaal in de punten 63 en 65 tot en met 68 van zijn conclusie heeft aangegeven, is er echter geen reden om aan te nemen dat het Hof daarmee van de Commissie verlangde dat zij bij de beoordeling verder ging dan de toetsing van de inherente economische rationaliteit van de voorgenomen maatregelen en dus rekening hield met de risico's die voor de Nederlandse Staat voortvloeiden uit de staatssteun die eerder aan de begunstigde onderneming was verleend.
68
Het klopt tevens dat het Hof in punt 36 van het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), heeft overwogen dat een particuliere investeerder zou kunnen instemmen met een wijziging van de voorwaarden voor de terugbetaling van de eerdere kapitaalinbreng, met name als de vooruitzichten om de inbreng terug te krijgen daardoor stijgen. Dit betekent evenwel niet dat bij de beoordeling van de inherente economische rationaliteit van een maatregel, welke beoordeling wordt uitgevoerd om na te gaan of een particuliere investeerder op dezelfde manier gehandeld zou hebben als de betrokken staat, rekening kan worden gehouden met de risico's die voor die lidstaat voortvloeien uit eerdere steunverlening.
69
Dienaangaande moet erop worden gewezen dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), de ontvanger van de eerder verleende steun, anders dan in de onderhavige zaak, ten tijde van de voorgenomen wijzigingen niet in financiële moeilijkheden verkeerde waardoor de bedrijfscontinuïteit in gevaar kwam, en dat bij die wijzigingen geen sprake was van een reddingsoperatie middels aanzienlijke publieke investeringen.
70
De wijzigingen waren immers met name bedoeld om de begunstigde onderneming ertoe te bewegen om het ingebrachte kapitaal vervroegd af te lossen en de kansen van de Nederlandse Staat op het ontvangen van een bevredigende vergoeding te verhogen. Met de oorspronkelijke voorwaarden was het ontvangen van een dergelijke vergoeding namelijk niet in alle omstandigheden gewaarborgd.
71
In de tweede plaats voert de FIH-groep onder verwijzing naar de arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF (C-124/10 P, EU:C:2012:318), en 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie (C-73/11 P, EU:C:2013:32), aan dat de fiscale aard van een vordering die de staat op een onderneming heeft, ook al houdt zij verband met de uitoefening van overheidsprerogatieven, er in wezen niet aan in de weg staat dat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer wordt toegepast bij de toetsing aan artikel 107, lid 1, VWEU van een maatregel waarbij de staat die onderneming toestaat haar schuld te herstructureren.
72
In dit verband moet worden opgemerkt dat de in het voorgaande punt aangehaalde rechtspraak relevant is voor de toepasselijkheid van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer, maar niet voor de toepassing van dat beginsel in een specifiek geval (zie in die zin arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, EU:C:2012:318, punt 100, en 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682, punt 51).
73
Hieruit volgt dat die rechtspraak niets afdoet aan de in de punten 57 tot en met 59 van het onderhavige arrest gedane constatering dat de risico's die een lidstaat loopt vanwege een vordering die voortvloeit uit het verlenen van staatssteun aan een onderneming, bij de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer op een latere door die lidstaat ten behoeve van die onderneming genomen maatregel niet in aanmerking kunnen worden genomen, aangezien zij onlosmakelijk samenhangen met zijn overheidsrol.
74
In de derde en laatste plaats kan wat het goed beheer van publieke middelen betreft, het betoog van de FIH-groep niet slagen dat er in wezen op neerkomt dat de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer in het litigieuze besluit tot gevolg heeft dat de economische risicopositie van een lidstaat vanwege eerdere steunverlening en de wil van de lidstaat om zijn economische belangen te beschermen niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de toetsing aan artikel 107 VWEU.
75
Dergelijke overwegingen worden immers weliswaar niet in aanmerking genomen bij de toetsing of er op grond van artikel 107, lid 1, VWEU sprake is van staatssteun, maar kunnen, zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Hof heeft opgemerkt en de advocaat-generaal in de punten 81 en 83 van zijn conclusie heeft aangegeven, door de Commissie in aanmerking worden genomen bij de op grond van artikel 107, lid 3, VWEU uitgevoerde beoordeling of een latere steunmaatregel verenigbaar is met de interne markt, en kunnen er dus toe leiden dat de Commissie tot de conclusie komt, zoals in casu, dat de maatregel verenigbaar is.
76
Gelet op een en ander moet het enige middel van de hogere voorziening gegrond worden verklaard en het bestreden arrest derhalve worden vernietigd.
Geding in eerste aanleg
77
Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
78
In het onderhavige geval beschikt het Hof over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen op het eerste middel van het beroep in eerste aanleg, dat is gebaseerd op schending van artikel 107, lid 1, VWEU vanwege onjuiste toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer.
79
Zoals naar voren komt uit de punten 51 tot en met 63 van het onderhavige arrest, kan het betoog van de FIH-groep dat de Commissie in casu het criterium van de particuliere schuldeiser, en niet dat van de particuliere investeerder, had moeten toepassen, immers niet slagen.
80
Het eerste middel van het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
81
Anders dan de Commissie primair stelt, is de zaak echter niet in staat van wijzen wat het tweede middel van het beroep in eerste aanleg betreft.
82
Zoals uit punt 85 van het bestreden arrest blijkt, was het Gerecht immers van oordeel dat aangezien het eerste middel van het beroep gegrond was, het tweede middel, betreffende fouten in de berekening van het steunbedrag, niet hoefde te worden onderzocht.
83
De zaak moet dus worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak omtrent het tweede bij het Gerecht aangevoerde middel, welk middel door het Gerecht niet is behandeld.
Kosten
84
Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 september 2016, FIH Holding en FIH Erhvervsbank/Commissie (T-386/14, EU:T:2016:474), wordt vernietigd.
- 2)
Het eerste middel van het beroep bij het Gerecht van de Europese Unie is ongegrond.
- 3)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak omtrent het tweede middel.
- 4)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑03‑2018
Conclusie 28‑11‑2017
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-579/16 P1.
Europese Commissie
tegen
FIH Holding A/S,
FIH Erhvervsbank A/S
Inleiding
1.
In hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-386/142. houdende nietigverklaring van besluit 2014/884/EU van de Commissie betreffende door het Koninkrijk Denemarken aan FIH verleende steun3..
2.
Het Gerecht heeft in wezen geoordeeld dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onjuist onderzoekskader te kiezen voor de vaststelling of er sprake is van staatssteun en, in het bijzonder, door te hebben nagelaten het criterium van de schuldeiser in een markteconomie, een variant van het criterium van de ‘marktdeelnemer in een markteconomie’ (MME), toe te passen.4.
3.
In de onderhavige hogere voorziening gaat het vooral om de volgende vraag: dient de Commissie het criterium van de schuldeiser in een markteconomie toe te passen om rekening te houden met het financiële risico dat de lidstaat als schuldeiser loopt, wanneer dat risico voortvloeit uit de staatssteun die eerder aan de betrokken onderneming is verleend?
4.
Omdat deze vraag betrekking heeft op de toepassing van het MME-criterium op een aantal achtereenvolgende steunmaatregelen, is het antwoord daarop van bijzonder belang voor de beoordeling van overheidssteun die wordt verleend om een geleidelijk opkomende financiële crisis tegen te gaan. Het Hof heeft al een aantal soortgelijke problemen behandeld5., maar de onderhavige zaak toont aan dat het nodig is de bestaande rechtspraak te consolideren en te verduidelijken.
5.
De door het Hof in de onderhavige zaak gegeven uitlegging van het begrip staatssteun kan ook van belang zijn voor de toepassing van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (2014/59/EU), die verband houdt met de werking van de bankenunie.6.
Voorgeschiedenis van het geding
6.
De voorgeschiedenis van het geding, zoals die is uiteengezet in het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.
7.
FIH Erhvervsbank A/S (hierna: ‘FIH’) is een Deense bank die volledig toebehoort aan FIH Holding A/S (hierna: ‘FIH Holding’).
8.
In 2009 genoot FIH, net als andere banken, het voordeel van bepaalde maatregelen die het Koninkrijk Denemarken had genomen om zijn banksector te stabiliseren (hierna: ‘maatregelen van 2009’).
9.
In juni en juli 2009 kreeg FIH een hybride tier 1-kapitaalinjectie ten bedrage van 1,9 miljard Deense kroon (DKK) (ongeveer 225 miljoen EUR) en een staatsgarantie voor een bedrag van in totaal 50 miljard DKK (ongeveer 6,31 miljard EUR). Beide maatregelen waren genomen in het kader van door de Commissie goedgekeurde staatssteunregelingen.
10.
FIH benutte deze garantie volledig om door de Staat gegarandeerde obligaties voor een totaal bedrag van 41,7 miljard DKK (ongeveer 5,56 miljard EUR) uit te geven, die tussen 2012 en 2013 zouden vervallen. Tussen 2009 en 2011 verlaagde het ratingagentschap Moody's de rating van FIH van A2 naar B1 met een negatieve outlook.
11.
In 2012 overwoog de Deense regering de vaststelling van een tweede pakket maatregelen met betrekking tot FIH en meldde zij deze bij de Commissie aan (hierna: ‘maatregelen van 2012’).
12.
Kort samengevat bestonden deze maatregelen hierin dat werd overwogen de meest problematische activa van FIH over te dragen aan NewCo, een pas opgerichte dochteronderneming van FIH Holding, die geld zou ontvangen van de Deense Financial Stability Company (hierna: ‘FSC’). Vervolgens zou FSC de aandelen van NewCo overnemen en zou deze laatste worden geliquideerd, terwijl FIH Holding een onbeperkte verliesgarantie zou geven aan FSC.
13.
De Commissie kwam tot de slotsom dat de maatregelen van 2012 staatssteun ten gunste van NewCo en de FIH-groep vormden, doch keurde de maatregelen tijdelijk goed, terwijl zij ook een formele onderzoeksprocedure inleidde. In de loop van het onderzoek legde de Deense regering een herstructureringsplan voor en stelde zij een aantal verbintenissen voor om de twijfels van de Commissie weg te nemen.
14.
In het litigieuze besluit verklaarde de Commissie dat de maatregelen ten gunste van FIH en FIH Holding staatssteun vormden. De Commissie was met name van mening dat de maatregelen niet voldeden aan het MME-criterium, aangezien het Koninkrijk Denemarken niet als een marktdeelnemer in een markteconomie had gehandeld. De overeenkomst inzake de aankoop van de aandelen van NewCo zou verlies opleveren voor FSC en de voorgestelde vergoeding voor de investering was ontoereikend.
15.
Wat de verenigbaarheid van de staatssteun met de interne markt betreft, toetste de Commissie de maatregelen aan artikel 107, lid 3, onder b), VWEU en aan de mededeling aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa en aan de herstructeringsmededeling7., en verklaarde zij dat deze maatregelen verenigbaar waren met de interne markt mits het herstructureringsplan in acht wordt genomen en de in de bijlage bij het besluit uiteengezette toezeggingen worden nagekomen.
Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
16.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 mei 2014 hebben FIH en FIH Holding een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
17.
Ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring hebben verzoeksters in eerste aanleg drie middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 107, lid 1, VWEU doordat in het litigieuze besluit het MME-criterium niet correct was toegepast.8.
18.
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel aanvaard en heeft het het litigieuze besluit nietig verklaard.
19.
Na de toepasselijke rechtsbeginselen in herinnering te hebben gebracht (punten 50–60 van het bestreden arrest), heeft het Gerecht erop gewezen dat het in deze zaak in wezen ging om de vraag of de Commissie het juiste criterium had toegepast om vast te stellen of er sprake was van staatssteun. Verzoeksters stelden dat de Commissie het criterium van de schuldeiser in een markteconomie had moeten toepassen om rekening te houden met het risico dat financiële verliezen zouden worden geleden als gevolg van de bestaande schulden van FIH ten aanzien van de Deense regering. De Commissie stelde dat met deze bestaande schulden geen rekening kon worden gehouden omdat deze het gevolg waren van de maatregelen van 2009, die zelf staatssteun vormden (punt 61 van het bestreden arrest).
20.
Het Gerecht wees erop dat een marktdeelnemer in een situatie als die in de onderhavige zaak, waarin hij eerder aan de betrokken vennootschap kapitaal en een garantie heeft verstrekt, meer weg heeft van een particuliere schuldeiser die zijn verliezen beoogt te minimaliseren dan van een particuliere investeerder die maximale winst beoogt te halen. Het kan voor een marktdeelnemer die een deelneming heeft in het kapitaal van een vennootschap waaraan hij eveneens een garantie heeft verleend, rationeel zijn om maatregelen te nemen waarmee hij het risico dat hij zijn kapitaal zal verliezen en zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie zal moeten nakomen, aanzienlijk kan verminderen. Het kan ook economisch rationeel zijn voor het Koninkrijk Denemarken om maatregelen, zoals een overdracht van aan bijzondere waardevermindering onderhavige activa, te aanvaarden, voor zover de hieraan verbonden kosten en risico's beperkt zijn, en het hoogst waarschijnlijk is dat de verliezen die het zal moeten dragen indien deze maatregelen niet werden genomen, hoger zijn dan deze kosten (punten 64–66 van het bestreden arrest).
21.
Het Gerecht kwam verder tot de slotsom dat in het litigieuze besluit niet was onderzocht welke kosten de Deense regering had moeten dragen indien zij de maatregelen van 2012 niet had getroffen, en dat dienaangaande een onjuist juridisch criterium was toegepast, namelijk het beginsel van de investeerder in een markteconomie, in plaats van de maatregelen te toetsen aan het beginsel van de schuldeiser in een markteconomie. Het gedrag van het Koninkrijk Denemarken ten tijde van de vaststelling van de maatregelen van 2012 kon immers niet worden vergeleken met dat van een investeerder die zijn winst beoogt te maximaliseren, maar diende te worden vergeleken met dat van een schuldeiser die verliezen beoogt te minimaliseren (punten 68 en 69 van het bestreden arrest).
22.
Bijgevolg wees het Gerecht de argumenten van de Commissie van de hand (punten 72–81 van het bestreden arrest) en aanvaardde het het eerste middel.
Conclusies van partijen
23.
De Commissie verzoekt het Hof, het bestreden arrest te vernietigen, de zaken naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing over de kosten aan te houden.
24.
FIH en FIH Holding verzoeken het Hof, de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
Bespreking
25.
De Commissie baseert zich op één enkele grond tot hogere voorziening, namelijk dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie het criterium van de particuliere schuldeiser had moeten toepassen en rekening had moeten houden met de kosten die zouden zijn ontstaan indien de Deense regering de maatregelen van 2012 niet had getroffen.
26.
De Commissie stelt dat dit oordeel van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting berust omdat de betrokken kosten het rechtstreekse gevolg zijn van eerdere staatssteun, en zij volgens de rechtspraak van het Hof — in het bijzonder de arresten Gröditzer Stahlwerke en Land Burgenland — geen rekening kan houden met dergelijke kosten wanneer zij het MME-criterium toepast.
27.
FIH en FIH Holding stellen dat het Koninkrijk Denemarken door de maatregelen van 2012 vast te stellen als een voorzichtige en rationele particuliere schuldeiser heeft gehandeld en zijn economische belangen als schuldeiser doeltreffend heeft beschermd. Zij wijzen erop dat het Koninkrijk Denemarken vóór de vaststelling van de maatregelen van 2012 een aanzienlijk risico op een nettoverlies van 3,8 miljard DKK op de 42 miljard DKK door de Staat gegarandeerde obligaties liep, en dus in geval van insolventie van FIH een totaal nettorisico van verlies van ten minste 5,7 miljard DKK liep. De maatregelen van 2012 hebben het risico voor FSC aanzienlijk verminderd, zowel in termen van mate van het risico als in termen van het bedrag van het risico.
28.
Volgens FIH en FIH Holding zou het niet met het doel van het toezicht op staatssteun sporen indien de regels inzake staatssteun een rationele herschikking van het risico van een lidstaat in de weg zouden kunnen staan om de enkele reden dat het risico dat de lidstaat loopt, voortvloeit uit eerder door de Commissie goedgekeurde staatssteun. Die uitkomst zou ook in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel van artikel 345 VWEU, aangezien publieke schuldeisers niet dezelfde mogelijkheden zouden hebben om hun belangen te beschermen als particuliere schuldeisers. Ter ondersteuning van hun argument beroepen FIH en FIH Holding zich op het arrest ING van het Hof, waarnaar ook in het bestreden arrest worden verwezen.
Ratio legis van het MME-criterium
29.
De onderhavige hogere voorziening biedt het Hof de gelegenheid de ratio legis van het MME-criterium te onderzoeken.
30.
Volgens de rechtspraak van het Hof vereist de kwalificatie van een maatregel als staatssteun in de zin van de Verdragen, dat is voldaan aan elk van de vier cumulatieve voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU. In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd; in de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden; in de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen, en in de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.9.
31.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof ziet de derde voorwaarde op maatregelen die, in welke vorm ook, bepaalde ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen, of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen.10.
32.
Het begrip steun omvat verschillende vormen van ondersteuning, daaronder begrepen ondersteuning voortvloeiend uit transacties tussen de Staat en op de markt werkzame ondernemingen, indien de begunstigde onderneming in de loop van deze transacties een economisch voordeel ontvangt dat zij onder normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen.11.
33.
Om uit te maken of een bepaalde transactie een dergelijk economisch voordeel verleent, heeft de Commissie het MME-criterium opgesteld.12. Dit criterium bestaat in verschillende vormen, naargelang de Staat als investeerder, schuldeiser, verkoper, garantieverlener, koper of uitlener handelt. Indien in het kader van een vergelijkbare particuliere markttransactie gelijkaardige voorwaarden zouden zijn verkregen, verleent de maatregel geen selectief voordeel aan de onderneming en vormt hij dus geen staatssteun.
34.
Dit criterium is een uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling van overheidsondernemingen en particuliere ondernemingen of van het ruimere beginsel van neutraliteit met betrekking tot de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten (artikel 345 VWEU). Wanneer overheidsinstanties op de markt handelen in omstandigheden die overeenkomen met normale marktomstandigheden, kan hun handelen niet als staatssteun worden aangemerkt.13.
35.
Het MME-criterium dient te worden gehanteerd indien het handelen van de Staat van economische aard is, en niet wanneer de Staat als overheid handelt. Dit criterium, zo het van toepassing is, is een van de factoren die de Commissie in aanmerking moet nemen om uit te maken of er sprake is van dergelijke steun.14.
Grenzen van het MME-criterium in geval van eerder verleende staatssteun
Arresten Gröditzer Stahlwerke en Land Burgenland
36.
In twee zaken betreffende de privatisering van overheidsondernemingen heeft het Hof geoordeeld dat het MME-criterium niet kan worden toegepast met betrekking tot een transactie die verband houdt met staatssteun die eerder aan dezelfde onderneming is verleend.
37.
In de zaak Gröditzer Stahlwerke — betreffende de privatisering van een onderneming in moeilijkheden — betoogde de Duitse regering dat volgens het MME-criterium de negatieve verkoopprijs gerechtvaardigd was omdat de liquidatie van de onderneming duurder zou zijn uitgevallen dan de privatisering ervan tegen een negatieve prijs. De hoge potentiële kostprijs van de liquidatie was te wijten aan het feit dat de onderneming in het verleden staatsgaranties en staatsleningen had gekregen.
38.
Het Hof wees erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verplichtingen die de Staat als aandeelhouder heeft en die welke hij als overheid heeft.15. De verplichtingen die verband houden met door de Staat gegarandeerde leningen vloeien voort uit het verlenen van steun, waarbij de Staat dus als overheid is opgetreden, en mogen niet worden opgenomen in de berekening van de normale liquidatiekosten.16. De aandeelhoudersleningen vormden, gelet op de moeilijkheden van de onderneming en de aan de leningen verbonden voorwaarden, steun en mochten bijgevolg niet worden opgenomen in de berekening van de liquidatiekosten.17.
39.
Het Hof bevestigde deze aanpak in de zaak Land Burgenland. Deze zaak betrof de privatisering van een bank die het voordeel van de ‘Ausfallhaftung’ — een wettelijke garantie op grond waarvan de Staat verplicht was tot betaling in geval van insolventie — had genoten. Als gevolg daarvan zou de Staat, zelfs na de privatisering van de bank, als garantieverlener voor de bank hebben moeten optreden met betrekking tot verplichtingen die de bank vóór de datum van de privatisering was aangegaan. De Oostenrijkse autoriteiten voerden aan dat zij, gelet op het risico dat zelfs na de privatisering van de bank een beroep zou worden gedaan op de staatsgarantie voor de verliezen van de bank, gerechtigd waren zich ervan te vergewissen dat de koper voldoende bewijs van betrouwbaarheid en de solvabiliteit leverde. Volgens de Oostenrijkse autoriteiten rechtvaardigde deze overweging de aanvaarding van een aanzienlijk lagere privatiseringsprijs, indien de prijs gepaard ging met een geringer risico om de garantieverplichting krachtens de Ausfallhaftung te moeten nakomen.18.
40.
Het Hof herinnerde eraan dat voor de toepassing van het MME-criterium alleen rekening dient te worden gehouden met de verplichtingen die de Staat in zijn hoedanigheid van aandeelhouder is aangegaan, en niet met die welke hij als overheid is aangegaan.19. De vorm waarin het voordeel is verleend en de wijze waarop de Staat handelt, doen niet ter zake, mits de lidstaat in zijn hoedanigheid van aandeelhouder handelt.20.
41.
Het Hof heeft er verder op gewezen dat het Gerecht had onderzocht of de Ausfallhaftung in aanmerking moest worden genomen bij de toepassing van het criterium van de particuliere verkoper, en had geoordeeld dat een particuliere verkoper een dergelijke garantie niet zou hebben verleend. De Ausfallhaftungvormde staatssteun, want zij was door de Staat in zijn hoedanigheid van overheid verleend.21.
42.
Aangezien de Ausfallhaftungzelf niet onder normale marktvoorwaarden was verleend, konden de daaraan verbonden financiële risico's dus niet in aanmerking worden genomen om de lagere privatiseringsprijs te rechtvaardigen op grond van het MME-criterium.22.
43.
Op de arresten van het Hof in de zaken Gröditzer Stahlwerke en Land Burgenlandis wat kritiek geleverd in de rechtsleer. Opgemerkt werd dat een aanpak volgens welke geen rekening mag worden gehouden met de uit rechtmatige staatssteun voortvloeiende financiële lasten, de Staat beperkt in zijn mogelijkheden om de financiële risico's voor zijn begroting zo klein mogelijk te houden en bijkomende kosten voor de belastingbetaler te vermijden.23. In de onderhavige hogere voorziening hebben FIH en FIH Holding soortgelijke argumenten aangevoerd.
Arrest ING
44.
In de zaak ING werd een verwant probleem behandeld in de context van een overheidsmaatregel bestaande in de wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling van aan een bank in moeilijkheden verleende steun.
45.
De betrokken maatregel bestond in een kapitaalinjectie in ruil voor effecten die moesten worden terugbetaald. Volgens de aanvankelijke terugbetalingsvoorwaarden dienden de effecten op initiatief van ING Groep NV (hierna: ‘ING’) hetzij te worden teruggekocht tegen 15 EUR per effect (dus met een aflossingspremie op de uitgifteprijs van 10 EUR), hetzij na drie jaar te worden geconverteerd in gewone aandelen met betaling van de gecumuleerde rente.
46.
Vervolgens heeft het Koninkrijk der Nederlanden de Commissie verzocht om goedkeuring van een wijzing van de voorwaarden voor terugbetaling, die ING zou toestaan maximaal 50 % van de effecten terug te kopen tegen de uitgifteprijs (10 EUR), vermeerderd met de gecumuleerde interest en met een tot een bepaald bedrag beperkte strafpremie voor vervroegde terugbetaling. De Commissie kwam tot de slotsom dat de gewijzigde voorwaarden ING een bijkomend voordeel zouden opleveren en dus staatssteun vormden, en weigerde te beoordelen of de wijziging voldeed aan het MME-criterium.24.
47.
In het kader van een door ING ingesteld beroep tot nietigverklaring heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie het begrip steun onjuist had opgevat door niet te beoordelen of de Nederlandse Staat, door in te stemmen met de wijziging van de terugbetalingsvoorwaarden, als een particuliere investeerder had gehandeld, inzonderheid gelet op het feit dat de Nederlandse Staat vervroegd had kunnen worden terugbetaald en in geval van toepassing van de wijziging over een grotere zekerheid had beschikt dat hij een bevredigende vergoeding zou ontvangen.25. Om die reden verklaarde het Gerecht de beschikking van de Commissie nietig.
48.
Het Hof, dat het arrest van het Gerecht heeft bevestigd, kwam tot de slotsom dat de Commissie de economische rationaliteit van de wijziging van de terugbetalingsvoorwaarden ten onrechte niet aan het MME-criterium had getoetst. Het feit dat de eerdere kapitaalinjectie zelf staatssteun vormde, was niet ter zake dienend.26.
49.
Het Hof wees erop dat aan de toepassing van de rechtspraak betreffende het MME-criterium kon niet worden afgedaan door het loutere feit dat het in casu ging om de toepasselijkheid van het criterium op een wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling van effecten die in ruil voor staatssteun waren verworven. Een hypothetische particuliere investeerder had mogelijkerwijze ook ingestemd met nieuwe onderhandelingen over de terugbetaling van de effecten. De Commissie had ten onrechte niet onderzocht of een particuliere investeerder de wijziging als economisch rationeel had kunnen aanvaarden, met name om de kansen op terugbetaling te verhogen.27.
50.
Intussen heeft de Commissie de wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling aan het criterium van de particuliere investeerder getoetst en is zij tot de bevinding gekomen dat de maatregel niet aan dit criterium voldeed omdat de aanvankelijke voorwaarden voor terugbetaling financieel gunstiger waren voor de Nederlandse regering.28.
Afbakening van de rechtspraak
51.
Zowel in het arrest Land Burgenland als in het arrest INGgaat het om maatregelen vastgesteld ten gevolge van een eerdere transactie van de Staat met de begunstigde, maar deze arresten komen tot een verschillende uitkomst met betrekking tot de toepassing van het MME-criterium. In het arrest Land Burgerland kon het MME-criterium niet worden toegepast om de lagere privatiseringsprijs te beoordelen en daarbij rekening te houden met de financiële risico's die uit eerder verleende staatssteun voortvloeiden. In het arrest ING kon het MME-criterium de wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling van eerder verleende steun rechtvaardigen, met name gelet op de vervroegde datum van terugbetaling en op de verhoogde kans op een bevredigende terugbetaling van de kapitaalinjectie.
52.
Aangezien beide arresten nauw verwante situaties behandelen, is het van belang de werkingssfeer ervan af te bakenen.
53.
In de onderhavige hogere voorziening legt de Commissie de arresten Gröditzer Stahlwerke en Land Burgenland in die zin uit dat de kosten voortvloeiend uit een eerdere staatssteunmaatregel niet aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van het MME-criterium, omdat die kosten verband houden met verbintenissen die de lidstaat als overheid is aangegaan.
54.
Volgens mij is het uit deze rechtspraak voortvloeiende beginsel minder ruim. Dit beginsel sluit uit dat het uit de eerdere staatssteunmaatregel voortvloeiende financiële risico in aanmerking wordt genomen wanneer het vooruitzicht dat financiële risico te verminderen de economische rechtvaardiging van de latere overheidsmaatregel is.
55.
In het arrest Gröditzer Stahlwerke voerde de Duitse regering aan dat de negatieve verkoopprijs gerechtvaardigd was om het uit eerdere garanties en leningen voortvloeiende risico te minimaliseren. In het arrest Land Burgenland voerden de Oostenrijkse autoriteiten aan dat voor de lagere privatiseringsprijs rekening was gehouden met het verminderde risico dat een beroep zou worden gedaan op de staatsgarantie.
56.
In beide situaties zou het als economisch rationeel in aanmerking nemen van deze doelstellingen een drogreden hebben gevormd. Bij het verlenen van staatssteun handelde de lidstaat als overheid en niet als marktdeelnemer. Wanneer de Staat vervolgens maatregelen treft ter minimalisering van de financiële risico's die uit zijn buiten het kader van de mededinging gestelde handelingen voortvloeien, kunnen dergelijke maatregelen niet op goede gronden worden getoetst aan de voorwaarden die gelden op een markt waar mededinging heerst.
57.
Een andere uitlegging zou het effet utile van artikel 107 VWEU aantasten. Deze bepaling beoogt namelijk te voorkomen dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed door van overheidswege verleende voordelen die, in verschillende vormen, de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen.29. In een situatie waarin de Staat rechtmatig steun heeft verleend, kan het uit die steunmaatregel voortvloeiende risico van verlies niet rechtvaardigen dat latere overheidssteun uit mededingingsoogpunt als neutraal wordt aangemerkt. Anders zou de begunstigde van de steun gunstiger worden behandeld dan ondernemingen die geen staatssteun hebben ontvangen.
58.
Dit zou niet alleen neerkomen op een beperking van de werkingssfeer van het verbod van staatssteun, een fundamenteel beginsel van het EU-recht dat van groot belang is voor de werking van de interne markt, maar zou ook ingaan tegen de ratio legis van dit verbod, namelijk te zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle op de interne markt werkzame ondernemingen.30.
59.
Hieraan zij toegevoegd dat het uit het arrest Land Burgenland voortvloeiende beginsel anders moet worden toegepast in andere situaties waarin de lidstaat de hoedanigheid van schuldeiser van marktdeelnemers heeft. Het Hof heeft al geoordeeld dat het criterium van de schuldeiser in een markteconomie van toepassing is op fiscale schulden en socialezekerheidsschulden.31.
60.
Het feit dat een bepaalde schuld voortvloeit uit handelingen van de Staat als overheid die belastingen of socialezekerheidsbijdragen int, sluit op zichzelf niet uit dat de MME-test wordt toegepast op latere maatregelen om die schulden te innen. Wanneer een publieke schuldeiser een regeling treft met een schuldenaar, moeten zijn handelingen worden beoordeeld naar de maatstaf van de handelingen van een omzichtige particuliere schuldeiser in een markteconomie, aangezien de Staat dan een economisch voordelig resultaat beoogt te behalen door zijn kansen op inning van zijn schuldvordering, ongeacht deze of van publieke dan wel van particuliere aard is, te maximaliseren. Dit scenario impliceert niet dat rekening dient te worden gehouden met potentiële verliezen uit eerdere staatssteunmaatregelen.
61.
Daartegenover staat dat wanneer de Staat, zoals in de zaak Land Burgenland, overweegt bijkomende steun te verlenen om zijn financiële risico uit eerdere staatssteun te verminderen, de oorsprong van dit financiële risico wel relevant is. Handelingen van de Staat die erop gericht zijn het financiële risico terug te dringen kunnen niet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de normale mededingingsvoorwaarden, omdat de Staat dat financiële risico heeft aanvaard door handelingen buiten het kader van de mededinging te stellen.
62.
Kan deze uitlegging in overeenstemming worden gebracht met het arrest ING? Mijns inziens hangt het antwoord op deze vraag af van de wijze waarop dat arrest wordt gelezen.
63.
De in de zaak ING gerezen vraag was tot op zekere hoogte gelijk aan die in de zaak Land Burgenland: kan de Staat als rationele marktdeelnemer worden beschouwd wanneer hij de wijziging van de voorwaarden van een eerdere transactie, die staatssteun vormde, aanvaardt omdat hij weet dat zonder die wijziging de financiële kostprijs van de transactie hoger dreigt uit te vallen? Anders dan in de zaak Land Burgenland werd de wijziging van de voorwaarden in de zaak ING echter niet uitsluitend gerechtvaardigd door het risico van een groter financieel verlies uit eerder verleende staatssteun. Er was een andere, potentieel economische, rechtvaardiging voor de wijziging van de betrokken tijdelijke kapitaalinjectie: in sommige omstandigheden kan een investeerder geneigd zijn een lagere opbrengst uit het geïnvesteerde kapitaal te aanvaarden indien dat kapitaal eerder wordt terugbetaald. In de zaak ING was er dus op zijn minst een theoretische mogelijkheid dat de gewijzigde voorwaarden financieel gunstiger waren voor de Nederlandse regering.
64.
Indien het arrest ING daarentegen — zoals FIH en FIH Holding voorstellen — in die zin wordt uitgelegd dat een wijziging van het bestaande risico uit staatssteun op basis van het MME-criterium kan worden gerechtvaardigd voor zover die wijziging het risico van de Staat vermindert, zijn de arresten Land Burgerland en ING mijns inziens onverenigbaar.
65.
Kortom, indien een poging tot vermindering van het financiële risico uit een eerdere staatssteunmaatregel de enige rechtvaardiging voor het latere handelen van de Staat is, kan het MME-criterium niet worden toegepast. Dit criterium zou eventueel kunnen worden toegepast wanneer de maatregel niet uitsluitend is gericht op vermindering van verliezen, maar al met al een poging kan zijn om een economisch gerechtvaardigd resultaat te bereiken.
66.
Mijns inziens vindt deze uitlegging steun in de in het arrest Land Burgenland gevolgde redenering. De Oostenrijkse autoriteiten stelden dat het Land Burgenland via de Ausfallhaftungook een voordeel wou behalen of op zijn minst een poging daartoe ondernam, naast de andere doelstellingen die het Land daarmee nastreefde. Het Hof heeft niet zonder meer geoordeeld dat dit argument geen hout sneed, maar het heeft erop gewezen dat het aan de Oostenrijkse autoriteiten stond, aan te tonen dat zij met dit doel hadden gehandeld.32. Gelet op de omstandigheden van de zaak viel echter moeilijk in te zien, hoe de Ausfallhaftung als een op winst gerichte maatregel kon worden beschouwd.
67.
In de zaak ING daarentegen vormden de voorwaarden voor terugbetaling van het tijdelijk geïnvesteerde kapitaal een kernelement bij de beoordeling of er uit het oogpunt van de Staat als investeerder sprake was van staatssteun. De wijziging van die voorwaarden diende dan ook naar die maatstaf te worden beoordeeld. Dat was geoordeeld dat de aanvankelijke transactie niet onder marktvoorwaarden had plaatsgevonden, sloot op zichzelf niet uit dat de gewijzigde voorwaarden uit marktoogpunt konden worden onderzocht.
68.
In overeenstemming met deze uitlegging, eist het arrest ING toepassing van het MME-criterium, maar dit betekent niet dat bij de toepassing van dat criterium rekening mag worden gehouden met het risico van de Staat uit een eerdere staatssteunmaatregel.33. Het arrest ING is dus niet in tegenspraak met de redenering in het arrest Land Burgenland.
Toepassing op het onderhavige geval
69.
Uit mijn opmerkingen blijkt dat zowel het arrest Land Burgenland als het arrest ING betrekking heeft op achtereenvolgende steunmaatregelen, maar wel in twee verschillende scenario's.
70.
In de zaak Land Burgenland werd als enige rechtvaardiging voor de lagere privatiseringsprijs aangevoerd de minimalisering van het risico uit eerdere staatssteun, en om die reden was toepassing van het MME-criterium uitgesloten. In de zaak ING kon de wijziging van de voorwaarden voor terugbetaling weliswaar bijdragen tot vermindering van het risico van de Staat uit eerdere staatssteun, maar met die wijziging konden ook andere, economische, doelstellingen nagestreefd worden en daarom diende in de mate van dit laatste het MME-criterium te worden toegepast.
71.
De bijzonderheid van de onderhavige zaak is, dat zij betrekking heeft op een pakket maatregelen, dat bij elk van beide scenario's kan aansluiten.
72.
In de eerste plaats heeft het Koninkrijk Denemarken in de context van de maatregelen van 2012 in FIH geïnvesteerd, en omdat die investering mogelijkerwijze onder normale marktvoorwaarden was verricht, diende zij aan het MME-criterium te worden getoetst. Uit het besluit waarover het Gerecht uitspraak diende te doen, blijkt dat de Commissie die maatregelen inderdaad aan het criterium van de particuliere investeerder heeft getoetst, namelijk aan de opbrengst die een hypothetische particuliere investeerder van een dergelijke investering verwacht. Dit criterium werd — mijns inziens in overeenstemming met het arrest ING — toegepast ongeacht het feit dat de maatregelen van 2012 boven op eerdere reddingssteun kwamen.
73.
In de tweede plaats voeren FIH en FIH Holding aan dat de maatregelen van 2012, ongeacht die economische rechtvaardiging, ook zouden kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak het financiële risico uit eerder verleende staatsgaranties te verminderen. Mijns inziens kon deze tweede rechtvaardiging, wegens het in het arrest Land Burgenland geformuleerde beginsel, geen aanleiding geven tot toepassing van het MME-criterium, in dit geval het criterium van de particuliere schuldeiser.
74.
In de punten 61 tot en met 69 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel onderzocht, waarin het ging om de vraag of de Commissie het criterium van de particuliere schuldeiser had moeten hanteren om uit te maken of de maatregelen van 2012 rationeel konden worden gerechtvaardigd door het risico van financieel verlies ten gevolge van de maatregelen van 2009.
75.
Het Gerecht verklaarde dat een rationele marktdeelnemer rekening zou hebben gehouden met het risico dat hij liep ten gevolge van een kapitaalinjectie en van een garantie verleend aan een vennootschap die nadien in financiële problemen is geraakt, en zou hebben overwogen, maatregelen te nemen om te vermijden dat dit risico zich voltrekt (punt 63 van het bestreden arrest). Volgens het Gerecht kan het voor een marktdeelnemer die een deelneming heeft in het kapitaal van een vennootschap waaraan hij eveneens een garantie heeft verleend, rationeel zijn om maatregelen te nemen waaraan bepaalde kosten zijn verbonden wanneer hij daarmee het risico dat hij zijn kapitaal zal verliezen en zijn verplichtingen uit hoofde van de garantie zal moeten nakomen, aanzienlijk kan verminderen of zelfs kan uitsluiten (punt 65 van het bestreden arrest) en kan het daarom voor de Deense regering economisch rationeel zijn om de maatregelen van 2012, zoals een overdracht van aan bijzondere waardevermindering onderhavige activa, te aanvaarden, voor zover de hieraan verbonden kosten en risico's beperkt zijn en het hoogst waarschijnlijk zou zijn dat zij verliezen zou moeten dragen die groter zijn dan deze kosten indien deze maatregelen niet worden genomen (punt 66 van het bestreden arrest).
76.
De redenering in deze punten is in wezen economisch steekhoudend, behalve in één enkel opzicht. De economische drijfveer, zoals beschreven, bestond uitsluitend in het terugdringen van het risico dat voortvloeide uit een eerdere staatssteunmaatregel waarmee niet-economische doeleinden werden nagestreefd, die niet onder marktvoorwaarden was genomen en die dus — volgens het arrest Land Burgenland — geen aanleiding kon geven tot toepassing van het MME-criterium op de latere maatregel van de Staat. De betrokken staatsgarantie was niet verleend onder normale marktvoorwaarden en het daaraan verbonden risico kon niet als economische risico in aanmerking worden genomen ter rechtvaardiging van de latere overheidsmaatregel.34. Met andere woorden, anders dan het Gerecht in de punten 63 tot en met 66 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, kon het criterium van de particuliere schuldeiser niet worden toegepast, aangezien de enige rechtvaardiging die in het kader van dat criterium kon worden aangevoerd, de noodzaak tot vermindering van het financiële risico uit eerdere staatssteun was, en een dergelijke rechtvaardiging volgens het arrest Land Burgenland niet kan worden aanvaard.
77.
Bovendien ben ik niet overtuigd door de uitlegging die Gerecht in de punten 79 tot en met 82 van het bestreden arrest van het arrest Land Burgenland heeft gegeven.
78.
Het Gerecht wijst er terecht op dat in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, de Commissie bij de beoordeling of er sprake was van staatssteun, geen rekening kon houden met een eerder verleende staatsgarantie, aangezien de Staat bij het verlenen van die garantie niet-economische doelstellingen had nagestreefd en als overheid had gehandeld.35. Het Gerecht oordeelt verder echter — mijns inziens ten onrechte — dat het arrest Land Burgenland slechts betrekking had op de specifieke toepassing van het criterium van de particuliere verkoper, alsook op de factoren die in het kader van de toepassing van dit criterium in aanmerking dienden te worden genomen (punten 79 en 80 van het bestreden arrest).
79.
Deze inconsistentie komt tot uiting in de slotsom van het Gerecht. Het Gerecht komt tot de slotsom dat de Commissie, indien nodig, bij de toepassing van het juiste juridische criterium (het criterium van de particuliere schuldeiser) op de maatregelen van 2012 de relevante gevolgen dient te trekken uit het arrest Land Burgenland (punt 81 van het bestreden arrest). Indien de Commissie het arrest Land Burgenland had gevolgd, kon zij echter geen rekening houden met het risico als gevolg van een eerdere staatssteunmaatregel. Aangezien in de onderhavige zaak vermindering van dit financiële risico de enige rechtvaardiging voor een beroep op het criterium van de particuliere schuldeiser vormt, zou dat criterium in elk geval niet kunnen worden toegepast.
80.
Meer algemeen ben ik het niet eens met het standpunt van het Gerecht, dat door FIH en FIH Holding in hun schriftelijke opmerkingen wordt gedeeld, dat de door het Gerecht gegeven uitlegging van de werkingssfeer van het MME-criterium noodzakelijk is omdat het onlogisch zou zijn dat een lidstaat om de staatssteunregels in acht te nemen aanzienlijk financieel verlies voor zijn begroting dient aanvaarden (punt 67 van het bestreden arrest). Dit standpunt is gebaseerd op de premisse dat die ratio legis, namelijk minimalisering van het risico van financieel verlies voor de begroting van de Staat, op geen andere manier in de regeling van toezicht op staatssteun kan worden geïncorporeerd.
81.
Deze premisse lijkt mij onjuist. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, kon zij er bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de overheidsmaatregelen met de interne markt rekening mee houden of de handelingen van de Staat in het bijzonder evenredig waren met het potentiële verlies voor de begroting ingeval de maatregelen niet waren getroffen. Dit punt is in de onderhavige zaak puur theoretisch, aangezien de Commissie de maatregelen van 2012 in elk geval heeft goedgekeurd.
82.
Om dezelfde reden overtuigt het door FIH en FIH Holding met een beroep op het neutraliteitsbeginsel (artikel 345 VWEU) aangevoerde argument mij niet.36. Het in het arrest Land Burgenland geformuleerde beginsel houdt geen risico van discriminatie tussen de publieke en de particuliere sector in, maar vormt slechts de afbakening van de werkingssfeer van het MME-criterium met betrekking tot de gevolgen van handelingen die de Staat in zijn hoedanigheid van overheid verricht.
83.
Verder ben ik van mening dat de rationaliteit van de handelingen van de Staat ten aanzien van potentiële verliezen voor diens begroting die voortvloeien uit eerdere staatssteun, in het kader van het toezicht op de staatssteun dient te worden onderzocht (bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt), en er niet toe kan leiden dat die maatregel aan dat kader wordt onttrokken (doordat wordt geoordeeld dat hij geen staatssteun vormt).
84.
Ten slotte zou, indien dergelijke financiële ondersteuningsmaatregelen — die de uit eerdere staatssteun voortvloeiende verliezen beogen te minimaliseren — buiten de definitie van staatssteun zouden kunnen vallen en dus aan toepassing van de regels inzake toezicht op staatssteun zouden kunnen ontsnappen, dit ruimere onbedoelde gevolgen hebben.
85.
Ten eerste zou dit betekenen dat, zodra de Staat een garantie heeft verleend, hij verder steun kan verlenen die aan toepassing van de in het Verdrag bepaalde regels inzake staatssteun ontsnapt, op voorwaarde dat de begunstigde onderneming in moeilijkheden verkeert en het risico bestaat dat een beroep wordt gedaan op de garantie.
86.
Ten tweede zou, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, een dergelijke uitlegging niet alleen bepaalde financiële ondersteuningsmaatregelen aan de werkingssfeer van het toezicht op staatssteun onttrekken, maar ook afbreuk doen aan de werkingssfeer van het bij richtlijn 2014/59 tot stand gebrachte kader voor herstel en afwikkeling van banken, dat verband houdt met de werking van de bankenunie. De toepassing van deze maatregelen is onder meer gebaseerd op het criterium of er sprake is van ‘buitengewone openbare financiële steun’ [artikel 32, lid 4, onder d)], dat op zijn beurt verwijst naar het begrip staatssteun (artikel, punt 28).
87.
Om al deze redenen ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 69 van het bestreden arrest tot de slotsom te komen dat de Commissie in het litigieuze besluit een onjuist juridisch criterium heeft toegepast, en dat zij de maatregelen van 2012 had moeten toetsen aan het beginsel van de particuliere schuldeiser in een markteconomie teneinde rekening te houden met het uit eerdere staatssteunmaatregelen voortvloeiende financiële risico.
88.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd en dat — vooral omdat het Gerecht het tweede in eerste aanleg aangevoerde middel niet heeft onderzocht — de zaak dient te worden terugverwezen naar het Gerecht.
Conclusie
89.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de hogere voorziening toe te wijzen, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing over de kosten aan te houden.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑11‑2017
Oorspronkelijke taal: Engels.
Arrest van 15 september 2016, FIH Holding en FIH Erhvervsbank/Commissie (T-386/14, EU:T:2016:474).
Besluit van 11 maart 2014 betreffende de door Denemarken ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.34445 (12/C) ten behoeve van de overdracht van vastgoedgerelateerde activa van FIH naar FSC (PB 2014, L 357, blz. 89).
De termen ‘marktdeelnemer in een markteconomie’ en ‘particuliere marktdeelnemer’ worden door elkaar gebruikt. Het Hof spreekt doorgaans van het criterium van de ‘particuliere investeerder’, van de ‘particuliere schuldeiser’ of van de ‘particuliere verkoper’.
Arresten van 28 januari 2003, Duitsland/Commissie (C-334/99, EU:C:2003:55; hierna: ‘Gröditzer Stahlwerke’); 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie (C-214/12 P, C-215/12 P en C-223/12 P, EU:C:2013:682; hierna: ‘Land Burgenland’), en 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213; hierna: ‘ING’).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).
Mededeling van de Commissie betreffende de behandeling van aan een bijzondere waardevermindering onderhevige activa in de communautaire banksector (PB 2009, C 72, blz. 1) en mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 januari 2012 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB 2011, C 356, blz. 7).
De twee andere middelen, die niet relevant zijn voor de onderhavige hogere voorziening, betreffen fouten bij de berekening van het bedrag van de staatssteun en niet-nakoming van de motiveringsplicht.
Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C-280/00, EU:C:2003:415, punten 74 en 75).
Arrest van 2 september 2010, Commissie/Deutsche Post AG (C-399/08 P, EU:C:2010:481, punt 40).
Arrest van 11 juli 1996, SFEI e.a. (C-39/94, EU:C:1996:285, punt 60).
Arresten van 10 juli 1986, België/Commissie (234/84, EU:C:1986:302, punt 14), en 24 september 1987, Acciaierie e Ferriere di Porto Nogaro/Commissie (340/85, EU:C:1987:384, punt 13). Zie ook de mededeling van de Commissie inzake deelneming van overheidsorganen in het kapitaal van ondernemingen (Bulletin van de EG 9/1984)
Arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie (C-303/88, ECLI:EU:C:1991:136, punt 20).
Zie in die zin arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF (C-124/10 P, EU:C:2012:318, punten 79 en 103).
Arrest van 14 september 1994, Spanje/Commissie (C-278/92-C-280/92, EU:C:1994:325, punt 22).
Arrest Gröditzer Stahlwerke, punt 138.
Arrest Gröditzer Stahlwerke, punt 140, en conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Duitsland/Commissie (C-334/99, EU:C:2002:41, punt 64). De Bondsrepubliek Duitsland had onder de totale liquidatiekosten een aantal kosten voor de aandeelhouder opgenomen die in feite door de Staat in zijn hoedanigheid van overheid dienden te worden gedragen.
Arrest van 28 februari 2012,Land Burgenland/Commissie(T-268/08 en T-281/08, EU:T:2012:90, punt 52).
Arrest Land Burgenland, punt 52.
Arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF (C-124/10 P, EU:C:2012:318, punten 91 en 92), en arrest Land Burgenland, punt 53.
Arrest Land Burgenland, punten 54–56.
Arrest Land Burgenland, punt 50.
Zie Arnold, C., in Sacker, F., Montag, F. (uitg.), European State Aid Law: A Commentary, C.H. Beck, München, 2016, blz. 112.
Arrest ING, punten 4 en 12.
Arrest van 2 maart 2012, Nederland/Commissie (T-29/10 en T-33/10, EU:T:2012:98, punt 125).
Arrest ING, punt 37.
Arrest ING, punten 34–36.
Zie besluit van de Commissie van 11 mei 2012 C(2012) 3150 final — Staatssteun SA.28855 (N 373/2009) (ex C 10/2009 en ex N 528/2009) — Nederland/ING — herstructureringssteun.
Arrest van 11 juli 1996, SFEI e.a. (C-39/94, EU:C:1996:285, punt 58).
Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Frucona Košice/Commissie (C-73/11 P, EU:C:2012:535, punt 55).
Arresten van. 29 juni 1999, DM Transport (C-256/97, EU:C:1999:332); 14 september 2004, Spanje/Commissie (C-276/02, EU:C:2004:521), en 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie (C-73/11 P, EU:C:2013:32).
Arrest Land Burgenland, punt 57.
Aldus wordt in een passage van het arrest waarin sprake is van ‘de vooruitzichten om de [kapitaalinjectie] terug te krijgen’ (zie arrest ING, punt 36) vermoedelijk uitgegaan van de opvatting dat moet worden nagegaan of een redelijke particuliere investeerder een vergelijkbare investering, zoals gewijzigd, zou doen gelet op de kansen op terugbetaling.
Zie in die zin arrest Land Burgenland, punten 49 en 50.
Arrest Land Burgenland, punten 54–56.
Zie punt 28 van de onderhavige conclusie.