Rb. Noord-Nederland, 12-05-2021, nr. 20/2852
ECLI:NL:RBNNE:2021:1929
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
12-05-2021
- Zaaknummer
20/2852
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2021:1929, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 12‑05‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 12‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Awb / termijnoverschrijding bezwaarfase / persoonlijke omstandigheden / overschrijding niet verschoonbaar. Beroep ongegrond verklaard.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 20/2852
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Winterink).
Procesverloop
In het besluit van 11 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister) aan eiser op grond van het Besluit mijnbouwschade Groningen (het Besluit mijnbouwschade) een schadevergoeding van in totaal € 1.098,41 inclusief rente toegekend wegens schade aan het pand op het perceel [adres] te [plaats] (het pand).
Op 1 juli 2020 is de Tijdelijke wet Groningen in werking getreden. Op grond van artikel 2, eerste lid, van deze wet is er een Instituut Mijnbouwschade Groningen (Instituut). Op grond van artikel 21, eerste lid, van deze wet worden de besluiten die zijn genomen door de deelcommissie mijnbouwschade aangemerkt als besluiten van het Instituut. Op grond van het vierde lid van artikel 21 neemt het Instituut de zaken over in de staat waarin ze zich bevinden. De rechtbank duidt in deze uitspraak daarom zowel de minister als het Instituut als verweerder aan.
In het besluit van 21 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaarschrift van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
1.1.
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Uit artikel 6:11 van de Awb volgt dat niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van die termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
1.2.
Niet in geschil is dat het primaire besluit op 11 mei 2020 aan eiser is toegezonden en dat eiser dat besluit daarna heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de bezwaartermijn dus is begonnen op 12 mei 2020 en dat de laatste dag van de bezwaartermijn 22 juni 2020 was. Ook niet in geschil is dat eiser eerst op 1 juli 2020 op het primaire besluit heeft gereageerd. Die reactie is daarmee niet binnen de bezwaartermijn ingediend.
1.3.
Eiser voert – kort samengevat – aan dat hij door omstandigheden in zijn privésfeer mentaal niet beschikbaar was gedurende de bezwaartermijn, waardoor hij zich niet volledig kon storten op de bezwaarprocedure. Zijn privéleven stond op zijn kop, waardoor normale zaken ineens overhoop lagen en zijn directe toekomst onzeker was. De bezwaartermijn bleek niet de hoogste prioriteit te hebben in de onbewuste rangschikking van kwesties in zijn hoofd. Dat besefte hij pas enkele dagen nadat de bezwaartermijn was verstreken. Voorts voert eiser aan dat van verweerders kant sprake is geweest van meerdere termijnoverschrijdingen. Eiser meent dat het onrechtvaardig is dat een gedupeerde zodanig zwaar wordt afgerekend voor het overschrijden van een wettelijke termijn met een week, terwijl verweerder stelselmatig een wettelijke termijn overschrijdt.
1.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen grond vormen om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel te begrijpen is dat eiser een moeilijke tijd heeft doorgemaakt en dat de situatie lastig voor hem was, ontslaan die omstandigheden hem niet van zijn verantwoordelijkheid om op tijd op het primaire besluit te reageren. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder eiser in het primaire besluit uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van dat besluit. Ook betrekt de rechtbank dat eiser tijdens de bezwaartermijn in staat was om te werken. Niet gebleken is dat eiser geen mogelijkheid had om een andere persoon te machtigen om namens hem tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen. Dat verweerder lang over de behandeling van zijn aanvraag heeft gedaan, maakt niet dat eiser de wettelijke bezwaartermijn opzij kan schuiven. Dat eiser het op inhoudelijke gronden niet met het primaire besluit eens is, leidt niet tot een ander oordeel omdat die gronden geen betrekking hebben op de vraag of het verschoonbaar is dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit.
2. Het beroep is ongegrond.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid vanmr. R.A. Schaapsmeerders, griffier, op 12 mei 2021. De uitspraak is openbaar gemaakt op de eerstvolgende datum na deze datum.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
typ: SCHA
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.