Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.3.4.1.2
2.3.4.1.2 Betekenis voor informatierechten van aandeelhouders
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971923:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kraakman e.a. 2017, p. 38-39; Geis 2019, p. 414.
De ontwikkeling van de regulering van inspection rights van aandeelhouders in de VS biedt van dit laatste een illustratief voorbeeld, zie Geis 2019, p. 417-418.
Zie Kraakman e.a. 2017, p. 31 e.v. voor een overzicht van deze strategieën.
Vgl. Kraakman e.a. 2017, p. 32-33, over gedragsnormen (‘rules and standards’) als strategie voor het tegengaan van agency costs. Zie voorts Clark 1985, die in dergelijke gedragsnormen een belangrijke rol ziet weggelegd voor informatieverstrekking, gelijk het geval is in het Nederlandse vennootschapsrecht (zie ook Haanschoten 2023, p. 343).
Zie Kraakman e.a. 2017, p. 37.
Zie ook de fundamentele kritiek geuit in De Jongh (diss.) 2014, p. 416 e.v.; en Overkleeft (diss.) 2017, p. 212-213.
Artikel 2:129/239 lid 5 BW.
Zie HR 4 april 2014, JOR 2014/290 m.nt. R.G.J. de Haan (Cancun), r.o. 4.2.2; en recentelijk HR 10 februari 2023, JOR 2023/119 m.nt. B. Kemp (Cordial III), r.o. 3.4.4.
Zie hierover ook De Jongh (diss.) 2014, p. 416-417; en Overkleeft (diss.) 2017, p. 182.
Zie De Jongh (diss.) 2014, p. 417-418.
Dit leidt tot een fundamenteel andere benadering van informatierechten dan in common law jurisdicties, omdat de aandeelhouder geen ‘afgeleid’ eigendomsrecht heeft op de informatie van de vennootschap, waarover par. 2.5.1 hierna.
Zie onder meer Assink & Bootsma 2022.
Zie bijvoorbeeld vanuit Amerikaans perspectief Geis 2019 en Jeffries 2011.
In Amerikaanse literatuur speelt de regulering van toegang tot informatie een belangrijke rol bij het terugdringen van de agency costs die volgen uit de hiervoor omschreven informatieasymmetrie tussen aandeelhouders en bestuurders.1 Agency theory kan zo een rechtvaardiging bieden voor informatierechten van aandeelhouders. De informatieasymmetrie is weliswaar de bron van de agency costs, maar paradoxaal genoeg zal het wegnemen van die asymmetrie ook niet altijd een oplossing bieden. Aandeelhouders hebben veelal niet de tijd, expertise of middelen om alle informatie van de vennootschap tot zich te nemen en te verwerken. Ook daaraan zijn kosten en inefficiënties verbonden, om maar te zwijgen over het risico dat aandeelhouders informatie van de vennootschap aanwenden voor een oneigenlijk doel.2 Dit vraagt om een zeker evenwicht in de te verstrekken informatie.
Op basis van de agency theory zijn in dit verband verschillende strategieën ontwikkeld waarbij agency costs worden beperkt door aandeelhouders toegang te geven tot informatie van de vennootschap.3 Deze instrumenten kunnen – in ieder geval ten dele – ook worden toegepast in Nederlandse vennootschappen. Ik denk dan met name aan zorgvuldigheidsplichten van de vennootschapsleiding4 en goedkeuringsrechten van de algemene vergadering.5 Dergelijke instrumenten zullen de vennootschapsleiding veelal dwingen tot het betrachten van voldoende openheid jegens de aandeelhouders, en leiden in bepaalde gevallen ook tot een zekere mate van samenwerking tussen aandeelhouders en bestuurders.
Niettemin zie ik slechts een beperkte rol weggelegd voor de agency theory bij de regulering van informatierechten van aandeelhouders in Nederlandse vennootschappen. Daarbij moet worden bedacht dat de premissen waarop de agency theory is gestoeld, niet altijd even goed verenigbaar zijn met het Nederlandse vennootschapsrecht.6 Voor dit onderzoek is met name de premisse relevant dat bestuurders, als agenten, volgens agency theory zouden moeten handelen in het belang van de aandeelhouders, als hun principalen. Naar Nederlands recht richten bestuurders zich bij de vervulling van hun taak echter naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming,7 waarbij zij zorgvuldig dienen om te gaan met de belangen van alle stakeholders.8 Daarnaast heeft de vennootschap binnen de rechtseconomische benadering van agency theory een contractueel karakter als een “nexus of contracts”.9 Deze visie op rechtspersoonlijkheid staat op gespannen voet met de institutionele benadering van de vennootschap in het Nederlandse vennootschapsrecht. Hetzelfde geldt voor de rechtseconomische benadering van de aandeelhouder als eigenaar binnen de agency theory.10 Binnen het Nederlandse vennootschapsrecht wordt aangenomen dat de aandeelhouder niet in een eigendomsverhouding staat tot de vennootschap, maar in een lidmaatschapsverhouding.11
Mede gezien het voorgaande, is bij de toepassing van agency theory op het Nederlandse vennootschapsmodel terughoudendheid op zijn plaats.12 Waarom dan toch deze uiteenzetting? De agency theory blijft invloedrijk in de internationale discussie over corporate governance. In de internationale literatuur over informatierechten van aandeelhouders wordt immers veelvuldig verwezen naar agency theory om (de regulering van) die rechten te verklaren en te duiden.13 Een gedegen begrip van agency theory helpt om deze literatuur te kunnen analyseren en de daarin geuite ideeën in perspectief te plaatsen.