Inhoudsopgave
RI 2022/1:Wanneer is sprake van ‘niet te goeder trouw’ in de zin van art. 54 en 235 Fw?
RI 2022/1
Wanneer is sprake van ‘niet te goeder trouw’ in de zin van art. 54 en 235 Fw?
Documentgegevens:
Rb. Amsterdam 14-07-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5020
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
14 juli 2021
- Magistraten
Mrs. F.B. Bakels
- Zaaknummer
C/13/688300 / HA ZA 20-823
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS632929:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Insolventierecht / Surseance van betaling
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBAMS:2021:5020, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 14‑07‑2021
- Wetingang
Essentie
Verrekening. Surseance.
Samenvatting
Rechtbank Amsterdam behandelt in een tussenvonnis drie rechtsvragen die spelen in een geschil tussen ING en Curator. Het betreft de surseance en het faillissement van een door ING gefinancierde rederijgroep. Binnen de groep fungeerde Gefailleerde 1 onder meer als scheepspoolmanager en inde daartoe namens andere groepsentiteiten gelden. Er ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.