NJ 2023/306
Caribische zaak; in dit geval geen schending art. 6 EVRM doordat verdachte zich niet mocht laten bijstaan door een advocaat uit Nederland.
HR 03-10-2023, ECLI:NL:HR:2023:1329
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
3 oktober 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, A.E.M. Röttgering, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
21/04820
- Conclusie
A-G mr. D.J.M.W. Paridaens
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS718764:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1329, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑10‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:646, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑07‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑01‑2023
- Wetingang
Art. 6 EVRM; art. 57 Sv Curaçao
Essentie
Caribische zaak. Geen schending art. 6 EVRM doordat verdachte zich niet mocht laten bijstaan door een advocaat uit Nederland, nu verdachte zich heeft laten bijstaan door gekozen advocaat uit Curaçao terwijl niet van inadequate rechtsbijstand is gebleken.
Samenvatting
Caribische zaak. Het hof had het verzoek van verdachte om zich te laten bijstaan door een niet bij het Hof van Justitie ingeschreven advocaat uit Nederland afgewezen. Verdachte heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door een advocaat uit Curaçao naar zijn keuze en deze heeft niet te kennen gegeven dat hij niet in staat was adequate rechtsbijstand te ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.