Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaken tegen verdachte 09/01806P en 09/01807P waarin ik heden eveneens concludeer.
HR, 28-09-2010, nr. 09/01805
ECLI:NL:HR:2010:BN0018
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28-09-2010
- Zaaknummer
09/01805
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BN0018
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BN0018, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑09‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN0018
ECLI:NL:PHR:2010:BN0018, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑06‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN0018
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑09‑2010
Inhoudsindicatie
Aftrek voorarrest, art. 27 Sr. HR doet wat het Hof had behoren te doen en trekt alsnog de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht af.
28 september 2010
Strafkamer
Nr. 09/01805
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 april 2009, nummer 20/004887-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Limburg-Zuid, locatie De Geerhorst" te Sittard.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor zover bij de strafoplegging de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht niet is afgetrokken, dat de Hoge Raad zal bevelen dat de door de verdachte in verzekering doorgebrachte tijd van de taakstraf zal worden afgetrokken, met bepaling dat voor elke in verzekering doorgebrachte dag twee uur van de taakstraf zal worden afgetrokken, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het vierde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet heeft bevolen dat de tijd die door de verdachte in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, terwijl het Hof evenmin heeft bepaald volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
3.2. De stukken van het geding houden in dat de verdachte voor de onderhavige strafzaak op 25 mei 2005 om 20.30 uur in verzekering is gesteld en op 27 mei 2005 om 20.05 uur in vrijheid is gesteld.
3.3. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis. Het Hof heeft evenwel nagelaten het in
art. 27 Sr bepaalde in acht te nemen. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd toepassing te geven aan art. 27 Sr;
beveelt dat op de opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis, in mindering zal worden gebracht de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in dier voege dat voor iedere dag twee uren zullen worden afgetrokken van het totaal aantal uren;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 28 september 2010.
Conclusie 22‑06‑2010
Mr. Vegter
Partij(en)
Conclusie inzake:1.
[Verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch wegens parketnummer 03-530411-05 1. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’, parketnummer 03-530446-05 1. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’, en parketnummer 03-530447-05 1. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod’ en 2. ‘Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 200 uur taakstraf bestaande uit een werkstraf, subsidiair 100 dagen hechtenis, en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar.
2.
Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt dat uit de door het Hof ten aanzien van parketnummer 03-530447-06 gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat verdachte de feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd.
4.
Het Hof heeft ten aanzien van het aan verdachte in de dagvaarding met parketnummer 03-530447-06 ten laste gelegde bewezenverklaard dat:
- ‘1.
hij in de periode van 1 november 2004 tot en met 24 mei 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1], een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
- 2.
hij op 25 mei 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4111 gram henneptoppen en 121 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorendelijst II.’
5.
Deze bewezenverklaringen steunen (met name) op de volgende bewijsmiddelen:
‘8.
Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Limburg Zuid/District Sittard, basiseenheid Sittard-Born, afdeling basis politiezorg, proces-verbaalnummer 2005067198-40, d.d. 10 augustus 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie en [verbalisant 2], hoofdagent van politie (dossierpagina 1–24 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2005067198), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van verbalisanten:
Op 15/04/2005 werden door mij, verbalisant [verbalisant 1], met een warmtecamera warmtemetingen uitgevoerd van perceel [a-straat 2] te Sittard. Ter vergelijking werd de warmtecamera gericht op het dak van de buren. Ik ontdekte toen dat het dak van de buren, [a-straat 1] te Sittard, grote witte vlekken vertoonde.
Bij controle van het bevolkingsregister van de gemeente Sittard-Geleen d.d. 18/04/2005 bleek dat op het adres [a-straat 1] te Sittard stond ingeschreven:
Achternaam:[medeverdachte 1]
Voornamen:[medeverdachte 1]
Geboren op:[geboortedatum]1960
Geboren te:[geboorteplaats]
Op 25/05/2005 hebben wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ons naar perceel [a-straat 1] te Sittard begeven, teneinde in dit perceel een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een hennepplantage. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat een van de aanwezige personen met een kartonnen doos de slaapkamer aan de achterzijde van de woning inliep. Op die slaapkamer troffen wij die kartonnen doos aan. Wij zagen dat in de doos vers geknipte henneptoppen zaten. Na onderzoek in de woning zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], op de zolder een gebruiksklare inrichting voor de teelt van hennep. Wij zagen dat na telling 121 hennepplanten en aanwezig waren en dat er delen van hennepplanten aanwezig waren, te weten toppen. Na weging bleek het gewicht van die henneptoppen 4111,40 gram te zijn.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb uit deze plantage een representatief aantal henneptoppen geknipt en deze verpakt ten behoeve van een ODV-test en eventueel andere noodzakelijk geachte onderzoeken.
Op 28/05/2005 heb ik, verbalisant [verbalisant 1], twee ODV kleur-reactietesten uitgevoerd op twee kleine hoeveelheden van de in de inrichting genomen hennepmonsters. Bij deze beide ODV- 8-testen, zijnde kleur-reactietesten zag ik dat de stoffen positief reageerden op de aanwezigheid van hennep.
9.
Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Limburg Zuid/District Sittard, basiseenheid Sittard-Born, afdeling basis politiezorg, proces-verbaalnummer 2005067198-10, d.d. 25 mei 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie (dossierpagina 44–45 van het proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2005067198), voor zover inhoudende — zakelijk weergegeven — als verklaring van verdachte [medeverdachte 1]:
De ruimte waarin door de politie een hennepplantage is aangetroffen is in gebruik bij mij en een persoon genaamd [verdachte]. Dat is mijn buurman. Hij woont op nummer [2].’
6.
Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in een pand aan de [a-straat 1] een hennepplantage had en dat zij daar samen ongeveer 4111 gram henneptoppen en 121 hennepplanten aanwezig hebben gehad, nu die toppen en planten in de ruimte van de hennepplantage zijn aangetroffen. De bewezenverklaring van feit 2 is derhalve voldoende met redenen omkleed. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden. Voor wat betreft het in feit 1 bewezenverklaarde medeplegen van telen van een groot aantal hennepplanten is de te maken stap iets groter. Immers het ligt zonder meer voor de hand dat het met een ander in gebruik hebben van een ruimte waarop een hennepplantage wordt aangetroffen medeplegen van aanwezig hebben van daar aangetroffen henneptoppen en hennepplanten oplevert. Het komt mij voor dat uit het samen gebruiken van een ruimte waar een hennepplantage in werking is eveneens het medeplegen van telen kan worden afgeleid. Het woord gebruiken kan hier gelezen worden als (samen met een ander) aanwenden van, zich bedienen van of ten nutte maken van de ruimte met hennepplantage. Verdachte heeft bij het Hof niet betoogd dat hij de ruimte wel in gebruik had, maar dat dit voor een geheel ander doel was.
7.
Ten overvloede merk ik op dat namens verdachte ter zitting in hoger beroep van 1 april 2009 is aangevoerd dat tegen de dagvaarding met parketnummer 03-530447-06, met betrekking tot het pand [a-straat 1], geen bezwaren bestonden en dat die feiten in hoger beroep niet hoefden te worden besproken. Ook dit pleit tegen de opvatting dat het Hof de bewezenverklaringen nader had moeten motiveren.
8.
Het middel faalt.
9.
Het tweede middel bevat de klacht dat uit de bewezenverklaringen door het Hof dat verdachte in een bepaalde periode in een bepaalde plaats opzettelijk een groot aantal hennepplanten heeft geteeld bezwaarlijk anders kan worden afgeleid dan dat het Hof acht heeft geslagen op art. 11 lid 5 Opiumwet, zoals dit artikel luidt sedert 1 juli 2006, welk artikel evenwel ten tijde van het plegen van de feiten nog niet van toepassing was.
10.
Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Het Hof heeft in zijn arrest onder het kopje ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’ uitdrukkelijk overwogen dat het onder 1 van de drie parketnummers bewezenverklaarde strafbaar is gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde. Voorts heeft het Hof onder de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 11 van de Opiumwet opgenomen, eveneens zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde. Ook de opgelegde straf is geen aanwijzing dat het Hof het latere art. 11 lid 5 van de Opiumwet heeft betrokken bij zijn oordeel. Evenmin wijst het enkele gebruik van de woorden ‘een groot aantal hennepplanten’ in de bewezenverklaring hierop. Het stond het Hof vrij die woorden niet exclusief zo op te vatten dat gedoeld is op een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 11 lid 5 Opiumwet.2.
11.
Het middel faalt derhalve.
12.
Het derde middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM onvoldoende met redenen is omkleed.
13.
Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:
‘Namens de verdachte is aangevoerd dat het hof bij de strafbepaling rekening dient te houden met het tijdsverloop, aangezien de feiten dateren van vier jaar geleden.
Het hof stelt het volgende vast:
- —
verdachte wordt op 25 mei 2005 voor het eerst door de politie gehoord en op die dag wordt hij in verzekering gesteld;
- —
het onderzoek in de zaak van verdachte in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 21 maart 2007, 18 september 2007 en 5 december 2007;
- —
op 19 december 2007 wordt door de eerste rechter vonnis gewezen, waartegen op 28 december 2007 namens verdachte hoger beroep is ingesteld;
- —
op 16 juli 2008 wordt het dossier door het gerechtshof ontvangen;
- —
de raadsman van verdachte heeft op respectievelijk 12 november 2008 en 24 februari 2009 het hof verzocht de zaak, die gepland stond op achtereenvolgens de zittingen van 9 januari 2009 en 27 februari 2009, aan te houden;
- —
de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep heeft op 1 april 2009 plaatsgevonden en de uitspraak is op heden bepaald.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat in de onderhavige strafzaak geen sprake is van undue delay als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf dan ook geen rekening gehouden met het tijdsverloop.’
14.
Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 1 april 2009 heeft de raadsman ten aanzien van het tijdsverloop het volgende aangevoerd:
‘Alleen de periode van september 2004 tot mei 2005 is te bewijzen. Bij de bepaling van de straf dient daarmee rekening te worden gehouden, evenals met het tijdsverloop. De zaak loopt inmiddels al bijna 4 jaar.’
15.
Hieruit volgt dat er enkel geklaagd is over de omstandigheid dat de zaak al bijna vier jaar loopt. Het Hof heeft vastgesteld dat de zaak in een kleine vier jaar in twee instanties is afgedaan en geoordeeld dat dit geen overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM oplevert. Dit oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In beginsel staat er twee jaar voor een instantie. En nu slechts geklaagd is over het totale tijdverloop was het Hof niet gehouden uitdrukkelijker dan het heeft gedaan op het afzonderlijke tijdverloop in beide instanties in te gaan. Dat had mijns inziens ook niet tot een ander oordeel geleid; voor zover er al sprake was van een lichte overschrijding in eerste aanleg kon het Hof er van uit gaan dat die in hoger beroep voldoende gecompenseerd was.
16.
Het middel faalt.
17.
Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrecht bij het opleggen van de taakstraf niet heeft bevolen dat de tijd, die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering/voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf in mindering is gebracht, terwijl het Hof voorts in de uitspraak niet heeft bepaald volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
18.
Het middel is terecht voorgesteld.3. Dit hoeft echter niet tot cassatie te leiden. De Hoge Raad kan zelf bevelen dat de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de taakstraf in mindering zal worden gebracht. Daarbij ligt het, gelet op de praktijk, voor de hand om een maatstaf van twee uur aftrek per dag te hanteren.4.
19.
De eerste drie middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
20.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak vernietigd zal worden, doch uitsluitend voor zover bij de strafoplegging de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering niet is afgetrokken, dat de Hoge Raad zal bevelen dat de door verdachte in verzekering doorgebrachte tijd van de taakstraf zal worden afgetrokken, met bepaling dat voor elke in verzekering doorgebrachte dag twee uur van de taakstraf zal worden afgetrokken, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑06‑2010
Zie voor de invulling van het begrip grote hoeveelheid het Besluit van van 31 augustus 2006, Stcrt. 2006, 416.
Uit het politieproces-verbaal nummer 2005067198-40 van 10 augustus 2005 blijkt dat verdachte op 25 mei 2005 te 20.30 uur in verzekering is gesteld (p.14/15) en op 27 mei 2005 te 20.05 uur in vrijheid is gesteld (p.23).
Vgl. T&C Sr, aant. 2 bij art. 27 Sr.