Rb. Overijssel, 08-04-2015, nr. C-07-182308 - HZ ZA 11-235
ECLI:NL:RBOVE:2015:1594
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
08-04-2015
- Zaaknummer
C-07-182308 - HZ ZA 11-235
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2015:1594, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 08‑04‑2015; (Eerste aanleg - meervoudig)
Op verzet tegen: ECLI:NL:RBZLY:2012:1735
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2014:6670
ECLI:NL:RBOVE:2014:6670, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 24‑12‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2015:1594
Uitspraak 08‑04‑2015
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak, ten gevolge van seksueel misbruik. Toekennen vergoeding verlies verdienvermogen en studievertraging. Toewijzing € 58.935,11 + proceskosten.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/07/182308 / HZ ZA 11-235
Vonnis van 8 april 2015
in de zaak van
[eisers] ,
wonende te [plaats],
eiseres,
advocaat mr. E.W. Stals te Enschede,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.H. Doornbos te Zwolle.
Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 24 december 2014
- -
het herstelvonnis van 14 januari 2015
- -
de akte uitlating zijdens [eisers]
- -
de antwoordakte zijdens [gedaagde]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij het tussenvonnis van 24 december 2014 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door [eisers] over hetgeen is vermeld onder 2.12, 2.14, 2.17 en 2.18 van dit tussenvonnis.
2.2.
In rechtsoverweging 2.12 van voormeld tussenvonnis gaat het om het verschil tussen de in opdracht van [eisers] door Cunningham Lindsey en de in opdracht van [gedaagde] door Het Rekenbureau berekende schadebedragen wegens verlies aan arbeidsvermogen en studievertraging. [eisers] stelt dat het voor haar, gezien het geringe verschil in uitkomst tussen de twee berekeningen, niet zinvol is om een nieuwe berekening te laten maken. Zij handhaaft haar oorspronkelijke vordering, betwist de stellingen van [gedaagde] en refereert zich ten aanzien van het verschil aan het oordeel van de rechtbank.
Nu de door Het Rekenbureau toegepaste correcties goed zijn onderbouwd en door [eisers] niet gemotiveerd zijn betwist zal de rechtbank met betrekking tot deze schadepost uitgaan van het door Het Rekenbureau berekende bedrag van € 52.603,00.
2.3.
In rechtsoverweging 2.14 van voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld stukken (salarisstrookjes o.i.d.) in het geding te brengen waaruit blijkt welke inkomsten zij heeft gehad vanaf het ogenblik dat zij gestopt is met de studie HBO Recht tot het moment dat zij met de studie HBO Commerciële Economie is begonnen.
Uit de door [eisers] overgelegde loonstroken blijkt dat zij in genoemde periode een bedrag van (in elk geval) € 4.970,98 netto heeft verdiend bij Carinova. [eisers] stelt in haar akte dat in het bedrag van € 958,00 netto al een bedrag van € 300,00 is opgenomen inzake de bijbaan van [eisers] bij Carinova en dat het daarom niet redelijk is dat de rechtbank een bedrag van
€ 958,00 netto ter verrekening optelt bij de inkomsten van Carinova, omdat er op die manier sprake is van een dubbele verrekening.
[gedaagde] voert onder meer aan dat [eisers] onvoldoende informatie heeft verstrekt nu ze geen jaaropgaven heeft overgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit de door [eisers] overgelegde stukken blijkt genoegzaam wat [eisers] heeft verdiend in het verloren studiejaar. Zoals uit het tussenvonnis blijkt is van belang wat [eisers] in dat jaar (extra) heeft verdiend boven het inkomen van € 958,00 netto per maand dat zij als student had. Dit bedrag is genoemd in randnummer 2.3 van het rapport van de deskundige Grimm. In dit bedrag van € 958,00 is, blijkens de inhoud van het rapport, een bedrag van (gemiddeld) € 300,00 opgenomen dat [eisers] verdient uit de daar genoemde ‘bijbaantjes’. Het gaat om € 200,00 voor thuiszorg (bij Carinova zoals uit het rapport blijkt) en € 100,00 voor ‘samplen’. Deze bedragen zitten dus in die € 958,00. Dit betekent dat, anders dan [gedaagde] stelt, het bedrag van € 100,00 voor samplen buiten beschouwing moet blijven als extra inkomen. Ten aanzien van hetgeen [eisers] in het verloren studiejaar heeft verdiend bij Carinova dient op het bedrag van € 4.970,98 een bedrag van € 200,00 per maand buiten beschouwing te blijven omdat dit bedrag al is opgenomen in het bedrag van € 958,00 netto per maand. Aangezien het bedrag van € 4.970,98 betrekking heeft op een periode van 11 maanden dient, voor de berekening van wat [eisers] extra heeft verdiend, hierop een bedrag van € 2.200,00 (11 maal € 200,00) in mindering te worden gebracht, zodat resteert € 2.770,98. Dit bedrag moet worden verrekend met het in rechtsoverweging 2.2 genoemde bedrag van
€ 52.603,00, zodat als toe te wijzen schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en studievertraging een bedrag resteert van € 49.832,02.
2.4.
In rechtsoverweging 2.17 van voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld bij akte aan te geven hoe de tekst van de door [gedaagde] af te geven belastinggarantie moet luiden. [eisers] heeft in haar akte twee opties aangegeven voor deze tekst. Nu [gedaagde] in zijn antwoordakte heeft aangegeven dat hij in het geval de belastingdienst in de toekomst aan [eisers] aanslagen inkomstenbelasting en/of premies zal opleggen (in verband met de door [gedaagde] aan [eisers] ingevolge dit vonnis betaalde bedragen) verweer zal voeren, komt de tekst van optie 1 in aanmerking. Deze tekst dient te worden aangevuld met de door [gedaagde] in zijn antwoordakte aangegeven wijzigingen nu zulks in de praktijk gebruikelijke teksten zijn. De tekst van de belastinggarantie dient derhalve te luiden als nader aan te geven.
2.5.
Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.18 aan [eisers] verzocht een hernieuwde renteberekening in het geding te brengen met betrekking tot de verschenen rente tot 1 januari 2015 over de in deze rechtsoverweging genoemde posten vanaf de aldaar genoemde data. Volgens [eisers] bedraagt de wettelijke rente € 2.541,87.
Volgens [gedaagde] is hij uiteindelijk nog een bedrag van € 898,00 verschuldigd nu door [gedaagde] ter zake van smartengeld voorschotten aan [eisers] zijn betaald.
Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.
Uit de door [eisers] overgelegde renteberekening over het smartengeld blijkt dat bij de berekening van de wettelijke rente over het smartengeld rekening is gehouden met de betaalde voorschotten. Voor zover [gedaagde] met zijn stelling bedoelt dat de door [eisers] berekende rente over het smartengeld niet juist is omdat met de betaalde voorschotten geen rekening is gehouden, dient daaraan te worden voorbijgegaan. Wel dient bij de vaststelling van wat [gedaagde] uiteindelijk nog aan [eisers] is verschuldigd wegens hoofdsom rekening te worden gehouden met de betaalde voorschotten. De rechtbank heeft dat al gedaan in rechtsoverweging 2.16 van haar tussenvonnis van 24 december 2014, alwaar zij, na aftrek van de betaalde voorschotten, een totaal toe te wijzen bedrag heeft berekend van € 6.742,38. Laatstgenoemd bedrag betreft de posten die vallen onder het door [eisers] gevorderde bedrag van € 33.431,32 (zoals door [eisers] gespecificeerd in de producties 4.1 tot en met 4.7 bij dagvaarding; zie ook rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis van 24 december 2014).
2.6.
Het vorenstaande (en hetgeen in de andere tussenvonnissen reeds is beslist) samengevat is aan schade (hoofdsom plus wettelijke rente tot 1 januari 2015 toewijsbaar
€ 58.935,11 (€ 49.832,02 plus € 6.742,38, dit betreft de posten hiervoor genoemd in 2.3 en 2.5, plus € 2.360,71 te weten de kosten voor het inschakelen van Cunningham Lindsey). De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 1 januari 2015.
2.7.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:
- in debet gestelde explootkosten € 68,11 (Gerechtsdeurwaarder C.J.B. Nijhuis)
- betaalde explootkosten 22,70
- griffierecht 1,00
- salaris advocaat 4.470,00 (5 punt × tarief € 894,00)
Totaal € 4.561,81
Aangezien aan [eisers] een toevoeging is verleend dienen de in debet gestelde explootkosten te worden voldaan aan de rechtbank Overijssel.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de letselschade van [eisers] ontstaan als gevolg van ontuchtige handelingen door [gedaagde] waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld bij vonnis d.d. 24 januari 2006 en verklaart voor recht dat causaal verband bestaat tussen de letselschade en het ontuchtige handelen,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 58.935,11 (achtenvijftig duizendnegenhonderdvijfendertig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 januari 2015 tot de dag van volledige betaling,
3.3.
bepaalt dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door [gedaagde] wordt verstrekt, met de navolgende tekst, ter meerdere zekerheid van [eisers] voor eventuele fiscale navorderingen:
I. Partijen zijn van mening dat de door de rechtbank Overijssel toegekende schadevergoeding niet aan de heffing van inkomstenbelasting en enigerlei premieheffing is onderworpen.
II. Indien desalniettemin vanwege de inspecteur der directe belastingen ter zake van de uitgekeerde schadebedragen aan [eisers] aanslagen inkomstenbelasting en/of premies zullen worden opgelegd, zal [gedaagde] voor verweer zorgdragen.
III. [eisers] zal op straffe van verval van haar aanspraken uit hoofde van deze garantie zich houden aan het volgende:
a. [eisers] zal in haar aangifte IB de schadevergoeding niet opgeven als belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1). Wel mogen alle gegevens met betrekking tot de schadevergoeding aan de inspecteur der directe belastingen worden verstrekt op een bijlage in de aangifte onder vermelding dat naar de mening van [eisers] en [gedaagde] de schadevergoeding belastingvrij is, en zij de schadevergoeding om die reden niet in de aangifte heeft opgegeven als belastbaar inkomen uit werk en woning (Box 1);
b. [eisers] zal direct met [gedaagde] contact opnemen zodra de inspecteur der directe belastingen bij haar informeert naar de herkomst of samenstelling van het uitgekeerde bedrag;
c. [eisers] zal zich - in de situatie bedoeld onder b - onthouden van het verstekken van informatie aan de belastingdienst en zal de informatieverstrekking overlaten aan [gedaagde];
d. [eisers] zal haar eventueel ter zake opgelegde aanslagen onmiddellijk na ontvangst aan [gedaagde] toezenden en verbindt zich tijdig alle medewerking te verlenen tot het indienen respectievelijk aanhangig maken van de door [gedaagde] opportuun c.q. nodig geachte bezwaarschriften respectievelijk beroepsprocedures bij de bevoegde rechter ter zake.
IV. Alle kosten, die aan deze bezwaarschriften respectievelijk beroepsprocedures verbonden zijn, komen voor rekening van [gedaagde].
V. Indien door [eisers] aan de in deze belastinggarantie vermelde voorwaarden is voldaan en/of het standpunt van de inspecteur desalniettemin geheel of gedeeltelijk door een kracht van gewijsde hebbende uitspraak van de fiscale rechter wordt bevestigd, zal [gedaagde] de inkomstenbelasting en premies over (het door de fiscale rechter als belast aangemerkte gedeelte van) de schadevergoeding voor zijn rekening nemen.
VI. Deze belastinggarantie heeft uitsluitend betrekking op de schadevergoeding wegens vermogensschade, waaronder begrepen verlies van arbeidsvermogen, studievertraging en smartengeld. Mitsdien zal de vraag of er sprake is van belastbaarheid moeten worden beoordeeld naar de situatie zoals deze was op het tijdstip waarop de schadevergoding is gedaan en uiterlijk naar de situatie op het tijdstip waarop deze overeenkomst is aangegaan.
VII. Deze belastinggarantie geldt derhalve niet voor belasting, die eventueel verschuldigd is over 2001 en/op daaropvolgende jaren op grond van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3), ook niet indien het hierboven vermelde bedrag of een gedeelte daarvan - mede - tot dat belastbaar inkomen heeft geleid.
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 4.561,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, waarvan € 68,11 aan in debet gestelde explootkosten te voldoen aan de griffier nadat [gedaagde] een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) daarvoor heeft gekregen,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 tot en met 3.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015.
Uitspraak 24‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Letselschadezaak, ten gevolge van seksueel misbruik. Toekennen vergoeding verlies verdienvermogen en studievertraging. Een en ander na deskundigenrapporten. Nog (net) geen eindvonnis
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/07/182308 / HZ ZA 11-235
Vonnis van 24 december 2014
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [plaats],
eiseres,
advocaat mr. E.W. Stals,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [plaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.H. Doornbos.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
Het tussenvonnis van 10 april 2013
- -
het tussenvonnis van 25 september 2013
- -
het deskundigenbericht van 2 januari 2014 van drs. C.S.H. Haarsma
- -
het deskundigenbericht van 6 januari 2014 van drs. J. Fekkes
- -
het deskundigenbericht van 1 juli 2014 van mevrouw H.C. Grimm
- -
de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde]
- -
de conclusie na deskundigenbericht tevens akte wijziging van eis van [eiseres]
- -
de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde]
- -
de antwoordconclusie van [eiseres]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Bij het tussenvonnis van 10 april 2013 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
- 1.
Welke verdiencapaciteit heeft [eiseres] thans? Kunt u daarbij een omschrijving geven van het door [eiseres] doorlopen opleidingstraject, het thans bestaande opleidings- en ervaringsniveau, de bestaande beperkingen in psychische belastbaarheid en de op grond daarvan mogelijk te verrichten beroepsmatige werkzaamheden? Wilt U daarbij aandacht besteden aan de vraag of [eiseres] beperkt is in de duur van de beroepsmatige werkzaamheden die zij per week kan verrichten?
- 2.
Is er een verbetering dan wel verslechtering van de psychische belastbaarheid te verwachten?
- 3.
Kunt u een indicatie geven welke verdiencapaciteit [eiseres] in de feitelijke situatie met misbruik naar verwachting zal ontwikkelen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd?
- 4.
Kunt u een indicatie geven welke verdiencapaciteit [eiseres] naar verwachting zou hebben ontwikkeld tot aan de pensioengerechtigde leeftijd in de situatie zonder misbruik? Kunt u hierbij een indicatie geven van de branche en het niveau van de beroepsmatige werkzaamheden die [eiseres] zou hebben verricht zonder seksueel misbruik? Kunt u hierbij ook een indicatie geven van de leeftijd vanaf en tot welke [eiseres] zonder het seksueel misbruik beroepsmatige werkzaamheden zou hebben verricht en voor hoeveel uur per week? Indien uw indicatie is gebaseerd op statistische gegevens, wilt u die dan vermelden?
- 5.
Kan de verdiencapaciteit van [eiseres] verhoogd worden door (een) aanvullende opleiding(en)? Kan [eiseres], mede gelet op haar bestaande opleiding, psychische vaardigheden en belastbaarheid, redelijkerwijs geacht worden in staat te zijn (een) dergelijke opleiding(en) te volgen? Zo ja, wat zijn daarvan de te verwachten kosten en kunt u een indicatie geven hoeveel extra verdiencapaciteit betrokkene daardoor naar verwachting zal ontwikkelen?
- 6.
Kan de verdiencapaciteit van [eiseres] verhoogd worden door arbeidsbegeleiding? Zo ja hoe, en wat zijn daarvan de te verwachten kosten en kunt u een indicatie geven van hoeveel extra verdiencapaciteit [eiseres] daardoor naar verwachting zal ontwikkelen?
- 7.
Hoe zouden de schoolprestatie van [eiseres] zijn geweest zonder seksueel misbruik? De rechtbank verzoekt u in verband daarmee een intelligentie onderzoek te (laten) verrichten ten einde te kunnen bepalen hoe de schoolprestaties van [eiseres] zouden zijn geweest zonder seksueel misbruik.
- 8.
Heeft het seksueel misbruik invloed gehad op het scholingstraject van [eiseres]? Zo ja, kunt u een indicatie geven van het opleidingsniveau dat [eiseres] zou hebben bereikt zonder het seksuele misbruik?
- 9.
Zal (zou) [eiseres] in staat zijn (geweest) om (middels certificaten) het VWO te volgen en met succes af te ronden?
- 10.
Kan [eiseres] in staat worden geacht om (na het HBO) een universitaire opleiding te volgen?
- 11.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
De rechtbank heeft daartoe de arbeidsdeskundige mevrouw T. Grimm benoemd.
2.2.
Bij het tussenvonnis van 25 september 2013 heeft de rechtbank op verzoek van de deskundige mevrouw T. Grimm een onderzoek door twee deskundigen bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wilt u [eiseres] oproepen voor een gesprek en aan de hand van het rapport van prof. dr. H.J.C. van Marle van 7 oktober 2011 de functionele beperkingen van [eiseres] omschrijven en de belastbaarheid neerleggen in een belastbaarheidsprofiel, een en ander ten behoeve van arbeidsdeskundig onderzoek?
2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3. Wilt u bij [eiseres] een intelligentieonderzoek verrichten ten einde te kunnen bepalen hoe de schoolprestaties van [eiseres] zouden zijn geweest zonder seksueel misbruik?
Voor de beantwoording van de vragen 1 en 2 heeft de rechtbank drs. C.S.H. Haarsma benoemd en voor de beantwoording van vraag 3 drs. J. Fekkes, verbonden aan Brain Dynamics Hengelo.
2.3.
De deskundige Haarsma heeft op 2 januari 2014 gerapporteerd en de deskundige Fekkes op 6 januari 2014. Mede op basis van deze rapporten heeft de deskundige Grimm op
1 juli 2014 gerapporteerd.
2.4.
De deskundige Grimm heeft de door de rechtbank gestelde vragen als volgt beantwoord:
Vraag 1
Op dit moment volgt betrokkene een studie op hbo-niveau waarbij zij in het derde studiejaar zit. Nadat zij de 4-jarige hbo-studie heeft afgerond kan zij solliciteren op functies op hbo-niveau (= ervaringsniveau). Betrokkene heeft momenteel het volgende inkomen/verdiencapaciteit. Volgens opgave van betrokkene ontvangt zij een studiebeurs voor uitwonenden van € 524,-- per maand, € 89,-- zorgtoeslag, € 45,-- voor deelname aan de medezeggenschapsraad en gemiddeld € 300,-- uit bijbaantjes € 200,-- Thuiszorg en € 100,-- voor samplen). Al deze bedragen zijn netto. Dit is een totaalbedrag van circa € 958,-- netto per maand. Betrokkene ervaart beperkingen en deze worden ook weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst. Op basis hiervan schat ik in dat zij met de huidige combinatie hbo-studie en de uren die zij momenteel werkt maximaal belast wordt,
Voor het doorlopen opleidingstraject en ervaringsniveau verwijs ik naar de paragrafen 2.1 en 2.2. van deze rapportage. Voor de bestaande beperkingen en de psychische belastbaarheid verwijs ik naar hoofdstuk 3 van deze rapportage.
Op basis van de huidige opleiding en het ervaringsniveau, gerelateerd aan de bestaande beperkingen en psychische belastbaarheid, zouden de volgende beroepsmatige werkzaamheden na afronding van de studie een mogelijkheid kunnen zijn: communicatieadviseur bij de Belastingdienst of adviseur bij een gemeentelijke instelling waar betrokkene bijvoorbeeld werkprocessen zou kunnen beschrijven van een afdeling en verbeterpunten aangeven. De medisch adviseur geeft aan dat betrokkene maximaal 36 uur per week kan werken. Een fulltime functie bij de gemeente is gebaseerd op een 36-urige werkweek. Mits de functie qua inhoud en de belastbaarheid niet overschrijdt, zou betrokkene dit moeten aankunnen. In een commerciële omgeving verwacht ik dat er al snel langere dagen moeten worden gemaakt en dat is niet geschikt voor betrokkene.
Het salaris dat betrokkenen bij bijvoorbeeld een gemeente of andere overheidsinstelling zou kunnen verdienen ligt met de hbo-opleiding Commerciële Economie doorgaans binnen de salarisschalen 8 tot en met 10, afhankelijk van de functie die zij gaat vervullen. Het aanvangssalaris in schaal 8 is € 2.131,-- bruto per maand en de eindschaal is € 3.103,-- per maand. Schaal 9 begint bij € 2.370,-- en de eindperiodiek is € 3.505,--. Voor schaal 10 geldt een aanvangssalaris van € 2.560,-- met een uitloop naar € 3.896,-- (bron: www.car-uwo.nl). Zie voor de volledige salaristabel hoofdstuk 6, paragraaf 6.7.2.
Betrokkenen is beperkt wat betreft de duur van de beroepsmatige werkzaamheden. Uit de functionele mogelijkhedenlijst komt naar voren dat betrokken is aangewezen op werkzaamheden voor ongeveer 8 uur per dag, gedurende 36 uur per week, waarbij er in het midden van de week een recuperatiemoment van circa 4 uur is.
Voorts zijn er ten aanzien van het persoonlijk functioneren beperkingen gesteld door de medisch adviseur. Er moet dan van tevoren getoetst worden of de omgeving geschikt is. Voorts wordt het afgeraden om in de avonduren en in de nacht te werken. Bij het daadwerkelijk verkrijgen van een functie zal met deze aspecten rekening moeten worden gehouden.
Dit betekent in de praktijk dat kansen voor betrokkene op de arbeidsmarkt aanzienlijk minder zijn dan bij iemand zonder beperkingen. Er is sprake van een economische kwetsbaarheid. Betrokken kan immers niet al het werk aannemen waarvoor zij is opgeleid, maar zal per functie waarop zij wil solliciteren moeten kijken of dit haar belastbaarheid niet overschrijdt. Hier zal van tevoren een inschatting van gemaakt moeten worden (zie ook hoofdstuk 6., paragraaf 6.7.2).
Vraag 2
De vraag over de prognose is niet door de rechtbank aan de medisch adviseur gesteld. Daarom valt daarover door mij niet in een antwoord te voorzien.
Vraag 3
Ervan uitgaande dat betrokkene in een situatie met misbruik een baan kan krijgen die binnen haar belastbaarheid valt, bijvoorbeeld bij een gemeente of een andere instelling/organisatie die goed passend is, zou zij 36 uur per week kunnen werken. Als de salarisschaal van de gemeente wordt aangehouden, kom ik tot de volgende uitkomst: er zijn 3 salarisschalen waarvan het aannemelijk is dat betrokkene daarin terecht kan komen (schaal 8, 9, 10). Dit is van tevoren echter niet bekend, daarom kies ik ervoor om het gemiddelde aan te houden, zijnde schaal 9. Ik verwijs hiervoor naar hoofdstuk 6, paragraaf 6.7.2 van deze rapportage.
Vraag 4
Betrokkene zou waarschijnlijk in een situatie zonder misbruik eveneens een hbo-opleiding hebben gevolgd. Welke dit in een situatie zonder misbruik geweest zou zijn is niet duidelijk. Betrokkene begon aanvankelijk, mogelijk door het misbruik ingegeven aan de hbo-opleiding recht. Zij moest dit stoppen vanwege het psychisch trauma en maakte toen de overstap naar hbo commerciële economie. Dit heb ik als verdere basis genomen voor het hypothetische carrièreverloop.
Betrokkene zou dan waarschijnlijk in 2014 op 21-jarige leeftijd op de arbeidsmarkt zijn terechtgekomen in een hbo-functie. Waarschijnlijk had zij dan fulltime gewerkt en omdat betrokkene ambitieus lijkt te zijn is het niet onwaarschijnlijk dat zij dan bij een commerciële organisatie, waarbij er wel aandacht is voor duurzaam ondernemen, was terechtgekomen. Betrokkene zou dan waarschijnlijk sneller carrière hebben kunnen maken dan dit nu in een situatie met misbruik te verwachten is. In een commerciële omgeving is doorgaans een hoger salaris te bereiken dan bij een overheid vanwege de extra emolumenten als een bonus, winstuitkering, bedrijfsauto. Deze zijn per bedrijf verschillend en afhankelijk van de bedrijfsafspraken.
De bandbreedte tussen de hbo-salarissen in een commerciële omgeving kan groot zijn. Ik ben daarom uit gegaan van het gemiddelde van de door mij geraadpleegde bronnen. Zie hiervoor hoofdstuk 6.8.2.
Vraag 5
Of de verdiencapaciteit van betrokkene verhoogd kan worden dooraanvullende opleidingen is op dit moment niet duidelijk. Betrokkene volgt momenteel een hbo-opleiding en dat gaat goed. Zij is bezig met het 3e jaar en wil aansluitend aan dit jaar nog 1 jaar verder studeren om haar minor te halen. Er is op dit moment geen indicatie dat dit niet gaat lukken. Betrokkene volgt het ‘normale’ studieprogramma en hier zijn geen extra kosten mee gemoeid. Aanvullende opleidingen zijn op dit moment niet aan de orde.
Vraag 6
Op dit moment is betrokkene nog studerend en dit gaat goed. Daarom is arbeidsbegeleiding op dit moment niet aan de orde. Op het moment dat betrokkene ‘klaar is voor de arbeidsmarkt’ en daadwerkelijk gaat solliciteren adviseer ik arbeidsbegeleiding in te zetten en samen met een arbeidsdeskundige te zoeken naar functies die binnen de belastbaarheid van betrokkene vallen.
Een indicatie voor een dergelijke begeleiding is een periode van bijvoorbeeld een half jaar met een aantal contactmomenten. Ook zou er in dit kader nog een affiniteiten- en capaciteitentest kunnen worden verricht. Dan kan specifiek gekeken worden naar datgene waar betrokkene goed in is en hierop kan dan ook gefocust worden bij het zoeken naar werk. Er vindt dan een gerichte keuze plaats naar passend werk, niet alleen de aansluiting bij het niveau van de opleiding en belastbaarheid, maar ook datgene wat het best past bij de karaktereigenschappen en talenten van iemand. De kosten van een dergelijke test bedragen circa € 900,--.
Een indicatie voor de arbeidsbegeleiding voor de periode voor een half jaar is:
- -
4 gesprekken van 1 uur, uurtarief € 177,--
- -
reistijd, 8 uur
- -
telefonisch en e-mailcontacten, 2 uur
- -
rapportages, 6 uur
Totaal circa 24 uur x € 177,-- = € 4.248, exclusief 21% btw.
Het doel en streven van de arbeidsbegeleiding is erop gericht om de arbeidscapaciteit van betrokkene zo optimaal mogelijk te benutten, hetgeen dan ook inhoudt dat er gestreefd wordt naar een maximale verdiencapaciteit binnen de mogelijkheden.
Vraag 7
Voor de conclusie van het intelligentieonderzoek verwijs ik naar hoofdstuk 4. Voorts heb ik van betrokkene de uitkomst van de Cito-score ontvangen welke zij in groep 8 van het basisonderwijs verricht heeft. De intelligentietest geeft aan dat betrokken op ‘gemiddeld’ niveau functioneert, vanuit de Cito-score werd een havo-advies gegeven.
Omdat er onder andere sprake is van concentratieproblemen en vermoeidheid als ook spanning en stressklachten (zie hiervoor ook de functionele mogelijkhedenlijst) welke gerelateerd worden aan het seksuele misbruik is het aannemelijk dat betrokkene zonder seksueel misbruik beter gepresteerd zou hebben op zowel de Cito-score als de intelligentietest. Ik verwijs voorts naar hoofdstuk 6 de paragrafen 6.3 en 6.4 van deze rapportage voor de beantwoording van deze vraag.
Vraag 8
Ik verwijs hiervoor naar de paragrafen 2.1 en hoofdstuk 6, paragraaf 6.2 t/m 6.6 van deze rapportage. Betrokkene heeft hinder ondervonden van het seksueel misbruik en het is aannemelijk dat dit effect had op haar schoolprestaties.
Vraag 9
Een vwo-studie middels deelcertificaten ligt op basis van de uitkomst van de intelligentietest en ook op basis van de Cito-score, Entreetoets en het schooladvies van havo niet in de lijn der verwachting. Betrokkene laat nu, in een situatie met misbruik, zien dat zij een havo en hbo-opleiding aankan.
Alleen intelligentie is niet leidend, ook eigenschappen als doelgerichtheid, wilskracht en doorzettingsvermogen kunnen iemand ver brengen, maar op grond van objectieve testgegevens is de kans benedengemiddeld. Zie hiervoor ook hoofdstuk 6, paragrafen 6.4 t/m 6.6.
Vraag 10
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 9. Op grond van de uitkomst van de intelligentietest is het niet aannemelijk dat een universitaire opleiding tot de mogelijkheden behoort. Echter, helemaal uitsluiten kan ik dit niet omdat betrokkene nu in de praktijk laat zien dat zij een ook hbo-opleiding kan volgen ondanks beperkingen en een intelligentiescore van gemiddeld 100. De kans is vanwege de testuitkomsten wel benedengemiddeld. Zie ook hoofdstuk 6, paragrafen 6.4 t/m 6.6.
Vraag 11
Nee, er zijn geen andere punten die ik naar voren wil brengen.
2.5.
[eiseres] heeft bij akte haar eis gewijzigd zodat deze thans luidt:
- 1.
te verklaren voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de letselschade van [eiseres] ontstaan als gevolg van de ontuchtige handelingen door [gedaagde] waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld bij vonnis d.d. 24 januari 2006, alsook te verklaren voor recht dat causaal verband bestaat tussen de letselschade en het ontuchtige handelen;
- 2.
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen alle door haar geleden en nog te lijden letselschade ad € 88.715,03 zijnde de totale schade, althans de totale schade voor zover mogelijk bij begroting vast te stellen dan wel nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de artikelen 612 e.v. Rv, althans een ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie bepaalt;
- 3.
te bepalen dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door [gedaagde] wordt verstrekt ter meerdere zekerheid van [eiseres] voor eventuele fiscale navorderingen;
- 4.
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle toegewezen schadeposten vanaf 1 januari 2000, althans enige andere datum die de rechtbank in goede justitie zal bepalen, tot aan de dag der algehele voldoening;
- 5.
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten vermeerderd met de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten;
- 6.
te bepalen dat het vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad is.
2.6.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 december 2012 al een oordeel gegeven over het sub 1 gevorderde alsmede in hoeverre deze vordering toewijsbaar is.
2.7.
De vordering sub 2 is als volgt samengesteld: een gevorderd bedrag van
€ 33.431,32 (zoals door [eiseres] gespecificeerd in de producties 4.1 tot en met 4.7 bij dagvaarding), een bedrag van € 52.923,00 (verlies arbeidsvermogen en/of studievertraging) en een bedrag van € 2.360,71 (nota Cunningham Lindsey).
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 12 december 2012 in de rechtsoverwegingen 4.5., 4.6. en 4.8. al (deels) geoordeeld over de afzonderlijke posten van het gevorderde bedrag van € 33.431,32. Thans zijn eerst aan de orde de gevorderde bedragen van
€ 52.923,00 en € 2.360,71.
2.8.
Met betrekking tot de verdiencapaciteit van [eiseres] komen de bevindingen van de deskundige Grimm er op neer dat in de huidige situatie na seksueel misbruik [eiseres] in 2016 op 23-jarige leeftijd op de arbeidsmarkt zal terechtkomen, met beperkingen. Vanuit de functionele mogelijkhedenlijst komt naar voren dat [eiseres] is aangewezen op werkzaamheden voor ongeveer 8 uur per dag, gedurende 36 uur per week, waarbij er in het midden van de week een recuperatiemoment van circa 4 uur is. De deskundige schat in dat het werken bij een overheidsorganisatie of instelling beter passend zal zijn dan het werken in een commerciële omgeving, omdat er minder commerciële druk is en een fulltime werkweek bij de overheid gebaseerd is op 36 uur. In een commerciële organisatie wordt in de branche waar [eiseres] gelet op haar opleiding zal zijn doorgaans meer flexibiliteit gevraagd en geen ‘9-tot-5-mentaliteit’. Dit leidt tot hypothetische verdiencapaciteit tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 44 jaar arbeid in schaal 9.
In een situatie zonder misbruik zou [eiseres] waarschijnlijk in 2014 op 21-jarige leeftijd in een hbo-functie op de arbeidsmarkt zijn terechtgekomen, waarschijnlijk fulltime in een commerciële organisatie, aldus de deskundige. De deskundige gaat daarbij uit van een aanvangssalaris van gemiddeld € 2.065 bruto per maand met een uitloop naar gemiddeld
€ 3.650,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld, eventuele 13e maand en andere emolumenten, tot aan de pensioengerechtigde leeftijd van 67 jaar.
2.9.
[eiseres] kan zich verenigen met de inhoud van de rapporten van Fekkes, Haarsma en Grimm. Op basis van de bevindingen van de deskundige Grimm heeft [eiseres] de door haar geleden schade wegens verlies aan arbeidsvermogen inclusief pensioenschade en/of studievertraging laten berekenen door (de heer J. Tiemersma, senior rekenkundig expert van) Cunningham Lindsey. Dit levert een schade op van € 52.923,00.
2.10.
[gedaagde] bestrijdt dat [eiseres] als gevolg van het onrechtmatig handelen twee jaar later op de arbeidsmarkt komt dan in de hypothetische situatie zonder misbruik het geval zou zijn geweest. Er is volgens [gedaagde] geen causaal verband tussen het doubleren op de basisschool door [eiseres] en het onrechtmatig handelen van [gedaagde] in 1999/2000, nu het doubleren al plaats vond vóór het misbruik, nu niet kan worden uitgesloten dat [eiseres] acht jaar was ten tijde van het misbruik. Verder zijn er genoeg kinderen die een keer blijven zitten op de basisschool zonder dat sprake is van misbruik. Voorts betoogt [gedaagde] dat er geen causaal verband is tussen het door [eiseres] wisselen van studie na de middelbare school en de onrechtmatige daad van [gedaagde] in 1999/2000. Er zijn vele onderzoeken geweest naar het wisselen van studie en de oorzaak hiervan. Uit de verschillende onderzoeken blijkt dat studenten afkomstig van de Havo vaker van studie wisselen van studenten afkomstig van het Vwo. Hieromtrent oordeelt de rechtbank als volgt.
2.11.
[eiseres] is geboren op 16 september 1992. Het misbruik heeft plaatsgevonden in de zomer van 1999 of 2000. [eiseres] was in de zomer van 1999 dus zes jaar en in de zomer van 2000 zeven jaar. Uit productie 12-8 bij akte overlegging producties d.d. 7 december 2011 blijkt dat [eiseres] in het schooljaar 1999-2000 (toen ze zeven jaar was) in groep 4 zat en toen aan het eind van het schooljaar is blijven zitten. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee voldoende vast dat [eiseres] ten tijde van het misbruik zes of zeven jaar was en toen in groep 3 of 4 van de basisschool zat. Hiermee staat het causaal verband tussen het misbruik en het doubleren eveneens voldoende vast, nu immers in casu plaats is voor een ruime toerekening van schade (zie ook rechtsoverweging 4.4. van het tussenvonnis van 12 december 2012 en HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624).
Ten aanzien van de vervolgstudie HBO na de middelbare school luidt de inhoud van het rapport van de deskundige, als volgt:
Betrokkene startte na de havo aanvankelijk met de opleiding hbo Recht. Tijdens het gesprek gaf zij aan dat zij deze studie was gaan volgen omdat zij mensen ‘wilde helpen hun recht te halen’. Of zij deze studie ook gevolgd zou hebben in geval er geen sprake was geweest van misbruik is niet duidelijk. Zij had geen specifiek beroepsbeeld voor ogen zo bleek mij uit het gesprek. Omdat betrokkene dusdanig teleurgesteld was in het rechtssysteem en afhandeling van haar eigen gerechtelijk proces stopte zij er na een aantal weken mee en ging werken in de thuiszorg. Het daaropvolgende schooljaar is zij in Zwolle gestart met de opleiding hbo Commerciële Economie.
Haar propedeuse heeft zij in Zwolle gehaald en vanaf het 2e jaar volgde betrokkene de studie in Groningen, waar zij momenteel in het 3e schooljaar zit. De studie verloopt volgens plan en volgend jaar hoopt betrokkene af te studeren. Nadien wil zij nog een Minor volgen, betrokkene weet nog niet welke.
Op basis van de schoolgegevens en datgene wat betrokkene in de praktijk ‘laat zien’ gerelateerd aan de klachten en beperkingen die er zijn (…), ben ik van mening dat het aannemelijk is dat zij in een situatie zonder seksueel misbruik beter gepresteerd zou hebben op school en makkelijker de totale schoolperiode zou zijn doorlopen. Ook is het aannemelijk dat zij dan geen problemen gehad zou hebben met de opleiding hbo-Recht, deze sloot goed aan op het schoolprofiel op de havo en er zou dan geen relatie zou liggen tussen het seksueel misbruik met de juridische afhandeling, hetgeen nu wel het geval is.
Door deze situatie heeft betrokkene tot nu toe een studie achterstand opgelopen van 2 jaar en hierdoor is zij ook 2 jaar later beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Immers, zij doubleerde in groep 4 van de basisschool en voorts heeft zij een jaar ‘verloren’ in de periode dat zij de overstap maakte van de hbo-opleiding Recht naar hbo Commerciële Economie.
De rechtbank volgt de deskundige hierin en oordeelt dat voldoende vaststaat dat [eiseres] als gevolg van het misbruik een jaar heeft verloren in de periode dat zij de overstap maakte van HBO Recht naar HBO Commerciële Economie. De rechtbank gaat er in haar verder beoordeling dan ook van uit dat [eiseres] als gevolg van het misbruik twee jaar later op de arbeidsmarkt zal komen dan in de hypothetische situatie zonder misbruik het geval zou zijn geweest.
2.12.
Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de overige bevindingen van de deskundige Grimm kan het rapport van de deskundige als uitgangspunt dienen voor de berekening van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen en studievertraging, zoals is gebeurd in het rapport van Cunningham Lindsey (zie 2.7.) [gedaagde] heeft deze berekening laten controleren door (ing. E.J. Bakker van) Het RekenBureau. Het RekenBureau heeft een aantal “onvolkomenheden” geconstateerd in het rapport van Cunningham Lindsey en correcties toegepast welke deels een schadeverhogend effect hebben en deels een schadeverlagend effect. Het RekenBureau komt na deze correcties op een schadebedrag van
€ 52.603,00, derhalve iets lager dan het door Cunningham Lindsey berekende bedrag van
€ 52.923,00. De rechtbank zal [eiseres] in de gelegenheid stellen zich over het door het RekenBureau berekende (relatief geringe) verschil uit te laten.
2.13.
Het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 2.360,71 wegens de kosten voor het inschakelen van Cunningham Lindsey is toewijsbaar.
2.14.
[gedaagde] betoogt dat de inkomsten die [eiseres] heeft genoten uit de baan in 2010 en 2011 (het jaar studievertraging) moeten worden verrekend. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin. Uit het deskundigenrapport van Grimm blijkt dat [eiseres] gedurende dit jaar is gaan werken in de thuiszorg. Het is redelijk, nu een deel van de schade betrekking heeft op niet genoten inkomsten wegens (een jaar) studievertraging, dat hierop in mindering komt het bedrag dat in dat verloren studiejaar door [eiseres] (extra) is verdiend, boven het inkomen van circa
€ 958,00 netto dat zij als student heeft (zie 2.3 van het rapport van de deskundige Grimm en het antwoord op vraag 1). De rechtbank zal [eiseres] in de gelegenheid stellen stukken (salarisstrookjes o.i.d.) in het geding te brengen waaruit blijkt welke inkomsten zij heeft gehad vanaf het ogenblik dat zij gestopt is met de studie HBO Recht tot het moment dat zij met de studie HBO Commerciële Economie is begonnen.
2.15.
[eiseres] vordert thans niet meer het aanvankelijk bij dagvaarding onder de noemer “buitengerechtelijke incassokosten” genoemde bedrag van € 4.598,18. Wel vordert [eiseres] nog een bedrag van € 4.871,82 (productie 4.5 bij dagvaarding, deel uitmakend van de “totale schade” van € 33.431,32, productie 4.7 bij dagvaarding). Hierop is door de rechtbank nog geen beslissing genomen. Het bedrag is samengesteld uit een bedrag van € 4.100,68 wegens kosten rechtsbijstand (advocaat) en € 771,14 wegens medische adviezen (facturen 4.42 t/m 4.45).
Het bedrag van € 771,14 is toewijsbaar. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de kosten betrekking hebben op het misbruik, nu het betreft op verzoek van de raadsman van [eiseres] uitgebrachte medische adviezen.
Het bedrag van € 4.100,68 is niet volledig toewijsbaar. Uit de specificatie (productie 8 bij dagvaarding) blijkt dat de kosten voor een deel betrekking hebben op werkzaamheden die verband houden met de voorbereiding van de procedure, zoals “schadestaat bewerken”. Wel staat voldoende vast dat buitengerechtelijk incassokosten zijn gemaakt. De rechtbank zal een bedrag van
€ 1.788,00 toewijzen, gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.
2.16.
Het bovenstaande leidt er toe dat van het gevorderde bedrag van € 33.431,32 (waaronder een bedrag van € 9.376,00 wegens wettelijk rente is gevorderd) aan hoofdsom toewijsbaar is € 9.533,04 (€ 460,30 + € 623,20 + € 2.290,40 + € 850,00 + € 500,00 + € 2.250,00 + €771,14 + € 1.788,00). Hierop komt in mindering de door [gedaagde] aan [eiseres] betaalde voorschotten van € 290,66 en € 2.500,00, zodat resteert toe te wijzen € 6.742,38.
2.17.
Met betrekking tot de vordering sub 3 is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] er belang bij heeft dat er een belastinggarantie door [gedaagde] wordt afgegeven. De vordering sub 3 te bepalen dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door [gedaagde] wordt verstrekt ter meerdere zekerheid van [eiseres] voor eventuele fiscale navorderingen, kan niet als zodanig worden toegewezen nu de tekst van de bankgarantie ontbreekt en het niet op de weg van de rechtbank ligt deze te formuleren. De rechtbank stelt [eiseres] in de gelegenheid bij akte aan te geven hoe de tekst van de door [gedaagde] af te geven bankgarantie moet luiden.
2.18.
De wettelijke rente is als volgt toewijsbaar:
Over het smartengeld van € 2.250,00 is wettelijke rente toewijsbaar vanaf 1 januari 2001, zoals gevorderd. Wel dient bij de berekening van de wettelijke rente in aanmerking te worden genomen dat op 30 januari 2006 een bedrag van € 290,66 en op 27 juli 2009 een bedrag van € 2.500,00 door [gedaagde] aan [eiseres] is voldaan (zie productie 18.2 bij conclusie van repliek).
Met betrekking tot de overige posten van het bedrag van € 9.533,04 zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen als volgt, waarbij de rechtbank rekening houdt met het feit dat het (deels) verschillende nota’s c.q. kosten betreft over meerdere jaren:
- -
Kosten alternatieve geneeswijzen vanaf 1 juni 2009 over het bedrag van € 460,30;
- -
Eigen bijdrage psychotherapie bij C. Both-Kooyman vanaf 1 juli 2006 over het bedrag van € 623,20;
- -
Reiskosten/kilometers vanaf 1 januari 2008 over een bedrag van € 2.290,40;
- -
Eigen risico zorgverzekering vanaf 1 juli 2013 over een bedrag van € 850,00;
- -
Medicijnkosten en reiskosten voor de toekomst vanaf 1 januari 2015.
De wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag van € 2.360,71 wegens de kosten voor het inschakelen van Cunningham Lindsey is toewijsbaar vanaf 1 september 2014.
Voor het toe te wijzen bedrag wegens verlies aan arbeidsvermogen zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 januari 2015.
De rechtbank verzoekt [eiseres] bij akte een (hernieuwde) renteberekening in het geding te brengen over de verschenen rente tot 1 januari 2015.
2.19.
De conclusie is dat de zaak naar de rol zal moeten worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres].
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 januari 2015 voor het nemen van een akte door [eiseres] over hetgeen is vermeld onder 2.12, 2.14, 2.17 en 2.18, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.