NJ 1947/131
Non bis in idem? Veroordeeling door de Duitsche bezettende macht. Eigen waarneming van een getuige. Welke voorloopige hechtenis komt in mindering? Het begrip „onder zich hebben" in art. 321 Sr.
HR 25-06-1946, ECLI:NL:HR:1946:40, m.nt. Prof. Mr. W.P.J. Pompe
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 juni 1946
- Magistraten
Mrs. Fick, van der Meulen, Sinninghe Damsté, Hijink, van der Flier
- Zaaknummer
[25061946/NJ_1947-131]
- Noot
Prof. Mr. W.P.J. Pompe
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS165328:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1946:40, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑1946
- Wetingang
(Sr. artt. 27, 68, 321; Sv. art. 342.)1
Essentie
Non bis in idem? Veroordeeling door de Duitsche bezettende macht. Eigen waarneming van een getuige. Welke voorloopige hechtenis komt in mindering? Het begrip „onder zich hebben" in art. 321 Sr.
Samenvatting
H. R.: Uit de stukken, waarvan de Hooge Raad kennis neemt, blijkt niet van een veroordeeling van requirant ter zake van liet-zelfde feit door de bezettende Duitsche macht.
Adv.-Gen. Jhr. v. Asch v. Wijck; Een Duitsche vervolging staai aan een Nederlandsche vervolging niet in den. weg, ook niet een beslissing van den Duitschen rechter in bezettingstijd in. liet bezette gebied.
De als bewijsmiddel gebezigde getuigeverklaring ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.