Einde inhoudsopgave
Richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op horizontale samenwerkingsovereenkomsten
1.3 Verhouding tot andere handvatten, wetgeving en rechtspraak
Geldend
Geldend vanaf 21-07-2023
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van het Publicatieblad.
- Bronpublicatie:
21-07-2023, PbEU 2023, C 259 (uitgifte: 21-07-2023, regelingnummer: 2023/C 259/01)
- Inwerkingtreding
21-07-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
21-07-2023, PbEU 2023, C 259 (uitgifte: 21-07-2023, regelingnummer: 2023/C 259/01)
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / EU-mededingingsrecht
43
Overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen die actief zijn op verschillende niveaus van de productie- of distributieketen, dat wil zeggen verticale overeenkomsten, vallen over het algemeen onder de Verordening (EU) 2022/720 van de Commissie (1) (‘VGVV’) en de mededeling van de Commissie — Bekendmaking van de Commissie — Richtsnoeren inzake verticale beperkingen (2) (‘verticale richtsnoeren’). Wanneer verticale overeenkomsten tussen concurrenten worden gesloten, kunnen deze echter mededingingsbezwaren doen rijzen die vergelijkbaar zijn met die van horizontale overeenkomsten. Om die reden kunnen verticale overeenkomsten tussen concurrenten in het algemeen niet in aanmerking komen voor toepassing van de VGVV(3) en moeten zij eerst worden beoordeeld aan de hand van deze richtsnoeren. Wanneer die beoordeling tot de conclusie leidt dat de overeenkomst geen aanleiding geeft tot horizontale bezwaren, moeten eventuele verticale beperkingen in de overeenkomst bovendien worden beoordeeld aan de hand van de verticale richtsnoeren.
44
Indien in deze richtsnoeren sprake is van de relevante markt, biedt de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (4) (‘bekendmaking marktbepaling’) de nodige houvast wat betreft regels, criteria en bewijsmateriaal waarop de Commissie zich baseert om relevante markten te definiëren. Deze bekendmaking en eventuele toekomstige handvatten van de Commissie betreffende de bepaling van relevante markten voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht moeten daarom in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van horizontale samenwerkingsovereenkomsten op grond van artikel 101.
45
Hoewel in deze richtsnoeren kartels ter sprake komen, zijn zij niet bedoeld als leidraad om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een kartel zoals bepaald door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de besluitvormingspraktijk van de Commissie.
46
Deze richtsnoeren zijn van toepassing op de meest gangbare soorten horizontale samenwerkingsovereenkomsten, ongeacht het niveau van integratie dat daarmee wordt bereikt, met uitzondering van transacties die een concentratie vormen in de zin van artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (5) (‘concentratieverordening’). De concentratieverordening is bijvoorbeeld van toepassing op de oprichting van gemeenschappelijke ondernemingen die duurzaam alle functies van een zelfstandige economische entiteit vervullen (‘volwaardige gemeenschappelijke ondernemingen’) (6).
47
Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op overeenkomsten, besluiten van verenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van producenten van landbouwproducten die betrekking hebben op de productie van of de handel in landbouwproducten en die tot doel hebben een duurzaamheidsnorm toe te passen die strenger is dan de Uniewetgeving of de nationale wetgeving voorschrijft, en die op grond van artikel 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn vrijgesteld van artikel 101, lid 1. Deze richtsnoeren doen geen afbreuk aan de richtsnoeren die de Commissie kan uitvaardigen op grond van artikel 210 bis, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Overeenkomsten, besluiten van verenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van producenten van landbouwproducten die betrekking hebben op de productie van of de handel in landbouwproducten en die niet aan de voorwaarden van artikel 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 voldoen, vallen echter onder artikel 101, lid 1.
48
De beoordeling op grond van artikel 101 zoals beschreven in deze richtsnoeren laat de eventuele parallelle toepassing van artikel 102 van het Verdrag op horizontale samenwerkingsovereenkomsten onverlet (8).
49
Deze richtsnoeren laten de eventuele uitlegging van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de toepassing van artikel 101 op horizontale samenwerkingsovereenkomsten onverlet.
50
Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing voor zover sectorspecifieke regels van toepassing zijn, zoals het geval is voor bepaalde overeenkomsten op het gebied van landbouw (9) of vervoer (10). De Commissie zal, op basis van de door belanghebbenden en nationale mededingingsautoriteiten verstrekte marktinformatie, de uitvoering van de O&O-GVV en de specialisatie-GVV en deze richtsnoeren blijven monitoren en kan deze richtsnoeren herzien in het licht van toekomstige ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht.
Voetnoten
Verordening (EU) 2022/720 van de Commissie van 10 mei 2022 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 134 van 11.5.2022, blz. 4).
PB C 248 van 30.6.2022, blz. 1.
Als uitzondering op deze regel kunnen verticale overeenkomsten tussen concurrenten in aanmerking komen voor toepassing van de VGVV wanneer de overeenkomst niet wederkerig is en ofwel i) de leverancier op het upstreamniveau actief is als fabrikant, importeur of groothandelaar en op het downstreamniveau als importeur, groothandelaar of detailhandelaar van goederen, terwijl de afnemer een importeur, groothandelaar of detailhandelaar op het downstreamniveau is, en geen concurrerende onderneming is op het upstreamniveau waar hij de contractgoederen koopt, of ii) de leverancier een aanbieder is van diensten op verschillende handelsniveaus, terwijl de afnemer zijn diensten aanbiedt op detailhandelsniveau en geen concurrerende onderneming is op het handelsniveau waarop hij de contractdiensten koopt (zie artikel 2, lid 4, VGVV).
Bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB C 372 van 9.12.1997, blz. 5).
Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).
Zie artikel 3, lid 4, van de concentratieverordening. Om na te gaan of er sprake is van een volwaardige gemeenschappelijke onderneming, onderzoekt de Commissie of de gemeenschappelijke onderneming in operationeel opzicht economisch zelfstandig is. Dit betekent niet dat zij zelfstandig ten opzichte van haar moedermaatschappij is wat de goedkeuring van haar strategische beslissingen betreft (zie de geconsolideerde mededeling van de Commissie over bevoegdheidskwesties op grond van Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB C 95 van 16.4.2008, blz. 1, punten 91–109 (‘geconsolideerde mededeling bevoegdheidskwesties’)). Daarnaast zij er ook aan herinnerd dat indien de oprichting van een gemeenschappelijke onderneming die een concentratie vormt op grond van artikel 3 van de concentratieverordening de coördinatie beoogt of tot stand brengt van het concurrentiegedrag van ondernemingen die onafhankelijk blijven, die coördinatie beoordeeld wordt op grond van artikel 101 van het Verdrag (zie artikel 2, lid 4, van de EG-concentratieverordening).
Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671). Zie voor de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).
Zie arrest van het Gerecht van 10 juli 1990, Tetra Pak/Commissie, T-51/89, ECLI:EU:T:1990:41, punt 25 e.v.
Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7).
Verordening (EG) nr. 169/2009 van de Raad van 26 februari 2009 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 61 van 5.3.2009, blz. 1), en Verordening (EG) nr. 906/2009 van de Commissie van 28 september 2009 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op bepaalde groepen overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen lijnvaartondernemingen (consortia) (PB L 256 van 29.9.2009, blz. 31).