Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IV.2.1
IV.2.1 Geen feitelijk vermoeden
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602078:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie www.vandale.nl, laatst geraadpleegd op 30 augustus 2017. Zie ook Ulväng 2013, p. 210; Stuckenberg 2014, p. 305.
Het onderscheid tussen presumptions of fact en presumptions of law komt ook terug in de EHRM-rechtspraak, zie bijv. EHRM 25 september 1992, 13191/87, NJ 1995, 593, m.nt. Alkema (Pham Hoang/Frankrijk) en daarover § V.8.3. Zie over de functies en werking van vermoedens uitgebreid Kaiser 1955; Wróblewski 1974; Tophinke 2000, p. 166 e.v. en de Nederlandse civielrechtelijke literatuur, zoals Giesen 2001, p. 66; Asser 2013, p. 326 e.v.
De typering als intellectueel gedachtesprongetje werd ontleend aan Strijards 1989, p. 52.
Strijards 1989, p. 52-53 onderscheidt strikt tussen deze gevolgtrekkingen enerzijds en voorshandse aannames als de verdenking anderzijds. De functie van deze vermoedens is inderdaad wezenlijk verschillend, maar de structuur en empirische grondslag komen overeen.
Vgl. Wróblewski 1974, p. 66.
Tophinke 2000, p. 170; Stuckenberg 2014, p. 305.
Zo zal de rechter die vaststelt dat de verdachte een pistool op een ander richtte en de trekker overhaalde – behoudens contra-indicaties – vermoeden dat de kans op een ernstig gevolg daarvan bewust is aanvaard (zie bijv. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3349, NJ 2016, 59, m.nt. Keijzer). Direct bewijs is het echter niet, en aanwijzingen voor het tegendeel kunnen het vermoeden op losse schroeven zetten (zie ter illustratie Hof Den Bosch 12 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4515, waarin de verdachte wist dat het wapen dat hij op het hoofd van een opsporingsambtenaar richtte buiten werking was). Ook ten gunste van de verdachte komen dergelijke vermoedens overigens voor: de rechter die vaststelt dat de verdachte een uur voor het in Amsterdam gepleegde delict in Rotterdam was, zal daaraan behoudens aanwijzingen voor het tegen- deel de conclusie verbinden dat de verdachte op het moment van het delict niet in Amsterdam was.
Aldus ook Tophinke 2000, p. 190; Weigend 2013, p. 194.
Zo o.a. ook Packer 1968, p. 161, p. 167; Keijzer 1987, p. 243; Stevens, ‘Art. 271 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen,aant. 7.1; Van Sliedregt 2009, p. 33; De Jong & Van Lent 2013, p. 272. Om die reden afwijzend over de behandelingsdimensie zijn onder andere Manzini 1970, p. 226; Laudan 2005, p. 337; Laudan 2006, p. 95.
Een belangrijke bron van verwarring en onduidelijkheid over de precieze betekenis van de behandelingsdimensie is de gebruikelijke formulering van de onschuldpresumptie. Iemand wordt ‘vermoed’, ‘geacht’ of ‘ervoor gehouden’ onschuldig te zijn.
Vermoeden betekent in het normale spraakgebruik ‘iets waarschijnlijk achten’.1 Van een vermoeden is in die zin sprake wanneer één of meerdere feiten of omstandigheden een ander feit waarschijnlijk maken, doordat tussen de vastgestelde en de vermoede feiten een causaal of statistisch verband wordt verondersteld. Deze veronderstelling impliceert – anders dan wetenschap – dat nog rekening ermee wordt gehouden dat de zaken anders liggen dan voorlopig is aan te nemen. Op dergelijke wijze manifesteert zich in de strafvordering bijvoorbeeld het redelijk vermoeden van schuld als neergelegd in artikel 27 Sv.
In meer technisch-juridische zin pleegt onderscheid te worden gemaakt tussen feitelijke presumpties (in juristenlatijn: praesumptiones hominis) en rechtspresumpties (presumptiones iuris).2 De feitelijke presumpties worden niet door het recht voorgeschreven, maar zijn een ‘intellectueel gedachtesprongetje’ van degene die zich ervan bedient.3 Zij worden vooral gebruikt bij de bewijswaardering en hebben veel gemeen met vermoedens zoals zij in het normale spraakgebruik voorkomen.4 Het gaat namelijk om inductieve gevolgtrekkingen op grond van statistiek, ervaringsregels of logica die de waarheidsvinder nodig heeft om uit de vastgestelde feiten een ander – vaak niet of nauwelijks vast te stellen – feit te bewijzen.5 Het zijn assumpties over de werkelijkheid.6 Het gebruik van deze vermoedens valt vaak nauwelijks op, vanwege de grote vanzelfsprekendheid waarmee dit gebeurt.7
De behandelingsdimensie is noch een vermoeden in de reguliere zin van het woord, noch een praesumptio hominis. De onschuldpresumptie laat zich namelijk niet als een waarschijnlijkheidsassumptie over de werkelijkheid interpreteren.8 Zodra een verdenking of zelfs ernstige bezwaren bestaan, is een feitelijk, op empirie gebaseerd onschuldvermoeden daarmee niet te verenigen.9 De onschuldpresumptie komt echter juist toe aan verdachten en zelfs aan op heterdaad betrapten. Van hen kan niet worden volgehouden dat hun onschuld waarschijnlijk wordt geacht.