NJB 2024/2160:Mediation als relevante omstandigheid voor de sanctietoemeting, art. 51h lid 2 Sv: uit deze bepaling volgt niet dat de rechter steeds verplicht is om tot strafverlaging over te gaan vanwege de door bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte tot stand gekomen overeenkomst. De Hoge Raad geeft aanwijzingen hoe de rechter bij de beslissing over de oplegging van een straf of maatregel acht slaat op de omstandigheid dat als gevolg van bemiddeling tussen het slachtoffer en de verdachte een overeenkomst tot stand is gekomen. Het is afhankelijk van de aard van de bemiddeling en de inhoud van de overeenkomst of en, zo ja, in welke mate aan die totstandkoming in de concrete omstandigheden van het geval gewicht toekomt bij de straftoemeting en/of de oplegging van een maatregel. De ‘bemiddeling’ in art. 51h lid 2 Sv betreft niet uitsluitend de schadebemiddeling, waarbij tussen het slachtoffer en de verdachte een regeling tot stand wordt gebracht voor de vergoeding van de schade die het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit heeft geleden. Deze bepaling heeft ook betrekking op vormen van bemiddeling die niet, of niet alleen, betrekking hebben op een regeling van de schade, maar die anderszins tot een overeenkomst leiden.