Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.4.4
4.4.4 Geen hoofdzaak: mede-eigendom
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644818:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:166 lid 1: “Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.”
Art. 3:178 BW: “Ieder der deelgenoten, alsmede hij die een beperkt recht op een aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het in de volgende leden bepaalde anders voortvloeit.”
Dit komt overeen met art. 6:166 lid 2: “De aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.”
Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 450.
Van der Grinten, WPNR 1973/5240, p. 515 e.v.
TM, art. 5.2.12., Parl. Gesch. Boek 5, p. 109: Zie ook: Verheul & Verstijlen (2016), p. 81.
Terwijl art. 5:14 lid 1 en lid 3 spreken over een hoofdzaak, gaat lid 2 over het geval waarin geen hoofdzaak is aan te wijzen. In dat geval zijn alle verbonden zaken bestanddelen geworden van de eenheidszaak die na de verbinding is ontstaan.
“Indien geen der zaken als hoofdzaak is aan te merken en zij toebehoren aan verschillende eigenaars, worden deze mede-eigenaars van de nieuwe zaak, ieder voor een aandeel evenredig aan de waarde van de zaak.”
Doordat mede-eigendom ontstaat, zijn de regels over gemeenschap (art. 3:166 BW1 e.v.) van toepassing. De mede-eigenaren zijn deelgenoten in die gemeenschap. De mede-eigenaar kan zelfstandig beschikken over het aandeel. Dat houdt onder andere in dat hij zijn aandeel kan overdragen aan een derde of een deelgenoot.2 Voorts kan hij de verdeling van de gemeenschap vorderen.3 Zoals blijkt uit het laatste gedeelte van art. 5:14 lid 2 BW, is het aandeel van de deelgenoot evenredig aan de waarde van de ingebrachte zaak.4 Stel dat twee buizen die aan verschillende eigenaren toebehoren aan elkaar zijn gelast, dan verkrijgen beide eigenaren een aandeel in het eigendomsrecht dat rust op de langere buis. Als de ene buis vóór de verbinding langer was dan de andere, dan verkrijgt de eigenaar van die buis een groter aandeel in het eigendomsrecht.5 Het eigendomsrecht op de zaak is een nieuw eigendomsrecht.
Van der Grinten heeft betoogd dat de gevallen waarin geen hoofdzaak is aan te wijzen niet onder natrekking vallen, maar onder zaaksvorming.6 Door de verbinding ontstaat immers een nieuwe zaak. In zo’n geval is echter niet altijd sprake van “vorming”. Zaaksvorming onderscheidt zich van natrekking en vermenging niet omdat een nieuwe zaak ontstaat, maar omdat sprake is van substantiële vormende arbeid.
“Het verschil tussen de zogenaamde zaaksvorming (specificatio) en de gevallen in de beide voorgaande artikelen behandeld is niet dat bij de zaaksvorming door menselijke arbeid een nieuwe zaak ontstaat. (…) Het bijzondere bij de specificatie is echter dat daar een vormgeving plaatsvindt en wel een vormgeving die zo belangrijk is, dat de nieuwe zaak voor een aanzienlijk deel zijn waarde aan die vormgeving ontleent.”7
Als twee buizen aan elkaar worden gelast, ontstaat een nieuwe zaak, maar is er niet per definitie een zodanig substantiële vorming aan te pas gekomen dat men kan spreken van zaaksvorming.