Rb. Zeeland-West-Brabant, 30-03-2022, nr. C/02/352459 / HA ZA 18-774
ECLI:NL:RBZWB:2022:1942
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
30-03-2022
- Zaaknummer
C/02/352459 / HA ZA 18-774
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2022:1942, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30‑03‑2022; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBZWB:2020:7211, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18‑11‑2020; (Bodemzaak)
ECLI:NL:RBZWB:2020:7212, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 08‑04‑2020; (Bodemzaak)
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld en nog steeds handelt, doordat het treinspoor nabij de woning van eiser bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor voortdurend het woon- en leefgenot van eiser wordt beperkt. Bewijs van waardevermindering van woning geleverd en toewijzing vordering tot schadevergoeding. Toewijzing vordering tot vergoeding schade wegens gederfd woongenot en immateriële schade. Bewijs van schade aan woning door trillingen van treinverkeer niet geleverd.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Handelsrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/352459 / HA ZA 18-774
Vonnis van 30 maart 2022
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R.H.U. Keizer te Roosendaal,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAILINFRATRUST B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. J.K.M. van der Meché te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] , ProRail en Railinfratrust (gedaagden gezamenlijk ProRail c.s.) genoemd worden.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 18 november 2020
- -
het deskundigenbericht van ing. [naam taxateur] , taxateur, ingekomen op 31 maart 2021
- -
het deskundigenbericht van ir. [deskundige] , [deskundigenbureau] B.V., ingekomen op 30 juni 2021
- -
de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende wijziging van eis van [eiser]
- -
de conclusie van antwoord na deskundigenbericht tevens reactie wijziging van eis van ProRail c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.
[eiser] heeft zijn eis gewijzigd en vordert thans, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht, dat ProRail onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en nog steeds handelt, door sinds omstreeks 2000 althans sinds 24 maart 2012 een treinspoor nabij de woning van [eiser] in gebruik te hebben dat bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor een kans van 4,5 à 5 % bestaat dat de woning van [eiser] beschadigd raakt en voortdurend het woon- en leefgenot van [eiser] beperkt met materiële schade wegens gederfd woongenot en immateriële schade wegens aantasting van zijn persoon tot gevolg;
II. ProRail te veroordelen om aan [eiser] te betalen:a. € 20.000,-- ter vergoeding van de door [eiser] geleden materiële schade wegens waardevermindering van zijn woning;b. € 465,25 ter vergoeding van de door [eiser] geleden materiële schade wegens herstel van 5% van de schade aan zijn woning;c. € 7.500,-- ter vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade;d. € 8.812,-- ter vergoeding van de door [eiser] geleden materiële schade wegens gederfd woongenot in de periode van 24 maart 2012 tot en met 2018;e. € 108,79 voor iedere maand sinds januari 2019 dat de onrechtmatige trillingshinder voortduurt en [eiser] eigenaar blijft van de woning, ter vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële schade wegens gederfd woongenot;
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de eerste aansprakelijkstelling d.d. 28 maart 2017, althans vanaf de datum van dagvaarden;
III. te bepalen dat in de proceskosten nasalaris zal zijn begrepen, alsmede, bij niet tijdige voldoening, de kosten van betekening en wettelijke rente.
2.2.
Nu ProRail c.s. geen processueel verweer heeft gevoerd tegen de wijziging van eis, zal de rechtbank op basis van de gewijzigde eis beslissen.
Herstelkosten wegens schade aan de woning
2.3.
Ir. [deskundige] van [deskundigenbureau] BV (hierna: [deskundige] ) heeft in zijn rapport van 28 juni 2021 naar aanleiding van zijn onderzoek antwoord gegeven op de vragen die de rechtbank hem bij vonnis van 18 november 2020 heeft gesteld. Hij schrijft in zijn rapport dat hij schade heeft vastgesteld in alle buitengevels van de woning van [eiser] , in het schoorsteenkanaal en aan niet-dragende delen. De scheur in het schoorsteenkanaal moet gelet op de roetvorming al meer dan twintig jaar geleden zijn ontstaan. Van de overige schade is niet vast te stellen, wanneer deze is ontstaan.
Aan de hand van door hem uitgevoerde metingen, heeft [deskundige] vastgesteld dat de gemeten trillingen de grenswaarden uit de SBR Richtlijn A op één meetpositie op de begane grond (hoek woonkamer) de grenswaarde met maximaal een factor 1,3 overschrijden. De kans dat passerende (goederen)treinen verantwoordelijk zijn voor de schade is volgens de richtlijn 3,5 à 4 %. Op andere meetposities is geen overschrijding vastgesteld.
Over de oorzaak van de schade schrijft [deskundige] verder:
“De meetresultaten van [expertisebureau] geven aan dat aan de achterzijde van de woning veel lagere trillingsniveaus zijn gemeten dan aan de voorzijde, desondanks is de schade (..) aan de achterzijde van de woning niet minder groot dan aan de voorzijde. Aannemelijk is het dat de trillingen van langsrijdende goederentreinen de schade niet hebben veroorzaakt.
(…)
De woning is gefundeerd op gemetselde poeren, is niet onderheid. Een dergelijke woning heeft veel meer kans op zettingen dan een fundering op palen. Daarnaast is er sprake van een over een deel van de woning gelegen kelder en is er daardoor sprake van een variatie in funderingswijze. Aannemelijk is dat door zettingen gedurende langere tijd scheurvorming is ontslaan. Zoals vermeld is het niet aannemelijk dat schade door trillingen zijn ontstaan.”
Op pagina 12 van zijn rapport, schrijft [deskundige] :
“Gezien de zeer kleine kans op schade vanwege trillingen (alleen op één positie op de begane grond is de kans op schade vanwege trillingen ordegrootte 3,5 à 4%) is de schade die wel aangetroffen is in m.n. de buitengevels (…), naar verwachting veroorzaakt door zettingen die niet het gevolg zijn van trillingen. De schade in de schoorsteen (…) kan ook niet door trillingen worden veroorzaakt.”
In reactie op een vraag van mr. Keizer, antwoordt [deskundige] op pagina 19 van zijn rapport:
“de grenswaarde voor de draagconstructie én onderdelen van de constructie niet behorend tot de draagconstructie van verdiepingen, is hoger dan voor de draagconstructie op begane grondniveau. Daarin zit impliciet de “opslingering” naar bovengelegen verdiepingen. Uit de meetresultaten (…) blijkt dat op de bovenste verdieping inderdaad hogere trillingsniveaus zijn gemeten, maar alleen conform verwachting in de horizontale richtingen. Er is sprake van opslingering. Nogmaals daar is in het onderzoek rekening mee gehouden.”
2.4.
[eiser] stelt dat uit het rapport van [deskundige] volgt dat het niet met zekerheid valt uit te sluiten dat de schade aan zijn woning veroorzaakt is door trillingen van het treinverkeer. Volgens hem is bewezen dat 4,5 à 5 % van de schade wel door de treinen is veroorzaakt. Hij vermindert zijn vordering op dit punt daarom tot 5 % van het oorspronkelijk gevorderde bedrag aan herstelkosten.
2.5.
ProRail c.s. stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van [deskundige] blijkt dat de schade waarvan [eiser] vergoeding vordert (de scheur in het schoorsteenkanaal op zolder en de horizontale scheurvorming in de rechterzijgevel, eveneens ter hoogte van de zolderverdieping) niet door trillingen veroorzaakt kunnen zijn.De bevindingen van [deskundige] geven ook geen aanleiding voor een pro rata verdeling van de schade. Voor een proportionele aansprakelijkheid is ook geen ruimte. [eiser] is er dus volgens ProRail c.s. niet in geslaagd bewijs te leveren van het causaal verband tussen de schade en de treintrillingen.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van [deskundige] niet volgt dat de schade waarvoor [eiser] (deels) vergoeding vordert, is veroorzaakt door trillingen als gevolg van het treinverkeer. [deskundige] merkt weliswaar op dat de kans op schade bij de gemeten trillingen (op de begane grond aan de voorzijde) 3,5 à 4 % bedraagt, maar wijst er ook uitdrukkelijk op dat de schade aan de schoorsteen niet veroorzaakt kan zijn door trillingen. Ten aanzien van de overige scheurvorming heeft [deskundige] aangegeven dat het niet aannemelijk is dat trillingen van langsrijdende goederentreinen die hebben veroorzaakt. [deskundige] wijst er in dit verband op dat de schade aan de achterzijde, waar veel lagere trillingsniveaus zijn gemeten, niet minder groot is dan aan de voorzijde. De oorzaak van de scheurvorming moet volgens [deskundige] gevonden worden in niet door trillingen veroorzaakte zettingen. De conclusie is dan ook dat de gemeten trillingen wel een geringe kans op schade met zich brengen, maar dat niet aannemelijk is dat de huidige schade aan de woning van [eiser] door trillingen is veroorzaakt. [eiser] is er dus niet geslaagd het aan hem op dit punt opgedragen bewijs te leveren. De vordering tot betaling van het bedrag van € 465,25 zal daarom worden afgewezen.
Waardevermindering woning door onrechtmatige trillingshinder
2.7.
Ing. [naam taxateur] , taxateur, (hierna: [naam taxateur] ) heeft op 29 maart 2021 een rapport uitgebracht naar aanleiding van de vragen die de rechtbank hem bij vonnis van 18 november 2020 heeft gesteld. Naar aanleiding van de standpunten van partijen heeft de rechtbank [naam taxateur] daarbij ook gevraagd om - voor zover relevant - de waarde van de woning te bepalen met en zonder de schade zoals omschreven in r.o. 2.3. van het vonnis van 8 april 2020. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder r.o. 2.6. heeft overwogen, volgt dat ProRail niet aansprakelijk is voor de aan de woning vastgestelde schade. Eventuele daaraan gerelateerde aanvullende waardevermindering komt daarom evenmin voor vergoeding in aanmerking. Hetgeen [naam taxateur] daarover heeft geschreven en hetgeen partijen daarover hebben gesteld, laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.
2.8.
[naam taxateur] schrijft in zijn rapport dat hij de waarde van de woning van [eiser] rond de peildatum (6 januari 2021) in de feitelijke situatie, uitgaande van het feitelijke gebruik, taxeert op € 310.875,-- (woning € 132.000,--, waarde helft van de grond rekening houdend met de ligging € 119.250,-- en helft van de grond “normale” ligging € 59.625,--). Er van uitgaande dat er geen trillingshinder als bedoeld in r.o. 4.10 t/m 4.12 van het tussenvonnis van 8 april 2020 wordt ondervonden, taxeert hij de waarde van de woning op € 330.750,-- (woning € 132.000,--, waarde helft van de grond rekening houdend met de ligging € 132.500,-- en waarde helft van de grond “normale” ligging € 66.250,--).
Over trillingen schrijft [naam taxateur] :
“Duidelijk is wel dat bij de woning [adres] de trillingssterkte hoger is dan bij de andere onderzochte woningen aan het spoor door mogelijk slingereffect.Of de mate van trilling bij woning [adres] hoger is dan bij de naastgelegen woningen [straatnaam] 1,2,3,5,6 en 7 is uit de bijgevoegde stukken niet gebleken. En indien dit hoger is hoeveel hoger of zijn er wellicht nog meer woningen met een dergelijke trillingshinder of zelfs nog hogere hinder (…). Interessant is de mate van hinder van de nabij/naast gelegen woningen van de woning nummer 4. Blijkbaar zijn daar geen klachten. Sterker nog deze woningen zijn “gewoon” zonder problemen verkocht.
Als blijkt dat alleen de woning [adres] door het slingereffect een veel hogere trillingsbelasting heeft dan de omringende woningen is dat zeker een nadeel en waarde drukkend. Zeker nu na zoveel correspondentie, procedures dhr. [eiser] de woning te koop zou aanbieden, dit moet melden (…). Bij melding van de hinder zal dat een potentiële koper afschrikken en ook als deze geen probleem heeft met de trillingshinder, dan zal hij of zij hiervan gebruik maken door een lagere bieding te doen (…).
Resumerend constateer ik de volgende feiten:
(…)
- -
recent zijn [straatnaam] 8 en 13 verkocht tegen behoorlijke prijzen respectievelijk € 299.000,-- en€ 350.000,--, woningen met veel kleinere kavel dan nr. 4
- -
als blijkt dat de woning [adres] inderdaad een veel hogere belasting/hinder heeft van de trilling door het treinverkeer en bewoners hierdoor ernstige hinder van ondervinden is er sprake van een waarde drukkend effect, uit de onderzoeken van TNO [deskundigenbureau] en [expertisebureau] kan ik niet afleiden dat deze hinder groter is dan bij de naastgelegen en recent verkochte woningen aan de [straatnaam]
(…)
- -
thans kan ondergetekende geen uitspraak doen over de trillingshinder maar ervan uitgaande dat de woning [adres] inderdaad meer hinder ondervindt dan de andere woningen, wordt de totale waardedaling getaxeerd op circa € 20.000,--
- -
Uit recente transacties blijkt dat de woningen aan de [straatnaam] snel en tegen goede prijzen worden verkocht ondanks de ligging aan het spoor en de drukke N289 een doorgaande weg door [woonplaats] .Ondergetekende heeft met makelaar [makelaar] uit [woonplaats] gesproken omdat deze makelaar recent enkele woningen aan de [straatnaam] heeft verkocht en dicht in deze omgeving kantoor houdt. Hem is niets bekend van trillingen en ziet ook weinig of geen verschil in waarde met vergelijkbare woningen in de omgeving zoals aan de [straatnaam A] . Wel vertelde hij dat er soms aanvankelijk enige aarzeling is vanwege de ligging aan het spoor, maar als de potentiële kopers eenmaal binnen zijn is deze aarzeling snel verdwenen. Binnen is volgens de heer [makelaar] door de aanwezige voorzieningen zoals isolerende beglazing en suskasten (betaald door Prorail) weinig overlast van het treinverkeer”.
2.9.
[eiser] stelt dat met het rapport van [naam taxateur] het bewijs is geleverd dat zijn woning vanwege de als onrechtmatig beoordeelde trillingshinder in waarde is verminderd met een bedrag van € 20.000,--. Dat bij de nabijgelegen woningen aan de [straatnaam] eveneens sprake is van onrechtmatige hinder, is volgens [eiser] niet vast komen te staan. Indien ProRail stelt dat dit wel het geval is, rust de bewijslast van die stelling volgens [eiser] op ProRail.
2.10.
ProRail c.s. stelt dat met het deskundigenbericht van [naam taxateur] niet is bewezen dat sprake is van een waardevermindering van de woning van [eiser] als gevolg van trillingshinder. [naam taxateur] heeft immers niet vastgesteld dat de door hem genoemde voorwaarde voor de waardevermindering, namelijk dat [eiser] meer hinder ondervindt dan zijn buren, is vervuld. Bovendien heeft [naam taxateur] miskend dat hij slechts de onrechtmatige component van de hinder moest wegdenken. In plaats daarvan heeft hij de grondwaarde van het volledige perceel verminderd. De waarde van de woning is volgens [naam taxateur] onveranderd, aldus ProRail c.s. Ook heeft de deskundige volgens ProRail c.s. niet vastgesteld dat het mededelen van de onrechtmatige component van de hinder ertoe leidt dat kopers € 20.000,-- minder voor de woning zullen betalen.
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om ervan uit te gaan dat in de naastgelegen woningen in een zelfde mate trillingshinder wordt ondervonden als in de woning van [eiser] . ProRail en [eiser] hebben zich geen van beiden op het standpunt gesteld dat dit het geval is. [naam taxateur] heeft voor zijn taxatie van de woning van [eiser] aansluiting gezocht bij de vraag- en verkoopprijzen van diverse referentiewoningen die eveneens aan de [straatnaam] te [woonplaats] zijn gelegen. Daarnaast heeft hij gesproken met een ter plaatse bekende makelaar. Uit het rapport van [naam taxateur] leidt de rechtbank af dat hij geen relevant verschil in waarde heeft vastgesteld tussen de referentiewoningen aan de [straatnaam] (waaronder [straatnaam] 3) en de woningen in de directe omgeving, terwijl hij meent dat er bij meer hinder wel degelijk een waardeverminderend effect optreedt. Hieruit en ook uit de mededelingen van de door [naam taxateur] geraadpleegde makelaar kan worden afgeleid dat in andere woningen aan de [straatnaam] geen trillingshinder wordt ervaren. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het rapport van [naam taxateur] daarom voldoende bewijs van de stelling van [eiser] dat de waarde van zijn woning lager is als gevolg van de onrechtmatige trillingshinder. [naam taxateur] heeft het verschil in waarde getaxeerd op € 330.750,-- -/-€ 310.875,-- = € 19.875,--. Dat [naam taxateur] het waardeverschil heeft opgenomen bij de waarde van de grond en niet van de woning zelf, is niet van belang. In antwoord op een daartoe strekkende vraag van mr. Keizer heeft hij daarvoor op pagina 41 van zijn rapport een afdoende verklaring gegeven: “Naar mening van ondergetekende is de waardevermindering door trillingshinder het gevolg van de ligging en dus van invloed op de grondwaarde”.
De rechtbank concludeert dan ook dat [eiser] er in is geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren en stelt de schade als gevolg van waardevermindering van de woning vast op€ 19.875,--. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Gederfd woongenot
2.12.
Bij vonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank overwogen dat ProRail aan [eiser] een bedrag van € 108,79 per maand dient te vergoeden wegens gederfd woongenot. Omdat [eiser] zijn vordering had beperkt tot de periode tot en met 2018, heeft de rechtbank overwogen dat de vordering tot een bedrag van € 8.812,-- zal worden toegewezen. [eiser] heeft thans zijn eis gewijzigd en vordert dat ProRail tevens zal worden veroordeeld tot een bedrag van € 108,79 voor iedere maand sinds januari 2019 dat de onrechtmatige trillingshinder voortduurt en [eiser] eigenaar blijft van de woning. ProRail heeft zich ten aanzien van dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Nu ProRail geen verweer voert, zal de rechtbank deze vordering eveneens toewijzen.
Immateriële schade door onrechtmatige trillingshinder
2.13.
Bij vonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank reeds overwogen dat [eiser] immateriële schade leidt als gevolge van onrechtmatige hinder. De rechtbank heeft die schade begroot op € 7.500,--. [eiser] heeft zijn vordering op dit punt aangepast aan het door de rechtbank begrote bedrag en ProRail heeft zich ook op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Wettelijke rente
2.14.
[eiser] vordert de toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de eerste aansprakelijkstelling, te weten 28 maart 2017, althans vanaf de datum van dagvaarden. De wettelijke rente over de toe te wijzen schadeposten is toewijsbaar vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. De rente over de schade wegens gederfd woongenot kan daarom pas na afloop van iedere maand worden toegewezen. Voor zover de vordering tot betaling van wettelijke rente betrekking heeft op schade wegens gederfd woongenot die op 28 maart 2017 nog niet was geleden, zal deze daarom worden afgewezen. De rechtbank zal in verband daarmee een splitsing maken van de toewijsbare vergoeding wegens gederfd woongenot in de periode tot en met maart 2017 en in de periode daarna. Voor het overige zal de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 28 maart 2017, aangezien de betreffende schade toen al was geleden en ProRail c.s. op dit punt geen verweer heeft gevoerd.
Verklaring voor recht
2.15.
[eiser] vordert thans onder meer te verklaren voor recht dat ProRail onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en nog steeds handelt door een treinspoor nabij de woning van [eiser] in gebruik te hebben dat bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor een kans van 4,5 à 5 % bestaat dat de woning van [eiser] beschadigd raakt. Hij stelt daartoe dat hij belang heeft bij de door hem op dit punt gevorderde verklaring voor recht, aangezien 5% kans op schade volgens [eiser] een onrechtmatige vorm van gevaarzetting is. Prorail c.s. voert verweer op dit punt.
2.16.
De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staat dan de trillingen door passerende treinen een kans van 4,5 à 5 % op schade aan de woning met zich brengen. Deskundige [deskundige] heeft die kans immers vastgesteld op 3,5 à 4 % (zie hiervoor r.o. 2.3). De deskundige noemt die kans “zeer klein”. [eiser] heeft nagelaten te onderbouwen op grond waarvan het enkele feit dat het in het leven roepen van een dergelijke zeer kleine kans op schade aan zijn woning jegens hem in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is. Nu die onderbouwing ontbreekt en uit het deskundigenonderzoek is gebleken dat de jarenlange blootstelling aan door treinen veroorzaakte trillingen tot op heden nog niet heeft geleid tot schade aan de woning van [eiser] , kan niet worden geconcludeerd dat ProRail onrechtmatig handelt door een treinspoor nabij de woning van [eiser] in gebruik te hebben dat bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor een kans van 3,5 à 4 % bestaat dat de woning van [eiser] beschadigd raakt. De vordering tot een daartoe strekkende verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
2.17.
De vordering van [eiser] voor recht te verklaren dat ProRail onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en nog steeds handelt, doordat het treinspoor nabij de woning van [eiser] bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor voortdurend het woon- en leefgenot van [eiser] wordt beperkt met materiële schade wegens gederfd woongenot en immateriële schade wegens aantasting van zijn persoon tot gevolg, zal worden toegewezen. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in het vonnis van 8 april 2020 (r.o. 4.9. e.v.) en hiervoor onder 2.12. en 2.13. heeft overwogen over de onrechtmatige trillingshinder en de schade die [eiser] daardoor lijdt en heeft geleden.
Deskundigenkosten en overige proceskosten
2.18.
[eiser] is er niet in geslaagd te bewijzen dat de schade aan zijn woning het gevolg is van door treinverkeer veroorzaakte trillingen. De kosten van het deskundigenonderzoek door [deskundige] dienen daarom voor zijn rekening te komen. De kosten van het deskundigenbericht van [deskundige] bedroegen (conform begroting) € 12.487,20. ProRail c.s. heeft de helft van deze kosten, zijnde € 6.243,60, als voorschot voldaan. [eiser] zal daarom worden veroordeeld om dit bedrag aan ProRail c.s. te betalen.
2.19.
De kosten van het deskundigenbericht van [naam taxateur] bedroegen (lager dan begroot) € 4.650,93. Beide partijen hebben een voorschot voldaan van € 2.383,70. Nu [eiser] er in is geslaagd te bewijzen dat zijn woning vanwege de als onrechtmatig beoordeelde trillingshinder in waarde is verminderd, komen de kosten van dit deskundigenonderzoek voor rekening van ProRail. ProRail zal daarom worden veroordeeld om het door [eiser] voorgeschoten bedrag van € 2.383,70 aan hem te betalen.
2.20.
Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de overige proceskosten compenseren, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
2.21.
Het verweer van ProRail c.s. tegen de door [eiser] gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling, wordt verworpen. Het enkele feit dat [eiser] een particulier is en dat aan ProRail c.s. niets bekend is over de financiële situatie van [eiser] brengt nog niet mee dat - zoals ProRail c.s. stelt – ProRail c.s. bij betaling aan [eiser] een groot restitutierisico loopt. Ook overigens heeft ProRail c.s. geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand opweegt tegen het belang van [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling.
Resumerend
2.22.
ProRail zal - uitvoerbaar bij voorraad - worden veroordeeld om aan [eiser] te betalen: € 19.875,-- (waardevermindering woning) + € 6.527,41 (gederfd woongenot tot en met maart 2017) + € 7.500,-- ( immateriële schade) = € 33.902,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2017, alsmede tot een bedrag van € 108,79 voor iedere maand sinds april 2017 dat de onrechtmatige trillingshinder voortduurt en [eiser] eigenaar blijft van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het einde van iedere maand. Daarnaast zal ProRail worden veroordeeld tot betaling van de door [eiser] voorgeschoten deskundigenkosten van € 2.383,70, met wettelijke rente. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen op de in r.o. 2.17 vermelde wijze. De vorderingen van [eiser] worden voor het overige afgewezen.
2.23.
[eiser] zal worden veroordeeld om aan ProRail c.s. te betalen de door haar voorgeschoten deskundigenkosten van € 6.243,60, met wettelijke rente.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht, dat ProRail onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en nog steeds handelt, door sinds omstreeks 2000 een treinspoor nabij de woning van [eiser] in gebruik te hebben dat bij het passeren van treinen trillingen veroorzaakt waardoor voortdurend het woon- en leefgenot van [eiser] wordt beperkt met materiële schade wegens gederfd woongenot en immateriële schade wegens aantasting van zijn persoon tot gevolg;
3.2.
veroordeelt ProRail om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 33.902,41, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf 28 maart 2017 tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt ProRail om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 108,79 voor iedere maand vanaf april 2017 dat de onrechtmatige trillingshinder voortduurt en [eiser] eigenaar blijft van de woning, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf het einde van iedere maand tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt ProRail om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.383,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt [eiser] om aan ProRail c.s. te betalen het bedrag van € 6.243,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.6.
compenseert de overige kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, mr. J. de Graaf en mr. E.H.J.M. Thielen en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022.
Uitspraak 18‑11‑2020
Inhoudsindicatie
Benoeming deskundigen en vraagstelling omtrent gestelde waardevermindering van woning en bouwkundige schade als gevolg van trillingen door treinverkeer.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/352459 / HA ZA 18-774
Vonnis van 18 november 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. R.H.U. Keizer te Roosendaal,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAILINFRATRUST B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en ProRail genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 8 april 2020
- -
de akte van ProRail
- -
de antwoordakte van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Schade door onrechtmatige trillingshinder
2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan die deskundige te stellen vragen met betrekking tot de door [eiser] gestelde waardevermindering van zijn woning als gevolg van onrechtmatige trillingshinder.
2.2.
[eiser] stelt dat partijen na het indienen van de akte door ProRail overleg hebben gevoerd over de te benoemen deskundigen en dat ProRail heeft laten weten te kunnen instemmen met de door hem voorgestelde deskundige. Deze deskundige heeft de rechtbank echter bericht dat hij het onderzoek niet kan uitvoeren. Nu [eiser] niet heeft ingestemd met de door ProRail voorgestelde deskundige, heeft de rechtbank een andere deskundige benaderd. De heer ing. [naam taxateur] , taxateur te [woonplaats taxateur] , heeft verklaard bereid en in staat te zijn het deskundigenonderzoek te verrichten. De rechtbank zal de heer [naam taxateur] tot deskundige benoemen.
2.3.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of ook de schade aan de woning bij de vraagstelling aan deze deskundige moet worden betrokken. Volgens [eiser] daalt de waarde van de woning door de trillingshinder mogelijk meer in de situatie waarin de woning wel beschadigd is, dan waarin die niet beschadigd is. ProRail stelt dat de schade aan de woning buiten beschouwing gelaten moet worden omdat [eiser] afzonderlijk vergoeding van die schade vordert. De rechtbank zal de deskundige vragen een onderscheid te maken in de situatie met en zonder die schade, indien dat relevant is voor de waardebepaling. Of en in hoeverre een eventuele aanvullende waardevermindering als gevolg van de aanwezige schade voor rekening van ProRail komt, zal na het uitbrengen van het deskundigenbericht worden beoordeeld.
2.4.
Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in dit verband verder naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank de deskundige de volgende vragen voorleggen. Andere voorgestelde vragen zijn niet nodig ter voorlichting van de rechtbank zodat zij die niet overneemt.
- 1.
Wat is op de taxatiedatum de waarde van de woning van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats] in de huidige feitelijke situatie, uitgaande van het huidige gebruik van het spoor?
- 2.
Wat zou die waarde zijn, uitgaande van de situatie waarin in de woning geen trillingshinder als bedoeld in r.o. 4.10 tot en met 4.12 van het tussenvonnis van 8 april 2020 zou worden ondervonden?
- 3.
Indien de aanwezige schade aan de woning (zoals omschreven in r.o. 2.3 van het vonnis van 8 april 2020) relevant is voor uw antwoord op vraag 1 en 2, kunt u dan telkens aangeven wat de waarde van de woning is met en zonder die schade?
- 4.
Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn?
Schade aan de woning
2.5.
Bij vonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank ProRail in de gelegenheid gesteld om van de trillingsmetingen door [bedrijfsnaam expertise bureau] ook de resultaten van de metingen in de z-richting bij meetpunt B, voorzien van een toelichting, in het geding te brengen. ProRail heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij akte alsnog twee grafieken overgelegd, waarin ook de metingen in de z-richting zijn opgenomen. Tevens heeft zij een e-mail overgelegd van de heer [naam expert] , expert in dienst van [bedrijfsnaam expertise bureau] , die daarin onder meer schrijft: “Wij hebben deze data uiteraard beschikbaar gesteld en vastgesteld dat de gemeten piek in de verticale richting bij meetpunt B 3,42 mm/s bij 9 Hz bedroeg. Dat is nog steeds ruim onder de grenswaarde van 4,29 mm/s waarmee geen conclusie anders dient te worden”.
[eiser] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vraag of ProRail het gestelde causaal verband voldoende gemotiveerd heeft betwist.
2.6.
Nu uit de aanvullende gegevens die ProRail heeft overgelegd blijkt dat [bedrijfsnaam expertise bureau] , ook na de z-richting van de gemeten trillingen bij meetpunt B bij haar conclusies te hebben betrokken, bij die conclusies blijft, is de rechtbank van oordeel dat ProRail de bevindingen uit het rapport van [X] voldoende gemotiveerd heeft betwist. [eiser] zal dus bewijs moeten leveren van zijn stelling dat de schade aan zijn woning veroorzaakt is door trillingen van passerend treinverkeer. De rechtbank is van oordeel dat ook op dit punt de benoeming van een deskundige noodzakelijk is.
2.7.
Beide partijen hebben zich reeds uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan de deskundige te stellen vragen. [eiser] stelt voor om [deskundigenbureau] te [woonplaats deskundige] , tot deskundige te benoemen en het aan [deskundigenbureau] over te laten om uit haar midden de meest deskundige persoon aan te wijzen, althans - indien ook onderzoek door een bouwpatholoog noodzakelijk wordt bevonden - een geschikte partij te raadplegen. Hij stelt voorts dat partijen na het indienen van de akte door ProRail overleg hebben gevoerd over de te benoemen deskundigen en dat ProRail heeft laten weten te kunnen instemmen met deze deskundige. Nu ProRail niet heeft verzocht een nadere akte te mogen nemen, gaat de rechtbank ervan uit dat zij inderdaad instemt met benoeming van [deskundigenbureau] tot deskundige. [deskundigenbureau] heeft desgevraagd te kennen gegeven bereid en in staat te zijn het deskundigenonderzoek uit te voeren. De rechtbank zal het voorstel van [eiser] daarom volgen.
2.8.
De wijze van rapporteren door [bedrijfsnaam expertise bureau] geeft volgens [eiser] aanleiding om de deskundige zelf de nodige trillingsmetingen te laten doen en niet de metingen van [bedrijfsnaam expertise bureau] te laten gebruiken. Volgens [eiser] heeft ProRail desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen extra trillingsmetingen. Nu ProRail niet heeft verzocht een nadere akte te mogen nemen, gaat de rechtbank ervan uit dat zij inderdaad instemt met het verrichten van extra trillingsmetingen door de deskundige. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de deskundige de instructie te geven de uitkomsten van de reeds verrichte trillingsmetingen buiten beschouwing laten, nu [eiser] die uitkomsten als zodanig niet heeft bestreden. De rechtbank zal het aan de deskundige overlaten of het voor de beantwoording van de vragen noodzakelijk is om zelf trillingsmetingen te verrichten, in aanvulling op de reeds beschikbare resultaten van de eerder uitgevoerde trillingsmetingen.
2.9.
Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in dit verband verder naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank de deskundige de volgende vragen voorleggen. Andere voorgestelde vragen zijn niet nodig ter voorlichting van de rechtbank zodat zij die niet overneemt.
- 1.
Is er sprake van bouwkundige, constructieve schade aan de woning van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats] en zo ja, hoe oud is die schade?
- 2.
Overschrijden de trillingen waaraan de woning als gevolg van treinverkeer wordt blootgesteld de relevante grenswaarden uit de SBR richtlijn A: Schade aan bouwwerken?
- 3.
Wilt u, indien u dat voor de beoordeling van voorgaande vraag noodzakelijk acht, zelf door middel van metingen vaststellen aan welke trillingen de woning als gevolg van treinverkeer wordt blootgesteld?
- 4.
Zou de schade aan de woning ook zonder de trillingen van het treinverkeer zijn ontstaan? Indien u deze vraag niet met zekerheid kunt beantwoorden, kunt u dan aangeven in hoeverre het aannemelijk is dat trillingen de schade hebben veroorzaakt?
- 5.
Zijn er indicaties dat de schade aan de woning andere oorzaken heeft dan trillingen afkomstig van treinverkeer?
- 6.
Indien (aannemelijk is dat) er sprake is van een verband tussen de schade aan de woning en de trillingen, op welke wijze kan de schade dan het beste worden hersteld en welke (gespecificeerde) kosten gaan daarmee gepaard?
- 7.
Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zijn?
Algemeen
2.10.
De rechtbank zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundigen vaststellen op het in de beslissing vermelde bedrag.
2.11.
In voornoemd tussenvonnis is al aangekondigd dat beide partijen ieder de helft van het voorschot op de kosten van de deskundigen moeten deponeren.
2.12.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.13.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.14.
In afwachting van het deskundigenonderzoek zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
benoemt tot deskundigen:
ter beantwoording van de onder r.o. 2.4. geformuleerde vragen:
de heer [naam taxateur] ,
adres: [adres taxateur] ,
[postcode taxateur] [woonplaats taxateur]
telefoon: [telefoonnummer taxateur]
email: [e-mailadres taxateur]
en ter beantwoording van de onder r.o. 2.9. geformuleerde vragen:
[deskundigenbureau] bv,
t.a.v. de heer ir. [contactpersoon deskundigenbureau] ,
adres: [adres deskundigenbureau] , [postcode deskundigenbureau] [woonplaats deskundige] ,
telefoon: [telefoonnummer deskundigenbureau] ,
email: info@ [deskundigenbureau] .nl.
het voorschot
3.2.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige [naam taxateur] vast op het door die deskundige begrote bedrag van € 4.767,40, inclusief BTW en de kosten van de deskundige [deskundigenbureau] op het door die deskundige begrote bedrag van € 12.487,20, inclusief BTW,
3.3.
bepaalt dat partijen ieder de helft van elk voorschot dienen over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.4.
draagt de griffier op om de deskundigen onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.5.
bepaalt dat [eiser] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen,
3.6.
bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door de deskundigen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.7.
wijst de deskundigen erop dat:
- -
de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen,
- -
de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- -
de deskundigen partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dienen te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundigen dit onderzoek niet mogen uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- -
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundigen hierop hebben gereageerd,
3.8.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien deze daarom verzoeken, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.9.
draagt de deskundigen op om uiterlijk zes maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.10.
wijst de deskundigen erop dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundigen is gebaseerd,
- -
de deskundigen ieder een concept van het rapport aan partijen moeten toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundigen in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundigen daarop moeten vermelden,
3.11.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.12.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 7 april 2021,
3.13.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- -
indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- -
na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] op een termijn van vier weken,
3.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, mr. J. de Graaf en mr. E.H.J.M. Thielen en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.
Uitspraak 08‑04‑2020
Inhoudsindicatie
Vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van door treinverkeer veroorzaakte trillingen in woning eiser. Risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor de spoorinfrastructuur rust op grond van artikel 8:1661 lid 2 BW niet op eigenaar maar op beheerder. Trillingsnormen. Onrechtmatige hinder door trillingen van treinverkeer en begroting immateriële schade. Vaststelling schade wegens gederfd woongenot. Deskundigenonderzoek omtrent gestelde waardevermindering van woning en bouwkundige schade.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/352459 / HA ZA 18-774
Vonnis van 8 april 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. R.H.U. Keizer te Roosendaal,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PRORAIL B.V.,
gevestigd te Utrecht,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RAILINFRATRUST B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagden,
advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam.
Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd en gedaagden ProRail, respectievelijk Railinfratrust (gezamenlijk ProRail c.s.).
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 15 mei 2019
- -
het proces-verbaal van comparitie van 24 september 2019.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] is sinds 1970 eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Deze weg loopt evenwijdig aan de spoorlijn Vlissingen – Roosendaal, die voor personen- en goederenvervoer wordt gebruikt. De afstand tussen de woning van [eiser] en de spoorlijn bedraagt 15 à 16 meter.
2.2.
Railinfratrust is juridisch eigenaar van de spoorlijn. ProRail is concessiehouder in de zin van artikel 16 van de Spoorwegwet en beheerder van de spoorlijn.
2.3.
Op de zolder van de woning van [eiser] is sprake van horizontale scheurvorming in de rechterzijgevel en in het schoorsteenkanaal. Er is daarbij sprake van een verplaatsing van circa 2 respectievelijk 6 millimeter van het deel van de gevel respectievelijk het schoorsteenkanaal boven de scheur ten opzichte van het deel onder de scheur.
2.4.
Op verzoek van de rechtsbijstandverzekeraar van [eiser] heeft [expertisebureau A] de woning op 9 mei 2016 geïnspecteerd. In het naar aanleiding daarvan op 7 oktober 2016 uitgebracht rapport (productie 6 bij dagvaarding) is met betrekking tot de scheuren in de binnenmuren, het schoorsteenkanaal en de buitengevels vermeld: “(…) De externe factor omgevingstrillingen, heeft naar ons oordeel tot onderhavig schadebeeld geleid. (…) De uitgewezen overschrijding van de trillingsnormen door een duidelijk bewezen toename van frequentie, lengte (dus gewicht) en snelheid van het passerende treinverkeer sinds 1990, bevestigt ons vermoeden hieromtrent. Ons is niet gebleken dat er andere factoren zijn geweest die tot onderhavig schadebeeld kunnen hebben geleid (…)”.
2.5.
Bij brief van 24 maart 2017 heeft (de rechtsbijstandverzekeraar van) [eiser] ProRail aansprakelijk gesteld voor schade aan zijn woning.
2.6.
ProRail heeft opdracht gegeven aan [expertisebureau B] voor een opname van de woning, trillingsonderzoek en schadeonderzoek. [expertisebureau B] heeft in de periode van 22 november tot en met 29 november 2018 trillingsonderzoek uitgevoerd en de schade aan de woning onderzocht. In het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport van 25 januari 2019 is onder meer het volgende vermeld:
“Wij hebben uit de resultaten van de uitgevoerde trillingsmetingen afgeleid dat het piek niveau van de trillingsbelasting op de woning 3,29 mm/s op de begane grond en 2,47 mm/s op de etage bedraagt, bij een frequentie tussen de 5 Hz en 15 Hz. De conclusie van de onderzoeksrapportage was dat de kans dat de trillingsintensiteit op de begane grond bouwkundige schade kan veroorzaken tussen de 10 % en 20% ligt, ofwel een verhoogde kans. Duidelijk is evenwel ook geworden dat de trillingen in de constructie zich met name in horizontale richting verplaatsen, van meetpunt A naar Meetpunt C (achtergevel, begane grond). In verticale richting van meetpunt A naar meetpunt B (1e etage) dempen de trillingen aantoonbaar uit tot een niveau dat conform de SBR Richtlijnen 2017, deel A, onder de grenswaarde ligt. Dit leidt tot een schadekans kleiner dan 1% voor bouwdelen op de verdieping van de woning. Omtrent het trillingsniveau kunnen wij concluderen dat er een verhoogde kans is dat er bouwkundige schade kan ontstaan. De piekwaarde van 3,29 mm/s bij 9 Hz is onmiskenbaar veroorzaakt door een passerende trein. Ook duidelijk is dat dit trillingsniveau intimiderend kan overkomen voor de bewoners van de woning en als onprettig ervaren kan worden.
(…)
Op basis van onze bevindingen concluderen wij echter dat de scheurvorming primair andere oorzaken heeft dan trillingen van buitenaf. Het is naar onze mening niet aangetoond dat trillingen de in de woning aanwezige gebreken hebben veroorzaakt. De aan ons getoonde gebreken komen overeen met normaal voorkomende gebreken in bouwconstructies of hebben een andere oorzaak die geen relatie heeft met treinverkeer. Verergering van bestaande gebreken door trillingen, waardoor de heer en mevrouw [eiser] een financieel nadeel lijden, achten wij tevens niet voor de hand liggend.
(…)
Omdat in dit specifieke geval met name het schademechanisme rondom de schoorsteen duiding behoeft, geven wij u in overweging om een bouwpatholoog of schoorsteen expert een specifieke opdracht hieromtrent te geven.(…)”
3. Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – te verklaren voor recht dat ProRail c.s. onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld, door sinds 2000 een treinspoor in gebruik te hebben nabij de woning van [eiser] dat trillingen veroorzaakt die de woning van [eiser] hebben beschadigd, de waarde van de woning van [eiser] hebben doen dalen en het woon- en leefgenot van [eiser] hebben beperkt, alsmede hoofdelijke veroordeling van ProRail c.s. tot betaling aan [eiser] van € 112.541,90, vermeerderd met rente, althans verwijzing naar de schadestaatprocedure, en tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt – samengevat – dat sinds ongeveer het jaar 2000 sprake is van een gestage toename van het goederentreinverkeer en van langere en zwaardere treinen. Hierdoor kreeg de hinder die het treinverkeer veroorzaakt in de periode 2000-2003 een onrechtmatig karakter. Sinds 2008 is ook de snelheid van de goederentreinen toegenomen. De trillingen overstijgen de toepasselijke SBR B norm twee tot drie keer. Ze doen de ruiten zichtbaar bewegen, het servies rinkelen, de woning schudden en verstoren de nachtrust. De hinder hiervan is van dien aard dat dit bij [eiser] leidt tot een aantasting van zijn persoon. Hij vordert daarom een vergoeding voor immateriële schade van € 25.000,--.
De trillingen hebben voorts geleid tot materiële schade. [eiser] ontdekte in 2014 de scheurvorming in de zijgevel van de kapconstructie. Deze scheur kan alleen door het treinverkeer worden verklaard. Het “opslingeren” van trillingen vanaf de fundering naar hoger gelegen vloerdelen, leidt tot een hoger trillingsniveau in horizontale richting boven in de woning, waardoor de woning gaat “zwaaien”. De kosten van herstel van de gevel en de schoorsteen zijn begroot op € 9.304,90. Daarnaast is de woning van [eiser] € 52.000,-- in waarde gedaald door de schade aan de woning en de onrechtmatige hinder. De woning was en is hierdoor ook minder goed te gebruiken. De woonlasten hebben daarom ten dele hun doel gemist. [eiser] begroot zijn schade in verband hiermee op de helft van de door hem betaalde hypotheekrente, te weten € 26.237,--.
[eiser] houdt ProRail als bezitter van de (gebrekkige) spoorlijn op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk voor voornoemde schade. Railinfratrust wordt als eigenaar vermoed bezitter te zijn en is op die grond aansprakelijk. Subsidiair stelt [eiser] dat sprake is van onrechtmatig handelen in de vorm van gevaarzetting (artikel 6:162 BW). De veroorzaakte hinder is onrechtmatig op grond van artikel 5:37 jo 6:162 BW. [eiser] verwijt Railinfratrust dat zij onvoldoende heeft gedaan tegen de veroorzaakte hinder en de gevaarzetting.
3.3.
ProRail c.s. voeren – samengevat – het volgende verweer. De vorderingen op Railinfratrust zijn verjaard. De risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW voor de spoorinfrastructuur rust bovendien op grond van artikel 8:1661 lid 2 BW niet op Railinfratrust. Omdat ProRail de beheerder is van de hoofdspoorweginfrastructuur, kunnen de vorderingen jegens Railinfratrust niet slagen. Subsidiair sluit Railinfratrust zich aan bij het verweer van ProRail.
3.4.
ProRail voert aan dat de op trillingshinder gebaseerde vorderingen van [eiser] zijn verjaard, voor zover die betrekking hebben op de periode vóór 24 maart 2012.
Zij betwist voorts dat zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Het spoor en ProRail veroorzaken zelf geen trillingen. Trillingen zijn inherent aan treinverkeer.Uit onderzoeken blijkt dat sprake is van negen tot dertien passerende goederentreinen per dag met circa 25 bakken en een gemiddelde snelheid van 81 km/u. De trillingshinder hiervan ligt tussen Vmax 1,2 en 1,6, wat in de zin van de SBR richtlijn B geen “ernstige” hinder is. Het staat ProRail niet vrij om ingrijpende en kostbare trillingsreducerende maatregelen te treffen, zoals de aanleg van een spoorbak, tenzij dit plaatsvindt in het kader van specifieke projecten ter uitvoering van tracébesluiten. Daarvan is in dit geval geen sprake. De beheerplannen tot en met 2018 voorzagen ook niet in het nemen van trillingsreducerende maatregelen. In 2015 en 2018 zijn wel werkzaamheden verricht bij de overweg Buys Ballotstraat / Patijnweg die de trillingshinder mogelijk inmiddels hebben beperkt. Verdere effectieve maatregelen kunnen slechts tegen enorm hoge kosten worden gemaakt. Dit kan in redelijkheid niet van ProRail worden gevergd. [eiser] had bij de aankoop van de woning ook rekening kunnen houden met de (autonome) groei van het (goederen)treinverkeer, waaronder meer en langere treinen. Dit is een normale maatschappelijke ontwikkeling en [eiser] heeft een zekere mate van (toename van) trillingshinder te dulden. ProRail wijst voorts op het maatschappelijk belang van het treinverkeer en de omstandigheid dat het huidige gebruik van de spoorweg ter plaatse is toegestaan. ProRail betwist de (hoogte van de) door [eiser] gevorderde vergoeding voor immateriële schade.
Volgens ProRail voldoet het spoor aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en is van gevaarzetting geen sprake. ProRail heeft het spoor waar nodig vervangen of vernieuwd en regelmatig onderhouden. Op ProRail rust ook geen plicht om trillingen te reduceren. Het spoor is geschikt voor en ingericht op het huidige treinverkeer. Het goederentreinverkeer is tussen 2005 en 2018 niet toegenomen. Overschrijding door vervoerders van de toegestane tonnage of maximumsnelheid leidt niet tot meer trillingen en kan ProRail niet worden toegerekend. De kans op schade als gevolg van trillingen is zeer klein. Uit de bevindingen van [expertisebureau B] volgt dat de scheurvorming op de zolder van de woning van [eiser] niet is veroorzaakt door van treinverkeer afkomstige trillingen. De conclusies van Lengkeek zijn onvoldoende onderbouwd. ProRail betwist tot slot de (hoogte van de) door [eiser] gestelde materiële schade en verzoekt een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Railinfratrust
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] de grondslagen van zijn vorderingen op Railinfratrust onvoldoende heeft onderbouwd. In het licht van het bepaalde in artikel 8:1661 lid 2 BW en de (overige) juridische en wettelijke verhoudingen tussen Railinfratrust en ProRail kan de enkele stelling van [eiser] dat Railinfratrust, als eigenaar van de spoorweginfrastructuur, onvoldoende heeft gedaan om gevaarzetting en hinder als gevolg van trillingen te voorkomen, indien juist, niet leiden tot aansprakelijkheid van Railinfratrust voor de door [eiser] gestelde schade. De vorderingen ten aanzien van Railinfratrust zullen daarom worden afgewezen.
Verjaring
4.2.
[eiser] heeft in verband met het beroep van ProRail op verjaring als gevolg van onrechtmatige hinder aangevoerd dat in het door ProRail gehanteerde protocol voor de afhandeling van trillingsschade niets over verjaring staat vermeld en heeft gewezen op de wetenschap van ProRail van de voor [eiser] hinderlijke situatie en de maatschappelijke positie van partijen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet meebrengen dat het beroep van ProRail op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu [eiser] ProRail bij brief van 24 maart 2017 voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld voor door hem geleden schade, slaagt het beroep van ProRail op verjaring van diens vordering, voor zover het schade betreft die is geleden voor 24 maart 2012.
Trillingsnormen en metingen
4.3.
Met betrekking tot de vorderingen van [eiser] op ProRail stelt de rechtbank voorop dat zij, bij het ontbreken van een concrete wettelijke norm en in navolging van partijen, bij de beoordeling aansluiting zal zoeken bij de meet- en beoordelingsrichtlijnen van trillingen van de Stichting Bouwresearch (SBR), te weten deel A (Schade aan gebouwen, uitgaven 2002 en 2017, hierna: SBR A) en deel B (hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002, hierna: SBR B).
4.4.
De SBR A dient ter beoordeling van directe en indirecte bouwkundige schade door trillingen en hanteert rekenwaarden van de grenswaarden voor de trillingssnelheid (V [mm/s]) als functie van de frequentie (freq [Hz]). Daarbij worden bij verschillende categorieën gebouwen afzonderlijke grenswaarden bepaald.
4.5.
De SBR B dient ter beoordeling van hinder door trillingen en hanteert afzonderlijke streefwaarden. Voor bestaande woningen bedraagt de Vmax (maximale trillingssterkte) streefwaarde voor de nachtperiode 0,2, dan wel 0,4 mm/s indien de Vper (trillingssterkte per beoordelingsperiode) waarde niet hoger is dan 0,1 mm/s. In bijlage 5 bij SBR B wordt trillingshinder als gevolg van weg- en railverkeer als volgt geclassificeerd:
Vmax (mm/s) | Hinderkwalificatie |
< 0,1 | geen hinder |
0,1 – 0,2 | weinig hinder (bestaande situatie) |
0,2-0,8 | matige hinder |
0,8-3,2 | Hinder |
>3,2 | ernstige hinder |
4.6.
In verband met de aanleg van de nieuwe Sloelijn is in 2001 een Milieu Effect Rapportage (MER) uitgebracht (productie 3 bij dagvaarding). In het kader van die rapportage zijn in 2000 onder meer aan de woning van [eiser] gedurende een etmaal trillingsmetingen op basis van SBR 2 (thans: B) verricht om de op dat moment bestaande situatie in kaart te brengen. ProRail heeft de uitkomsten daarvan, zoals [eiser] onder 8. van de dagvaarding heeft weergegeven, niet weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Uit de metingen volgt dat er bij de woning van [eiser] sprake was van een overschrijding van de streefwaarde Vmax (alle tijdvakken) en Vper (dag- en avondperiode), met een hoogst gemeten Vmax waarde van 1.45 mm/s.
4.7.
Tussen partijen staat verder vast dat uit metingen die [deskundigenbureau] en TNO in opdracht van de gemeente [woonplaats] in 2010 en 2011 hebben verricht op basis van SBR B, is gebleken dat de trillingswaarden als gevolg van treinverkeer ter plaatse van de woning van [eiser] destijds tussen de Vmax 1,2 en 1,6 mm/s lagen.
4.8.
[expertisebureau B] heeft in november 2018 trillingsmetingen verricht en beoordeeld op basis van de SBR A richtlijn. [expertisebureau B] heeft het pand ingedeeld in categorie 2 en aangemerkt als niet monumentaal en niet trillingsgevoelig. Aan de voorzijde van het pand is een beperkte meting verricht met twee meters, waarvan er één op de begane grond (meetpunt A, linker onderhoek rechter zijgevel) en één ter hoogte van de bovenste verdiepingsvloer (meetpunt B, linker bovenhoek rechter zijgevel) is geplaatst. Aan de achterzijde is een indicatieve meting uitgevoerd met één trillingsmeter (meetpunt C, rechter onderhoek rechter zijgevel). Er is gemeten op acht achtereenvolgende dagen. De maximaal toelaatbare grenswaarden zijn berekend op 1,43 mm/s voor meetpunt A, 4,29 mm/s voor meetpunt B en 1,25 mm/s voor meetpunt C. Uit de metingen blijkt dat de hoogst gemeten representatieve waarde (Vtop) de grenswaarde bij meetpunt A op zeven van de acht dagen heeft overschreden, met een hoogst gemeten waarde van 3,29 mm/s. Bij meetpunt B is de grenswaarde niet overschreden en bedraagt de hoogst gemeten waarde 2,47 mm/s. Bij meetpunt C heeft de Vtop de grenswaarde op vier van de acht dagen overschreden, met een hoogst gemeten waarde van 1,46 mm/s.
Hinder
4.9.
Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Voor het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is mede van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder hebben te dulden.
4.10.
Uit de MER-metingen en die van TNO en [deskundigenbureau] blijkt dat ten tijde van die metingen sprake was van een (aanzienlijke) overschrijding van de streefwaarde voor bestaande woningen als bedoeld in SBR B en van “hinder” conform de daarin opgenomen classificatie. Uit die metingen blijkt dat de trillingshinder dagelijks, zowel overdag als ’s nachts terugkeert en zich al een ruim aantal jaren voordoet.
De metingen van [expertisebureau B] in november 2018 zijn niet verricht en beoordeeld op basis van SBR B. ProRail heeft [expertisebureau B] daar - ondanks de mogelijkheid daartoe - ook geen opdracht voor gegeven. Evenmin heeft zij onderbouwd op grond waarvan de resultaten van de trillingsmetingen van [expertisebureau B] niet bij de beoordeling van de huidige mate van hinder betrokken kunnen worden. Voor zover ProRail beoogt te stellen dat het rapport van [expertisebureau B] niet relevant is voor die beoordeling, gaat de rechtbank daar om die reden aan voorbij.Uit dat rapport kan worden afgeleid dat passerend treinverkeer in de woning van [eiser] nog steeds tot aanzienlijke trillingen leidt. Alle door [expertisebureau B] gemeten maximale trillingssnelheden overschrijden de SBR B streefwaarde en vallen, afgezet tegen de classificatie van SBR B, in de categorie “hinder”, dan wel, in één geval (3,29 mm/s bij meetpunt A), in de categorie “ernstige hinder”. [expertisebureau B] wijst er in dit verband in haar rapport ook op dat duidelijk is dat dit trillingsniveau intimiderend kan overkomen voor de bewoners en als onprettig kan worden ervaren. Gelet op deze bevindingen heeft ProRail naar het oordeel van de rechtbank haar verweer, dat de - na de metingen van TNO en [deskundigenbureau] - aan het spoor verrichte werkzaamheden - mogelijk - de hinder als gevolg van trillingen hebben beperkt, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal hier dan ook aan voorbijgaan. Anderzijds is de enkele meting van 3,29 mm/s op 26 november 2018 onvoldoende om te kunnen concluderen dat structureel sprake is van, zoals [eiser] stelt, “ernstige hinder” in de SBR B classificatie. De rechtbank gaat er daarom bij de beoordeling van uit dat (nog steeds) sprake is van trillingswaarden die vallen in de categorie “hinder” van de SBR B als gevolg van passerend treinverkeer in de woning van [eiser].
4.11.
[eiser] is reeds in 1970 aan de [adres] te [woonplaats] gaan wonen, terwijl de spoorlijn toen ook al voor personen- en goederenvervoer werd gebruikt. Hij heeft daarom een zekere mate van hinder als gevolg van het treinverkeer te dulden. ProRail heeft de stelling van [eiser] dat juist de toename van het treinverkeer sinds ongeveer het jaar 2000 en het (toenemend) gebruik van langere en zwaardere treinen en een hogere snelheid van de treinen, er toe hebben geleid dat de hinder een voor hem onacceptabel niveau bereikte, echter onvoldoende weersproken. Zij heeft in dit verband wel een overzicht van het aantal treinen in de jaren 2005-2018 overgelegd, maar daaruit blijkt niet hoe het treinverkeer zich in de jaren voor en na 2000 heeft ontwikkeld, zowel qua frequentie als lengte, zwaarte en snelheid van de treinen. Nu ProRail wel over die gegevens beschikt, had het op haar weg gelegen om haar verweer op dit punt met feitelijke gegevens te onderbouwen. Het feit dat de vordering van [eiser] is verjaard voor zover het schade betreft die is geleden voor 24 maart 2012 doet hier niet aan af aangezien het gaat om voortdurende hinder. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, zoals [eiser] stelt, de ernst van de hinder in de loop der jaren is toegenomen en op enig moment het niveau van trillingen heeft bereikt dat leidt tot een dagelijkse overschrijding van de SBR B streefwaarde. Dit brengt mee dat [eiser] het huidige trillingsniveau niet heeft te dulden, reeds omdat hij al in 1970 aan de [adres] te [woonplaats] is gaan wonen. [eiser] behoefde er evenmin rekening mee te houden dat de autonome ontwikkeling van het treinverkeer tot voornoemd niveau zou stijgen.
4.12.
ProRail heeft terecht aangevoerd dat treinverkeer ter plaatse is toegestaan en een groot maatschappelijk belang dient. Niet in geschil is voorts dat er geen alternatief bestaat voor de huidige spoorroute en dat ProRail geen beleidsruimte heeft voor het nemen van trillingsreducerende maatregelen, zoals een spoorbak, die bovendien zeer kostbaar zijn. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat de veroorzaakte hinder jegens [eiser] niet onrechtmatig kan zijn. Ter zitting is namens ProRail bevestigd dat zij de capaciteit op het spoor regelt en er daarbij op toeziet dat het treinverkeer binnen de geluidsnormen blijft. ProRail houdt daarbij geen rekening met de impact van trillingen, omdat hier geen normen voor gelden. ProRail miskent daarmee echter dat zij bij de uitvoering van haar taak niet alleen rekening dient te houden met wettelijke normen, maar ook met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Het had op de weg van ProRail - die al sinds de hiervoor aangehaalde metingen op de hoogte is van de door het treinverkeer veroorzaakte hinder als gevolg van trillingen - gelegen om de impact van trillingen op de woning van [eiser] te reduceren, dan wel hem hiervoor te compenseren.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder en dat ProRail gehouden is de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden.
Schade door hinder
4.13.
Wegens door hem geleden schade als gevolg van trillingshinder, vordert [eiser] een vergoeding voor immateriële schade, voor de waardevermindering van zijn woning en voor verminderd woongenot.
4.14.
Of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW, dient te worden beoordeeld aan de hand van de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en aan de hand van de aard en de ernst van de gevolgen van die gebeurtenis voor de benadeelde. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat de trillingshinder bij hem heeft geleid tot een aantasting van zijn persoon. Hij heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn woning voelt schudden en gekraak hoort als er een trein passeert. Hij wordt ongeveer drie keer per week ’s nachts wakker van de trillingen en ervaart dan angst. Gezien de uitkomsten van de hiervoor aangehaalde metingen, de bevindingen van [expertisebureau B] dat “dit trillingsniveau intimiderend kan overkomen voor de bewoners en als onprettig ervaren kan worden” en het feit dat de hinder al een groot aantal jaren voortduurt, zijn de door [eiser] aangegeven gevolgen voor zijn persoon ook voorstelbaar en voor de hand liggend. Bij de begroting van deze schade houdt de rechtbank rekening met het feit dat de vordering is verjaard, voor zover het schade betreft die is geleden voor 24 maart 2012. De rechtbank begroot de immateriële schade van [eiser] naar billijkheid op € 7.500,--.
4.15.
Door de toegebrachte onrechtmatige hinder, is ook het recht van [eiser] op ongestoord genot van zijn woning aangetast. Het door hem gederfd woongenot levert vermogensschade op die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet nauwkeurig worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) ten behoeve van een eenvoudige en eenvormige afhandeling van de aardbevingsschade in Groningen richtlijnen gegeven aan de hand waarvan een schatting kan worden gemaakt van de schade door gederfd woongenot, indien deze niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld. Daarbij gaat de Hoge Raad uit van het verschil tussen de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald in de situatie waarin bodembewegingen (kunnen) plaatsvinden en de marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald in de situatie waarin dat niet het geval is. De rechtbank is van oordeel dat ook in deze zaak bij het schatten van de omvang van de schade aansluiting kan worden gezocht bij deze richtlijnen. De rechtbank schat de schade wegens gederfd woongenot in dit geval op 25% van de marktconforme huurwaarde. Ook wat betreft deze schade geldt echter dat de vordering is verjaard, voor zover het schade betreft die is geleden voor 24 maart 2012.
4.16.
[eiser] heeft de schade wegens gederfd woongenot niet berekend aan de hand van een marktconforme huurwaarde, maar op de helft van door hem betaalde hypotheekrente die vanaf 2005 € 2.611,-- bedroeg. Zijn vordering komt dus, voor wat betreft de periode na 24 maart 2012, neer op een bedrag van € 108,79 per maand. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de woning van [eiser] een vrijstaande eengezinswoning is en dat de WOZ-waarde van de woning in 2015 aanvankelijk € 257.000,-- en na bezwaar € 205.000 bedroeg. De rechtbank gaat er gelet hierop in redelijkheid van uit dat een marktconforme huur die een huurder voor de woning zou hebben betaald in de situatie waarin geen trillingshinder zou worden ondervonden minimaal € 500,-- per maand zal bedragen. Hiervan uitgaande, bedraagt de vordering van [eiser] over de periode na 24 maart 2012 in elk geval niet meer dan 25% van die huurwaarde. [eiser] heeft zijn vordering beperkt tot de periode tot en met 2018. De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van 81 (maanden) * € 108,79 = € 8.812,--.
4.17.
[eiser] stelt verder dat de trillingshinder een negatieve uitwerking op de waarde van zijn woning heeft gehad. Hij verwijst in dit verband naar de door hem overgelegde stukken met betrekking tot de WOZ-waardebepaling per 1 januari 2014, welke waarde, na bezwaar van [eiser], van € 257.000,-- is verlaagd naar € 205.000,--. De rechtbank volgt ProRail in haar verweer dat uit deze aanpassing niet zonder meer kan worden afgeleid dat de woning van [eiser] als gevolg van de trillingshinder € 52.000,-- in waarde is gedaald. In de eerste plaats kan de WOZ-waarde niet zonder meer gelijk worden gesteld aan de waarde van een woning in het economisch verkeer. In de tweede plaats heeft [eiser] in zijn bezwaarschrift niet alleen gewezen op de trillingshinder, maar ook op diverse andere factoren die een waardeverminderend effect zouden hebben, waaronder de door hem gestelde materiële schade aan de schoorsteen. Met betrekking tot deze schade vordert hij echter tevens de kosten van herstel, welke vordering hierna zal worden behandeld en in dit verband buiten beschouwing zal worden gelaten. In hoeverre de gemeente in de beslissing op bezwaar ook met die andere factoren rekening heeft gehouden, kan bovendien niet volledig worden vastgesteld, nu [eiser] slechts de eerste pagina van de beslissing op bezwaar heeft overgelegd. De waardevermindering van de woning zal dan ook, zoals ProRail terecht heeft aangevoerd, moeten worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de waarde van de woning in de huidige feitelijke situatie ten opzichte van de situatie waarin geen sprake zou zijn van onrechtmatige trillingshinder. De rechtbank zal [eiser], conform zijn aanbod, in de gelegenheid stellen op dit punt bewijs te leveren. Voor een omkering van de bewijslast, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Gelet op de aard van het geschil, zal de rechtbank een deskundigenonderzoek gelasten. In de omstandigheid dat ProRail aansprakelijk is voor de nadelige gevolgen van de trillingshinder, ziet de rechtbank aanleiding om het voorschot voor de deskundige ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, te brengen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor de hierna genoemde aktewisseling, zodat partijen zich kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De rechtbank verzoekt partijen met elkaar in overleg te treden om zo mogelijk tot een eensluidend voorstel te komen.
Schade aan woning
4.18.
[eiser] vordert tot slot een bedrag van € 9.304,90 wegens de kosten van herstel van zijn woning. Hij baseert deze vordering op het rapport van Lengkeek van 7 oktober 2016, waarin de kosten van herstel van door omgevingstrillingen ontstane schade op dit bedrag worden begroot. Volgens Lengkeek dienen de scheuren in de gevels hersteld te worden en dient, om de verplaatsing van de kopgevel op de zolder te repareren, het metselwerk boven de horizontale scheur opnieuw te worden opgebouwd. Verder dient volgens Lengkeek, indien de frequentie, lengte en/of snelheid van het passerend treinverkeer niet kan worden aangepast, de fundering van de woning gestabiliseerd en verzwaard te worden. [eiser] heeft geen vergoeding van deze schade gevorderd.
4.19.
ProRail heeft, onder meer onder verwijzing naar de bevindingen van [expertisebureau B], het causaal verband tussen de schade aan de woning en de door het treinverkeer veroorzaakte trillingen betwist. Volgens [expertisebureau B] volgt uit haar onderzoek dat de SBR A grenswaarden alleen op de begane grond worden overschreden, waardoor de kans op bouwkundige schade op de begane grond tussen de 10% en 20% ligt. Op de verdieping worden de grenswaarden niet overschreden, zodat dat de kans op schade op de verdieping nihil is. [expertisebureau B] concludeert dat de in de woning aanwezige gebreken een andere oorzaak hebben dan trillingen van buitenaf.
4.20.
Ter zitting is gebleken dat [expertisebureau B] bij alle meetpunten de trillingen in drie richtingen heeft gemeten: de x, de y en de z-richting. In het rapport zijn de resultaten van de metingen bij de meetpunten op de begane vloer (meetpunten A en C) in deze drie richtingen opgenomen. Van het meetpunt op de eerste verdieping (meetpunt B) zijn in het rapport echter alleen de trillingen in de x en de y-richting opgenomen. De resultaten van de metingen in de z-richting ontbreken. ProRail heeft ter zitting aangeboden deze gegevens, die al voor de zitting beschikbaar waren, alsnog in het geding te brengen. Nu deze gegevens voor een goede beoordeling van de zaak van belang zijn, zal ProRail in de gelegenheid worden gesteld deze gegevens, voorzien van een toelichting van [expertisebureau B] over de invloed daarvan op de resultaten van haar bevindingen, alsnog bij akte over te leggen. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop bij antwoordakte te reageren.
4.21.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de enige trillingen die invloed op de woning van [eiser] hebben, afkomstig zijn van treinverkeer. Indien komt vast te staan dat de schade aan de woning van [eiser] is veroorzaakt door trillingen, dan is ProRail naar het oordeel van de rechtbank gehouden die schade te vergoeden. Op grond van artikel 6:174 BW jo. 8:1661 lid 2 BW is ProRail aansprakelijk voor schade indien het spoor niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en zich daardoor gevaar voor personen of zaken verwezenlijkt. Om te beoordelen of het spoor in dit geval in voornoemde zin gebrekkig is, dient naar alle omstandigheden gekeken te worden. Het enkele feit dat de trillingen van het treinverkeer schade veroorzaken, is daartoe niet voldoende. In dit geval gaat het echter om aanzienlijke bouwkundige schade aan een woning, die - indien door trillingen veroorzaakt - niet een gebruikelijk of te verwachten gevolg is van een normaal gebruik van het spoor. Daarnaast is al sinds de onderzoeken in het kader van de MER rond het jaar 2000 bij ProRail bekend dat met name bij de woning van [eiser] sprake is van een meer dan gebruikelijke trillingsoverlast. Desondanks heeft ProRail geen maatregelen getroffen om het treinverkeer zodanig te reguleren dat die trillingen werden teruggebracht. Als komt vast te staan dat het door ProRail beheerde spoor, door het (door ProRail gereguleerde) gebruik ervan, de schade aan de woning heeft veroorzaakt, is dat spoor in de gegeven omstandigheden dan ook in dit geval naar het oordeel van de rechtbank als gebrekkig aan te merken.
4.22.
Dat sprake is van causaal verband tussen de schade en de trillingen, dan wel dat een dergelijk causaal verband ontbreekt, kan echter op grond van de thans overgelegde stukken niet worden vastgesteld. Het rapport van Lengkeek wordt op dit punt weerlegd door de conclusies van [expertisebureau B]. Indien [expertisebureau B], na ook de z-richting van de gemeten trillingen bij meetpunt B bij haar conclusies te hebben betrokken, bij die conclusies blijft, en het door [eiser] gestelde causaal verband (daarmee) voldoende gemotiveerd is betwist, zal [eiser] bewijs moeten leveren van zijn stelling. Voor een omkering van de bewijslast, zoals door [eiser] bepleit, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding, nu in dit geval dan juist nog niet vaststaat dat de schade aan de woning door de trillingen kan zijn veroorzaakt en evenmin dat andere oorzaken uitgesloten zijn. Gelet op de aard van het geschil, zal de rechtbank ook op dit punt mogelijk behoefte hebben aan deskundige voorlichting. Ook hier ziet de rechtbank in de omstandigheden van de zaak voorshands aanleiding om het voorschot voor de deskundige ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, te brengen.
4.23.
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank, vooruitlopend op de nadere gegevens en toelichting van [expertisebureau B], partijen reeds nu in de gelegenheid stellen om zich bij de hiervoor genoemde akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen. De rechtbank verzoekt partijen met elkaar in overleg te treden om zo mogelijk tot een eensluidend voorstel te komen.
4.24.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 6 mei 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van ProRail als bedoeld onder 4.17, 4.20 en 4.23 van dit vonnis;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, mr. J. de Graaf en mr. E.H.J.M. Thielen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.